Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2322
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA. Verstandelijke en sociale beperkingen gesteld. Schattingsbesluit. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: E. Kok).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [eiser] en het UWV.

Procesverloop

Met het besluit van 27 november 2018 heeft het UWV de uitkering van [eiser] op grond van de Ziektewet (ZW) per 21 januari 2019 beëindigd.

Met het besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019.

[eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [eiser] is werkzaam geweest in een pizzeria voor gemiddeld 16 uur in de week. Hij heeft zich met ingang van 21 december 2017 ziek gemeld na een val van de trap.

2. Na een Eerstejaars Ziektewet beoordeling (EZWB) is bij besluit van

27 november 2018 de ZW-uitkering van [eiser] beëindigd, omdat het UWV vindt dat hij op

20 december 2018 (datum in geding) meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen. Hieraan ligt een verzekeringsgeneeskundig rapport van 12 november 2018 en een arbeidsdeskundig rapport van 24 november 2018 ten grondslag.

3. Naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] heeft het UWV een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingeschakeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 maart 2019 geoordeeld dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het eerdere medische oordeel. De belastbaarheid van [eiser] is volgens hem juist vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar daarom ongegrond verklaard.

4. [eiser] heeft in beroep zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betwist. Volgens [eiser] is hij meer beperkt dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in de bezwaarfase lichamelijk had moeten worden onderzocht en dat er geen rekening is gehouden met zijn verstandelijke en sociale beperkingen. Daarnaast is er sprake van een taalprobleem waardoor hij de geduide functies niet kan verrichten.

5. De vraag in deze procedure is of het UWV terecht en op goede gronden de ZW-uitkering per 21 januari 2019 heeft beëindigd.

Medische beoordeling

6. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) komt een bijzondere waarde toe aan het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, als dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, geen inconsistenties bevat en concludent (logisch) is. Het gevolg van die bijzondere waarde is dat het UWV zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene in beginsel op dit soort rapporten mag baseren. Het is aan [eiser] om aannemelijk te maken dat het rapport dat over hem is opgesteld niet aan deze vereisten voldoet.

7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens van [eiser] betrokken bij zijn onderzoek en is aanwezig geweest op de hoorzitting. Hij heeft daarnaast informatie van de curatieve sector, dat in de bezwaarfase door [eiser] is ingebracht, in zijn onderzoek betrokken. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is naar het oordeel van de rechtbank samenhangend en inhoudelijk niet tegenstrijdig. Hiermee voldoet het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Ten aanzien van de grond dat er geen lichamelijk onderzoek heeft plaats gevonden, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak1 van de Raad betekent de enkele omstandigheid dat lichamelijk onderzoek in de bezwaarfase achterwege is gebleven niet reeds om die reden dat de besluitvorming onzorgvuldig moet worden geacht. [eiser] is door de primaire verzekeringsarts op het spreekuur gezien en zowel oriënterend psychisch als lichamelijk onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn meegenomen bij de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat hij op basis van het dossieronderzoek en de door [eiser] tijdens de bezwaarfase ingebrachte gegevens van de huisarts en neuroloog, voldoende informatie had om tot een oordeel te komen. Daarnaast is de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig geweest bij de hoorzitting.

8. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat hij aanvullend beperkt moet worden geacht, volgt de rechtbank hem daarin niet. [eiser] heeft zijn stelling dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen niet inhoudelijk onderbouwd, waardoor de rechtbank niet twijfelt aan het deskundig oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van de grond dat de verstandelijke beperkingen van [eiser] onvoldoende zijn onderzocht en de grond dat er te weinig rekening is gehouden met zijn beperkt sociaal functioneren is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit in zijn rapportage voldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

Uit al het voorgaande volgt dat het UWV het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.

Verzoek benoeming deskundige

9. Voor zover [eiser] de rechtbank - onder verwijzing naar het Korošec-arrest - heeft verzocht een deskundige te benoemen, wordt als volgt overwogen. Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek van het UWV niet onzorgvuldig is geweest. Er is ook geen reden tot twijfel over de juistheid van de medische belastbaarheid van [eiser] . Verder wordt [eiser] niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces, enkel omdat het hem aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. [eiser] is in de gelegenheid geweest, en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt, om medische informatie in te brengen. Nog los van het feit dat [eiser] het gestelde financiële onvermogen niet heeft onderbouwd, volgt uit het Korošec-arrest niet dat de rechter in een situatie als hier aan de orde - waarin verzekeringsartsen van UWV inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst - uit het oogpunt van equality of arms gehouden is een medisch deskundige te benoemen.2 Dit verzoek wordt dan ook afgewezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Arbeidsdeskundige beoordeling

10. Bij de beoordeling van de vraag of [eiser] kan werken in de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor hem heeft geselecteerd, gaat de rechtbank uit van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 12 november 2018.

11. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de functies, uitgaande van de beperkingen zoals weergegeven in de FML, de belastbaarheid van [eiser] niet overschrijden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de geduide functies als ongeschikt te beoordelen.

12. Voor wat betreft de (gebrekkige) kennis van de Nederlandse taal bij [eiser] , verwijst de rechtbank naar de regelgeving op dit punt. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) is de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal expliciet vermeld als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid die binnen zes maanden kan worden verworven. In de ‘Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden’ is bepaald dat onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in het Schattingsbesluit wordt verstaan: het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs is vereist. De geselecteerde functies voldoen hieraan. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht heeft gewezen op de taak van de werkgever om in het kader van goed werkgeverschap, eventuele veiligheidsinstructies te vertalen in de taal van het moederland van zijn werknemers.

Conclusie

13. Gelet op het voorgaande heeft het UWV terecht en op goede gronden met ingang van 21 januari 2019 de ZW-uitkering van [eiser] beëindigd. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1180.

2 Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:828