Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9439

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
27-12-2019
Zaaknummer
C/13/663394 / HA ZA 19-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg inhoud mondeling VvE-besluit conform Haviltex. Schadevergoeding ogv art. 28 lid 3 modelreglement afgewezen: niet geconcretiseerd dat schade het gevolg is van uitvoering van VvE-besluit. Geen procesvolmacht van VvE vereist voor incassoprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/663394 / HA ZA 19-308

Vonnis van 18 december 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E. Swart te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN [adres] TE [plaats],

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

gedaagde sub 1 tevens eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.I. Keur te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] (in mannelijk enkelvoud), de VvE, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 februari 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte nadere producties,

  • -

    het proces-verbaal van de op 8 oktober 2019 gehouden comparitie van partijen met het daaraan gehechte stuk.

1.2.

[eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen zijn vordering gedeeltelijk ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de appartementsrechten die recht geven op het uitsluitend gebruik van het souterrain en de beletage van de [adres] te [plaats] (het gebouw). Het souterrain en de beletage vormen tezamen de woning van [eiser]

2.2.

[gedaagde sub 2] is in de zomer van 2016 eigenaar geworden van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de eerste verdieping van het gebouw.

2.3.

[gedaagde sub 3] is tot juli 2019 eigenaar geweest van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de tweede en derde verdieping van het gebouw.

2.4.

Het gebouw omvat alleen de hiervoor genoemde appartementsrechten. De VvE voert het beheer over de gemeenschap. [eiser] heeft het onverdeeld 2/5 aandeel in de gemeenschap, [gedaagde sub 2] 1/5 en [gedaagde sub 3] 2/5.

2.5.

In de akte wijziging splitsing in appartementsrechten van 25 april 2008 en het van toepassing zijnde modelreglement1 is opgenomen dat elk appartementsrecht één stem heeft. Zodoende heeft [eiser] twee stemmen en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] beide één stem.

2.6.

In het modelreglement is verder opgenomen, voor zover hier van belang:

Artikel 9

1. Tot de schulden en kosten van de gezamenlijke eigenaars als bedoeld in artikel 5:112 eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek worden gerekend: (…)

d. het bedrag van de schadevergoeding door de gezamenlijke eigenaars als zodanig verschuldigd aan één van hen of aan een derde;

e. de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten verbonden aan het optreden als eiser of als verweerder door of namens de gezamenlijke eigenaars.

Artikel 28

3. Indien voor het verrichten van een handeling met betrekking tot een ander privé gedeelte of met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten of de gemeenschappelijke zaken, de toegang tot of het gebruik van een privé gedeelte naar het oordeel van het bestuur noodzakelijk is, is iedere desbetreffende eigenaar en gebruiker verplicht hiertoe zijn toestemming en medewerking te verlenen. Eventuele schade die hieruit voortvloeit, wordt door de eigenaar van het andere appartementsrecht respectievelijk de vereniging vergoed.

Artikel 53

5. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen (…). Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren, (…) en voor het voeren van incassoprocedures.”

2.7.

[eiser] heeft er vanaf 2012 herhaaldelijk bij de andere leden van de VvE op aangedrongen om de fundering van het gebouw te laten herstellen omdat het gebouw verzakte. Daarnaast had [eiser] last van ernstige verzakking en vocht in het souterrain (binnenstromend grondwater, optrekkend vocht in de muren en condensatie).

2.8.

Op 26 oktober 2015 heeft Wareco Ingenieurs (hierna: Wareco) in opdracht van de VvE een onderzoek naar de funderings- en vochtproblemen van het gebouw uitgevoerd. Wareco heeft scheurvorming in muren en vochtproblematiek in het souterrain geconstateerd. Wareco heeft in haar rapport van 31 maart 2016 geadviseerd een nieuwe fundering aan te brengen door middel van het persen van palen in het metselwerk. Ten aanzien van binnenstromend water is geadviseerd een hemelwaterafvoer en een drainage aan te brengen. Ten aanzien van optrekkend vocht is geadviseerd om de muren te injecteren en te laten behandelen en ten aanzien van condenserend vocht om deze muren te voorzien van een geïsoleerde voorzetwand.

2.9.

De VvE heeft het bedrijf [naam bedrijf 1] gevraagd een offerte op te stellen voor het funderen van het gebouw en het aanbrengen van een betonnen bak. Bij brief van 13 maart 2016 heeft [gedaagde sub 3] samen met de toenmalige eigenaren van de eerste etage aan [eiser] geschreven, voor zover hier van belang:

“Een herstel pakket, zoals besproken in december op het kantoor van Wareco bestaand uit het funderen van de voor- en achtergevel met insteekpalen, en het verstevigen van de souterrain vloer, volgens het Wareco rapport zal rond de € 73.000 bedragen. Nadat een offerte is gemaakt, kan dit bedrag worden vastgesteld. (…)

De offerte van “ [naam bedrijf 1] ” voor het plaatsen van een betonnen bak. Het funderen van die bak, inclusief het funderen van de voor- en achtergevel; de extra onderzoekskosten; kosten voor het opnieuw opbouwen van het souterrain, (geschat), zal het dubbele bedrag kosten. (zie bijlage optie 2) Deze optie heeft als gevolg dat de totale souterrain verdieping moet worden afgebroken en weer moet worden opgebouwd. Hetgeen bij de optie zoals voorgesteld door Wareco niet nodig zal zijn. De VvE beschouwt het plaatsen van een betonnen bak niet als haar (financiële) verantwoordelijkheid.

De VvE-leden kiezen ervoor om volgens de bestaande verdeelsleutel het bedrag van optie 1 (nu geschat rond 73.000 euro) in de VvE pot te stoppen, en op die manier ter beschikking te stellen van de optie die door [eiser sub 2] , toevoeging rechtbank] en [eiser sub 1] , toevoeging rechtbank] wordt geprefereerd. Met die storting voldoet de VvE aan haar verantwoordelijkheid het gebouw in goede staat te behouden. Deze tegemoetkoming ontslaat de VvE van enige verantwoordelijkheid om het gehele souterrain te vervangen.

Beide berekeningen, nog niet volledig ondersteund door offertes, zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.”

Optie 1, nog niet ondersteund door een offerte, zag op de voorgestelde oplossing zoals opgenomen in het Wareco rapport, namelijk geperste palen ter fundering. De kosten hiervan bedroegen € 72.600 inclusief btw en zagen niet op het opnieuw opbouwen van het souterrain en een extra fundering voor een betonnen bak. Optie 2 met de offerte van [naam bedrijf 1] zag op het funderen inclusief het aanleggen van een betonnen bak. De totale kosten hiervan bedroegen € 101.390,66. Daarnaast zou de opbouw van het souterrain (ramen, badkamer, muren, vloer) naar schatting € 50.000 kosten.

2.10.

Op 17 maart 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde sub 3] en de toenmalige eigenaren van de eerste etage geschreven, voor zover van belang:

“We made it very clear from the beginning that we were looking at the costs of putting in a concrete bak to ensure it is waterdicht. (…)

Further concerns of ours that were emailed to [naam] [een van de toenmalige eigenaren van de eerste verdieping, toevoeging rechtbank]:

o Not in agreement with injecting the floor as there is no guarantee that this will help, the floor has already sunk 5 cm’s according to the report and there is no guarantee that injecting will prevent this happening again;

o The walls are such bad quality it is doubtful if it will withstand injections.

The offerte you refer to in Optie 2 is the one we want to go for. (…) In our discussions with Waternet (and everyone else) they advised us to put in a concrete bak. They only company telling us not to do this is Wareco. (…)

At the same time however, we all want to find a solution and move forward and get the work done. It is obvious that your interests and ours are completely different so your voorstel is probably the best solution here.

Therefore, if you can get the total costs involved for Optie 1, we will have a look further.”

2.11.

Op 23 maart 2016 hebben [gedaagde sub 3] en de toenmalige eigenaren van de eerste verdieping hierop geantwoord, voor zover van belang:

“Dank voor jullie antwoord van 17 maart. Het is prettig dat we toch tot een oplossing kunnen komen. We spreken hierbij af dat de VvE, volgens de verdeelsleutel van 1/5 aandeel per verdieping, bijdraagt aan het totaal bedrag van “optie 1” (uit onze brief van 12 maart jl) [de rechtbank begrijpt: 13 maart 2016]: € 72.600 inclusief BTW. (…) Daarmee zijn het totale funderingsherstel en de totale vochtbestrijding die ten laste komen van de VvE definitief afgerekend.

De totale bouwplannen moeten door de VvE worden goedgekeurd dus die zien wij graag zo spoedig mogelijk tegemoet (…).

Na goedkeuring van de afspraken die we nu maken kan de VvE toestemming geven voor de geplande verbouwing.”

2.12.

Op enig moment hebben [eiser] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] nadere afspraken gemaakt over ieders financiële bijdrage.

2.13.

Op 8 september 2016 heeft [gedaagde sub 2] het volgende gemaild aan [eiser] en [gedaagde sub 3] , voor zover van belang:

“Wat betreft de noodzakelijke aanpassingen aan het fundament van de [adres] hebben we het volgende afgesproken: (…)

Appartementsrecht (sous-bel) [ [eiser] , toevoeging rechtbank] vraagt een offerte aan en zal als opdrachtgever fungeren in dit project.

Afgesproken is dat appartementsrecht 1 [ [gedaagde sub 2] , toevoeging rechtbank] 20.000 via de VvE bijdraagt aan deze offerte.

Afgesproken is dat appartementsrecht 2 [ [gedaagde sub 3] , toevoeging rechtbank] 40.000 via de VvE bijdraagt aan deze offerte. (…)

Ik geloof dat dit basis afspraken zijn zodat iedereen aan de slag kan. Natuurlijk zullen we het verder moeten invullen (bijv. tijdspad - betalingen - etc). Ik heb er vertrouwen in dat met elkaar op een goede manier kunnen regelen.”

2.14.

[eiser] heeft [naam bedrijf 2] opdracht gegeven voor het uitvoeren van de funderingswerkzaamheden en het plaatsen van een betonnen bak. In 2017 zijn deze werkzaamheden uitgevoerd en afgerond.

2.15.

Om deze werkzaamheden uit te uitvoeren, is het souterrain van [eiser] helemaal afgebroken. Na afloop van de werkzaamheden heeft [eiser] het souterrain door een andere aannemer weer laten opbouwen.

2.16.

Tijdens de werkzaamheden heeft [eiser] het souterrain laten uitbouwen aan de achterzijde.

2.17.

Bij brief van 23 mei 2018 heeft [eiser] de VvE aansprakelijk gesteld voor onder andere de door [eiser] geleden schade van in totaal € 69.839,00 en heeft hij de VvE gesommeerd om tot betaling over te gaan.

2.18.

Naar aanleiding van de brief van 23 mei 2018 heeft er op 4 juni 2018 een VvE-vergadering plaatsgevonden. Aanwezig waren: [eiser] , de dochter van [eiser] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . In het verslag van deze VvE-vergadering is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“ [gedaagde sub 3] , toevoeging rechtbank] opent de vergadering. Zij geeft aan geschrokken en verwonderd te zijn door de brief van de advocaten en vraagt [eiser sub 1] , toevoeging rechtbank] of ze hem een aantal vragen mag stellen. Hij gaat hiermee akkoord.

1) Klopt het dat we in september 2016 overeengekomen zijn dat [gedaagde sub 2] , toevoeging rechtbank] en ik maximaal € 60.000 (€ 20.000 + € 40.000 resp.) bij zouden dragen aan het verbeteren van de fundering? En dat dit was gebaseerd op de offerte van Van der Vlugt?

Antwoord [eiser sub 1] : Ja.

2) Klopt het dat het toen voor iedereen duidelijk was dat die bijdrage het maximale zou zijn en dat er niet zou worden bijgedragen aan de wederopbouw van het souterrain?

Antwoord [eiser sub 1] : We hebben zo veel afgesproken. Tijdens de laatste vergadering (oktober 2017) wilde ik jullie rekeningen laten zien waaruit bleek dat de fundering duurder was uitgevallen en daar wilden jullie niet naar kijken. Toen ben ik naar de advocaat gestapt en nu zitten we in een juridische situatie. [gedaagde sub 3] vraagt nogmaals of het klopt dat het toen voor iedereen duidelijk was dat we niet zouden meebetalen aan de opbouw van het souterrain. [eiser sub 1] geeft aan dit niet meer te weten.”

2.19.

Bij brief van 5 juni 2018 heeft [eiser] de VvE gesommeerd om binnen 15 dagen tot betaling van in totaal € 69.839,00 aan schade over te gaan. Bij brief van 6 juni 2018 heeft [eiser] daarnaast [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in persoon gesommeerd om daar zorg voor te dragen.

2.20.

Per 30 juli 2018 heeft [eiser] zijn maandelijkse bijdrage aan de VvE verlaagd van € 50 naar € 2,50.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - kort samengevat en na wijziging van eis - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. een verklaring voor recht dat de VvE, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de schade/herstelkosten ten gevolge van het funderingsherstel aan [eiser] dienen te vergoeden en de hoogte van de door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan [eiser] verschuldigde vergoeding vast te stellen op een totaal bedrag van € 41.454,32;

II. veroordeling van de VvE tot betaling van € 41.454,32 aan [eiser] , en/of veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van € 13.818,11 aan [eiser] , en/of veroordeling van [gedaagde sub 3] tot betaling van € 27.636,21 aan [eiser] , met rente en kosten;

III. een verklaring voor recht dat [eiser] gerechtigd was tot het uitbouwen van het souterrain tot de huidige omvang;

IV. veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt dat in september 2016 mondeling het VvE-besluit tot stand is gekomen, dat ziet op het uitvoeren van funderingsherstel en het plaatsen van een betonnen bak. Deze werkzaamheden zijn vanuit zijn privé-gedeelte, namelijk het souterrain, uitgevoerd. Als gevolg van deze werkzaamheden heeft [eiser] schade geleden. Deze schade bestaat uit het huren van een andere woonruimte in verband met de onbewoonbaarheid van de eigen woning (in totaal € 9.000) en het herstel van het souterrain dat ten behoeve van de funderingswerkzaamheden moest worden afgebroken (in totaal € 60.090,53). Op grond van de artikelen 28 lid 3 en 9 lid 1 sub d van het modelreglement is de VvE verplicht om de gevolgschade te vergoeden. Indien op het totaalbedag het aandeel van [eiser] in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van van € 41.454,32, aldus steeds [eiser]

3.3.

De VvE voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De VvE vordert - kort samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [eiser] tot betaling aan de VvE van:

I. de achterstand ter zake van de maandelijkse bijdrage, per maart 2019 begroot op € 142,50, te vermeerderen met € 47,50 per maand, indien [eiser] € 2,50 per maand blijft betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

II. 2/5 van het door de VvE verschuldigde griffierecht van € 1.992,00;

III. 2/5 van de daadwerkelijke kosten voor het voeren van verweer;

IV. alle door de VvE gemaakte kosten voor het verhalen van het door [eiser] verschuldigde, althans de proceskosten.

3.6.

[eiser] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat er in of omstreeks september 2016 mondeling een VvE-besluit tot stand is gekomen, inhoudende dat de VvE € 100.000 ter beschikking zou stellen aan [eiser] voor het funderingsherstel. Partijen onderkennen ook dat dit mondelinge besluit schriftelijk is vastgelegd in de e-mail van [gedaagde sub 2] van 8 september 2016. Partijen verschillen echter van mening over de inhoud van dit besluit.

4.2.

[eiser] heeft gesteld dat het VvE-besluit ziet op het uitvoeren van funderingsherstel inclusief het plaatsen van een betonnen bak in het souterrain. Het VvE-besluit ziet volgens [eiser] expliciet niet op eventueel door de werkzaamheden ontstane schade aan de woning van [eiser] De VvE heeft betwist dat het VvE-besluit ook zag op de betonnen bak. Volgens de VvE houdt het besluit in dat zij maximaal € 100.000 aan [eiser] ter beschikking stelt voor het funderingsherstel (exclusief betonnen bak) én voor de eventueel daarmee gepaard gaande kosten. Het staat [eiser] volgens de VvE vrij om daarnaast op eigen kosten aanvullende werkzaamheden, zoals het plaatsen van de betonnen bak, uit te laten voeren.

4.3.

Het VvE-besluit is dus de kern van de zaak. De rechtbank kan de precieze inhoud van het besluit echter niet afleiden uit notulen van een VvE-vergadering, omdat het niet in zo’n vergadering tot stand is gekomen. Het is in feite een mondelinge overeenkomst tussen alle leden van de VvE, die in hun onderlinge rechtsverhouding geldt als een besluit van de VvE. De rechtbank zal het VvE-besluit daarom moeten uitleggen. Voor de uitleg is niet (alleen) de tekst van de e-mail van [gedaagde sub 2] van belang, maar komt het (ook) aan op de zin die de VvE-leden in de gegeven omstandigheden over en weer aan het besluit mochten toekennen en op hetgeen zij op dat punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4.

Uit de e-mail van [gedaagde sub 2] van 8 september 2016 blijkt dat het besluit ziet op “de noodzakelijke aanpassingen aan het fundament”. Niet is vermeld welke werkzaamheden hieronder vallen. [eiser] stelt dat het fundament ruimer is dan alleen de fundering en dat het ook de vloer omvat, zodat hiermee ook bedoeld is het plaatsen van een betonnen bak. Met de VvE is de rechtbank van oordeel dat dit niet met zoveel woorden is opgenomen en dat deze door [eiser] bepleite uitleg ook geen steun vindt in de andere stukken. Niet gebleken is dat de VvE opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van een betonnen bak. Integendeel, uit de brief van 13 maart 2016 blijkt dat de VvE het plaatsen van de betonnen bak niet als haar verantwoordelijkheid beschouwt. Ook heeft de VvE herhaaldelijk en uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij voor ‘optie 1’ (zonder plaatsing van betonnen bak) kiest. Uit de andere e-mails van maart 2016 en het verslag van de VvE-vergadering van 4 juni 2018 komt naar voren dat ook [eiser] het standpunt van de VvE zo heeft begrepen. Dat de VvE hiervan is teruggekomen is evenmin gesteld of gebleken.

4.5.

Anders dan [eiser] betoogt, volgt ook uit de woorden “noodzakelijke aanpassingen” niet dat het besluit ziet op het plaatsen van een betonnen bak. Daartoe is relevant dat uit het rapport van Wareco uit 2016 niet blijkt dat het plaatsen van een betonnen kelderbak noodzakelijk is. Wareco heeft destijds enkel geadviseerd om de muren te injecteren en de muren te voorzien van een geïsoleerde voorzetwand. Dat de noodzaak zou blijken uit een rapport van Wareco van 6 mei 2019 heeft geen invloed op dit oordeel. Dat aanvullende rapport was immers nog niet bekend op het moment dat het VvE-besluit werd genomen. Verder is de stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de noodzaak van het plaatsen van een betonnen bak hebben erkend, hetgeen wordt betwist, niet onderbouwd.

4.6.

[eiser] heeft geen feiten gesteld die in aanvulling op de reeds overgelegde stukken nog relevant kunnen zijn voor de uitleg van het VvE-besluit. Het bewijsaanbod dat [eiser] in zijn algemeenheid heeft gedaan, wordt dan ook gepasseerd omdat het niet voldoende concreet is.

4.7.

De conclusie is dat het besluit zo moet worden begrepen dat bedoeld was alléén het funderingsherstel onder verantwoordelijkheid van de VvE uit te voeren en niet het plaatsen van een betonnen bak.

4.8.

[eiser] heeft op de comparitie de nietigheid van het VvE-besluit ingeroepen, voor zover in het besluit wordt afgeweken van de verdeelsleutel in de splitsingsakte. Voor de beoordeling van het geschil is het financiële aspect van het besluit echter niet relevant omdat de kern van het besluit is dat het alleen ziet op het funderingsherstel. De rechtbank komt daarom niet toe aan het beroep op de partiële nietigheid van het besluit of aan de vraag of dit beroep tijdig is gedaan.

4.9.

Op grond van artikel 28, derde lid, van het modelreglement vergoedt de VvE schade die voortvloeit uit de toegang tot of het gebruik van een privégedeelte indien die toegang of dat gebruik naar het oordeel van het bestuur noodzakelijk is voor het verrichten van een handeling met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten. In dit geval betekent de toepassing van dit artikel dat alleen de schade die het gevolg is van het funderingsherstel door de VvE moet worden vergoed.

4.10.

De VvE heeft betwist dat de gevorderde schade, bestaande uit het afbreken en weer opbouwen van het souterrain, voortvloeit uit het funderingsherstel. Funderingsherstel was alleen nodig aan de voor- en achtergevel en kon plaatsvinden op een minder ingrijpende wijze. Volgens de VvE was deze schade niet ontstaan als alleen de funderingswerkzaamheden waren uitgevoerd. [eiser] heeft hierop niet gereageerd. Dat betekent dat [eiser] niet heeft geconcretiseerd dat de schade (ook) het gevolg is van het funderingsherstel. Er is dus niet gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 28, derde lid, van het modelreglement. Dat betekent dat er ook geen aanleiding is voor het vergoeden van deze schade op grond van dat artikel.

4.11.

De VvE heeft ook betwist dat [eiser] schade heeft geleden omdat hij tijdens de werkzaamheden elders zou hebben moeten verblijven. [eiser] heeft niet toegelicht waar hij heeft verbleven en welke kosten hij daarvoor heeft moeten maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op dit punt niet is gebleken van schade die door de VvE gedragen zou moeten worden.

4.12.

Dit betekent dat de vordering onder 3.1 sub I en de vordering onder 3.1 sub II ten aanzien van de VvE wordt afgewezen. Ook de andere vorderingen onder 3.1 sub II zijn niet toewijsbaar. [eiser] heeft niet toegelicht op welke grond [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in persoon aansprakelijk zijn voor de door [eiser] beweerdelijk geleden schade. Ook de rechtbank is niet gebleken van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid.

Uitbouw van het souterrain

4.13.

[eiser] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij gerechtigd was tot het uitbouwen van het souterrain tot de huidige omvang. Zijn subsidiaire vordering om hem daarvoor alsnog toestemming te geven, heeft [eiser] op de comparitie ingetrokken.

4.14.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de toestemming voor het uitbouwen van het souterrain reeds is verleend. Niet gesteld of gebleken is dat de VvE hierover een besluit heeft genomen. Dat de toestemming voor de uitbouw kan worden afgeleid uit een offerte van 29 april 2016 waarin ook de uitbreiding in de tuin met 8 m2 is meegenomen, is door de VvE betwist. De stelling van [eiser] dat in de praktijk nooit VvE-besluiten werden genomen maar dat de toestemming in feite wel is verleend, is ook betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwistingen heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er een VvE-besluit met betrekking tot de uitbouw is genomen. Ook het feit dat er niet eerder door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tegen het voornemen van [eiser] om uit te bouwen is geprotesteerd, heeft niet tot gevolg dat er een VvE-besluit tot stand is gekomen.

4.15.

Het voorgaande betekent dat ook de vordering onder 3.1 sub III wordt afgewezen.

Proceskosten

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de VvE worden begroot op:

- griffierecht 1.992,00

- salaris advocaat 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.140,00

4.17.

De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

in reconventie

4.18.

Als meest verstrekkend verweer heeft [eiser] aangevoerd dat het bestuur van de VvE op grond van artikel 53 lid 5 van het modelreglement een machtiging nodig had voor het instellen van rechtsvorderingen. Deze machtiging ontbreekt en daarom is de VvE volgens [eiser] niet-ontvankelijk in haar reconventionele vorderingen.

4.19.

De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. [eiser] miskent dat voor het voeren van incassoprocedures een dergelijke machtiging niet vereist is. Dit vloeit voort uit de tweede zin van artikel 53 lid 5 van het modelreglement. Niet in geschil is dat de vordering van de VvE onder 3.5 sub I een incassovordering betreft. De vorderingen onder 3.5 sub II, III en IV zien op het gedeeltelijk verhalen van de proceskosten die voortvloeien uit het voeren van verweer in conventie. Ook voor het voeren van verweer is op grond van artikel 53 lid 5, tweede zin, van het modelreglement geen machtiging vereist. Dit betekent dat de VvE ontvankelijk is in haar vorderingen.

Achterstand VvE-bijdrage

4.20.

[eiser] heeft gesteld dat hij de door de VvE gevorderde achterstand ter zake van de maandelijkse bijdrage per maart 2019 heeft voldaan. De VvE heeft dit niet betwist. Gelet op deze betaling is er geen grond meer om de vordering onder 3.5 sub I toe te wijzen, zodat deze wordt afgewezen.

Verschuldigd griffierecht

4.21.

De VvE heeft gesteld dat zij in conventie een bedrag van in totaal € 1.992,00 aan griffierecht heeft betaald en vordert van [eiser] zijn 2/5 breukdeel hiervan. Nu de VvE het door haar verschuldigde griffierecht krijgt vergoed, is er geen grondslag meer om deze vordering toe te wijzen. De vordering onder 3.5 sub II wordt dan ook afgewezen.

Kosten van verweer in conventie

4.22.

[eiser] heeft betwist dat de advocaat door de VvE is ingeschakeld. Er is geen besluit genomen in een VvE-vergadering om de advocaat in te schakelen en er is geen begroting van de kosten van de advocaat of budget besproken. De advocaat is ingeschakeld door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om hen, dan wel hun visie van de VvE, te vertegenwoordigen. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de kosten niet zijn gespecificeerd en dat een veroordeling tot betaling in de kosten onredelijk is.

4.23.

Het verweer van [eiser] slaagt niet. Uit het eerder genoemde artikel 53 lid 5 van het modelreglement blijkt dat voor het voeren van verweer in een procedure geen machtiging van het bestuur van de VvE is vereist. Dat [eiser] niet is gekend in de opdracht aan een advocaat, doet niet af aan het feit dat de VvE kosten heeft moeten maken voor het voeren van verweer omdat [eiser] de VvE heeft gedagvaard.

4.24.

[eiser] is daarom als VvE-lid op grond van artikel 9, lid 1, onder e, van het modelreglement gehouden om voor zijn breukdeel bij te dragen aan de kosten van verweer van de VvE. Dat de VvE de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het voeren van verweer niet heeft onderbouwd, acht de rechtbank geen beletsel om deze vordering toe te wijzen. Deze kosten waren op het moment van het indienen van de eis in reconventie immers nog niet definitief te begroten, gelet op de nog te voeren proceshandelingen nadien. Het verweer van [eiser] dat een veroordeling tot betaling in deze kosten van de VvE onredelijk is, heeft hij niet onderbouwd.

4.25.

De rechtbank komt tot de conclusie dat [eiser] voor zijn breukdeel dient mee te betalen aan de daadwerkelijk door de VvE gemaakte kosten voor het voeren van verweer in conventie. Op grond van overweging 4.16 is [eiser] reeds gehouden een bedrag van € 2.148,00 aan salaris advocaat aan de VvE te vergoeden. Voor zover de daadwerkelijke kosten van het voeren van verweer in conventie dit bedrag overstijgen, is [eiser] gehouden 2/5 van het meerdere te betalen aan de VvE. De vordering onder 3.5 sub III wordt in zoverre toegewezen.

Kosten in reconventie

4.26.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij op de gebruikelijke wijze in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de VvE worden in reconventie begroot op € 461,00 aan salaris advocaat (2,0 punten × tarief € 461,00 x 0,5). De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiser] in aanvulling daarop te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van het verhalen van het door [eiser] verschuldigde.

4.27.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvE tot op heden begroot op € 4.140,00,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [eiser] om aan VvE te betalen zijn breukdeel, zijnde 2/5 van de door de VvE daadwerkelijk gemaakte kosten voor het voeren van verweer in conventie, voor zover deze daadwerkelijke kosten een bedrag van € 2.148,00 overstijgen,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van VvE tot op heden begroot op € 461,00,

in conventie en reconventie

5.5.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.

1 Het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, versie januari 2006