Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:944

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
18/4258 + 18/4259
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift art. 591a Sv. Reiskosten naar huis na heenzending worden (op grond van de wetsgeschiedenis) vergoed. Een vergoeding voor behandeling op zitting wordt afgewezen, omdat deze procedure al veel meer heeft gekost dan de omvang van het geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 18/4258 + 18/4259

Beschikking op de verzoeken ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. I.J.G. van Raab van Canstein, Ceintuurbaan 259-261 H, 1074 CZ te Amsterdam,

verzoeker.

De procesgang

Het verzoekschrift is op 5 juli 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 30 juli 2018 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 22 januari 2019 verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

De rechtbank heeft op 22 januari 2019 de (gemachtigde) raadsman van verzoeker en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 105,- voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering stelt te hebben geleden.

Het verzoekschrift strekt daarnaast tot vergoeding van reiskosten van € 2,29 en tot het toekennen van een vergoeding van € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

De raadsman heeft in raadkamer ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich niet te verzetten tegen het toekennen van de standaard vergoeding voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering stelt te hebben geleden. De officier van justitie verzet zich wel tegen het toekennen van de een vergoeding van de reiskosten de verzoeker zou hebben gemaakt.

De beoordeling

Verzoeker is op 4 februari 2018 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van eenvoudige mishandeling. Later deze dag is hij heengezonden.

Verzoeker is op 13 april 2018 door de politierechter in deze rechtbank vrijgesproken.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of als wel een straf en/of maatregel is opgelegd, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechtbank op grond van artikel 89 Sv op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Indien de zaak een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 591a lid 1 Sv een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde en kan aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 591a lid 2 Sv uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, in de kosten van een raadsman.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De strafzaak tegen verzoeker is op 27 april 2018 onherroepelijk geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Het verzoek is tijdig ingediend.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen en rekening houdend met de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.

Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker gedurende zijn voorarrest in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136 lid 1 Sv. Onder één dag wordt verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eerste dag van de inverzekeringstelling wordt echter altijd naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.

Verzoeker heeft één dag op een politiebureau doorgebracht. De rechtbank kent een standaard schadevergoeding toe van € 105,00 per dag die op het politiebureau is doorgebracht.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv

De gevorderde reiskosten zullen ook worden toegekend. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 januari 2018 beslist dat reiskosten, zoals deze thans door verzoeker worden verzocht, ook onder het bereik van artikel 591a Sv vallen. De Memorie van Toelichting stelt immers “buiten twijfel dat bijvoorbeeld kosten voor reizen, noodzakelijk in verband met een verhoor, niet ter terechtzitting maar door de rechter-commissaris, eveneens voor vergoeding in aanmerking komen.” (Stb. 1963, 130 (p. 9)). In lijn met de bedoeling van de wetgever moeten de door verzoeker verzochte reiskosten worden gezien als reiskosten in de zin van artikel 591a Sv. Het maken van reiskosten stond immers niet ter eigen beoordeling van verdachte, maar waren het gevolg waren van het feit dat hij ten behoeve van het voorbereidend onderzoek in verzekering werd gesteld. Bovendien gaat het om redelijke kosten, die in redelijkheid zijn gemaakt.

Het komt de rechtbank zeer onwenselijk voor dat in de toekomst nog vaker wordt geprocedeerd over bedragen zoals hier aan de orde. Verzoeker en Openbaar Ministerie liggen € 2,29 uit elkaar. Het beslechten van dit geschil kost de maatschappij honderden malen dat bedrag. Een geding als dit is bovendien bepaald geen reclame voor de rechtspleging, zeker niet in tijden waarin de magistratuur kampt met capaciteitsproblemen en de advocatuur strijdt voor het behoud van de gefinancierde rechtsbijstand.

De rechtbank merkt op dat het Openbaar Ministerie tegen voornoemde beslissing van 23 januari 2018 geen hoger beroep heeft aangetekend, maar de daarin vervatte lijn van de rechtbank kennelijk ook niet navolgt.

De raadsman komt tegen deze opstelling van het Openbaar Ministerie in het geweer, zo heeft hij op de zitting uitgelegd. Dat wil echter niet zeggen dat de vergoeding van alle inzet van rechtsbijstand ook billijk is. De raadsman hoeft in beginsel slechts de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer onder de aandacht te brengen. Daarvoor moet de schriftelijke toelichting in een verzoekschrift – zo die procedure daarvoor al nodig is – kunnen volstaan.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift een vergoeding toekennen van € 280,-. Een hogere vergoeding wordt afgewezen. Het belang van verzoeker om de zaak op zitting door een raadsman te laten bepleiten is te gering om de daarmee gepaard gaande hogere vergoeding voor de raadsman (van € 550,-) te rechtvaardigen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 105,- (honderdvijf euro) voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 2,29 (twee euro en negenentwintig eurocent) aan reiskosten en € 280,00 (tweehonderdtachtig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte af

Deze beslissing is gegeven door

mr. M.F. Ferdinandusse, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 387,29 (driehonderdzevenentachtig euro en negenentwintig eurocent) op IBAN-nummer [IBAN-nummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Tjomas Advocaten, onder vermelding van vergoeding 89 en 591a Sv, inzake: 2018047 [naam verzoeker] /OM

Aldus gedaan op 5 februari 2019 door mr. M.F. Ferdinandusse, rechter.