Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9440

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
AMS 19/3662
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Beroep tegen niet tijdig bekend maken van gesteld van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Bevoegd ingestemd met verlenging beslistermijn en het college heeft binnen die termijn op de aanvraag beslist. Daarom beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/3662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap CA Properties B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. I. de Raat).

Partijen worden hierna de vennootschap en het college genoemd.

Procesverloop

Op 17 juni 2019 heeft de vennootschap het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig bekendmaken van een aan haar van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Op 5 juli 2019 heeft de vennootschap beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van de omgevingsvergunning.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 25 november 2019. Namens de vennootschap is verschenen [naam 1] , [functie] , bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 11 december 2017 is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen, vergroten en gedeeltelijk vernieuwen van het gebouw [adres] in Amsterdam, voor het realiseren van woningen, bergingen en kantoorruimte.

2. De vennootschap betoogt dat de omgevingsvergunning op 19 juni 2018 van rechtswege is verleend en, omdat deze vergunning niet tijdig bekend is gemaakt, het college een dwangsom is verschuldigd.

3. Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure van artikel 3.9 van de Wabo1 van toepassing. Het college moet binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag beslissen, maar kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. De beslistermijn wordt op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb2 opgeschort gedurende de periode dat het college om aanvulling van de aanvraag heeft verzocht tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Verder wordt de beslistermijn op grond van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Awb opgeschort gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd. Is een besluit niet tijdig genomen, dan volgt uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, en artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb, dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

4. Uit het dossier blijkt de rechtbank onder meer het volgende. De beslistermijn van acht weken is ingegaan op 12 december 2017, de dag na ontvangst van de aanvraag op 11 december 2017. Deze termijn is opgeschort met ingang van 30 januari 2018, namelijk de dag na die waarop het college de vennootschap heeft uitgenodigd de aanvraag aan te vullen. Op dat moment waren 49 dagen van de beslistermijn verstreken. Op 23 februari 2018 heeft de vennootschap de aanvraag aangevuld. De beslistermijn is dus op die datum weer gaan lopen. Op 28 februari 2018 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd. Op dat moment waren 54 dagen van de beslistermijn verstreken. Op 11 april 2018, 11 juni 2018 en 28 juni 2018 heeft het college de beslistermijn opgeschort tot achtereenvolgens 15 juni 2018, 1 juli 2018 en 15 juli 2018, telkens met instemming van [naam 2] (hierna: ook [naam 2] ), de architect van het bouwplan. Op 12 juli 2018 heeft het college de beslistermijn tot 15 augustus 2018 opgeschort, met instemming van Hoogstad. Op 13 augustus 2018 heeft het college de beslistermijn opgeschort met acht weken, om advies te vragen aan het Landelijk Bureau Bibob. Op 4 oktober 2018 heeft de directeur van het Landelijk Bureau Bibob de adviestermijn met vier weken verlengd. Op 5 november 2018 heeft het college de beslistermijn opgeschort tot 4 januari 2019. Op 3 januari 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

5. Uit dit procesverloop volgt in beginsel dat het college binnen de geldende beslistermijn op de aanvraag heeft beslist.

6. De vennootschap heeft ter zitting gesteld dat [naam 2] niet bevoegd was met de opschortingen van de beslistermijn in te stemmen, omdat op grond van artikel 4.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, alléén de aanvrager, de vennootschap, met uitstel kan instemmen. Dit standpunt volgt de rechtbank niet en zij overweegt daartoe het volgende.

7. Uit de aanvraag in het dossier blijkt niet wie deze heeft ingediend. Op de zitting heeft [naam 3] , medewerker vergunningen en opsteller van het besluit van 3 januari 2019, toegelicht dat dit de geanonimiseerde aanvraag is, zoals deze is gepubliceerd. Vanaf haar smartphone heeft [naam 3] (aan de rechtbank en de vennootschap) de aanvraag getoond, zoals deze door de vennootschap is ingediend. Hieruit is gebleken dat de aanvraag is ingediend door [naam 2] , architect, in opdracht van Multa Capital B.V., rechtsvoorganger van de vennootschap. Gelet daarop mocht [naam 2] namens de vennootschap met opschorting instemmen. Anders dan op de zitting is gesteld, is een schriftelijke volmacht daartoe niet nodig. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat [naam 1] op 11 juli 2018 heeft ingestemd met opschorting van de beslistermijn, in reactie op een door het college aan [naam 2] verstuurde e‑mail van dezelfde dag. In die e-mail stond “dat is afgesproken dat de beslistermijn nogmaals zal worden opgeschort. Kunt u of dhr [naam 1] dit nog even bevestigen in antwoord op deze e‑mail?” In die reactie heeft [naam 1] ook niet laten blijken dat [naam 2] volgens hem niet bevoegd zou zijn geweest met deze (of eerdere) opschortingen in te stemmen. Ook de niet nader onderbouwde stelling op de zitting dat [naam 1] slechts bekend is met de opschortingen van de beslistermijn op 12 juli 2018 en 5 november 2018, in verband met de te verrichten Bibob-toets, acht de rechtbank gelet op de vorenstaande overwegingen niet aannemelijk. Omdat [naam 2] al bevoegd had ingestemd met de opschorting leidt dit ook niet tot een ander oordeel.

8. Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het college binnen de geldende beslistermijn op de aanvraag heeft beslist. Een vergunning van rechtswege is niet ontstaan en het college heeft geen dwangsom verbeurd wegens het niet tijdig bekendmaken van een dergelijke vergunning.

Conclusie en slotoverweging

9. Het beroep is niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk

U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

1 Wabo = Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2 Awb = Algemene wet bestuursrecht.