Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9295

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
AMS 19/3428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor acht lichtmasten voor een atletiekbaan.

De lichtmasten zijn uitsluitend wat betreft de hoogte in strijd met (de bouwregels van) het bestemmingsplan Elzenhagen. Het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de bouwregels van het bestemmingsplan. Het verplaatsen van de atletiekbaan, het oprichten van een clubhuis, het verdwijnen van een fietspad en het kappen van bomen zijn geen onlosmakelijke activiteiten in de zin van de Wabo en vallen buiten de omvang van het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/3428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2019 in de zaak tussen

Bewonersvereniging Ninteman, [eisers] , te Amsterdam, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Nooij.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de gemeente Amsterdam, vergunninghouder,

gemachtigde: R.B.M. Ritbergen.

De rechtbank zal verweerder hierna aanduiden als het college.

Procesverloop

Met een besluit van 2 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van acht lichtmasten op het perceel aan het [adres] in Amsterdam1 en voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op een zitting van 1 november 2019. Bewonersvereniging Ninteman heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , voorzitter van de Bewonersvereniging. Verder zijn [eisers] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . De vergunninghouder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure

1. De vergunninghouder heeft op 21 augustus 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingediend voor het plaatsen van acht lichtmasten op het perceel.

2. Het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning heeft vanaf 3 januari 2019 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Eisers hebben allen een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.

3. Met het bestreden besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning aan de vergunninghouder verleend.

Toepasselijke regelgeving

4. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het beroep

5. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor acht lichtmasten op het perceel. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk2 en voor strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan3. De lichtmasten zijn namelijk hoger dan op grond van de bouwregels in het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan. Dat betekent dat in deze beroepsprocedure alleen deze omgevingsvergunning ter beoordeling voorligt en dat de rechtbank haar beoordeling dus moet beperken tot het toetsen van de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning.

6. Eisers hebben in deze beroepsprocedure ook argumenten naar voren gebracht tegen de (beoogde) locatie van de atletiekbaan die wordt verplaatst, tegen het oprichten van een clubhuis voor de atletiekvereniging, tegen het opheffen van een fietspad, tegen het verdwijnen van een rij bomen langs de [straat] , tegen het aanleggen van een parkstrook rondom de atletiekbaan en tegen de wijze van totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan Elzenhagen Zuid. Eisers vinden dat zij onvoldoende zijn betrokken en geen inspraak hebben gehad bij de toekomstige ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Elzenhagen Zuid, zoals neergelegd in het Stedenbouwkundige Plan Elzenhagen Zuid en het ontwerp bestemmingsplan Elzenhagen Zuid. Eisers vinden dat dit getuigt van bestuurlijke onzorgvuldigheid. Er is volgens eisers nooit een dialoog op gang gekomen, bijvoorbeeld over de locatie van de atletiekbaan.

7. De rechtbank kan deze beroepsgronden en argumenten niet bij dit beroep betrekken omdat deze aspecten in juridisch opzicht geen rol spelen bij de verleende omgevingsvergunning voor de acht lichtmasten. De rechtbank heeft begrip voor de onvrede die er bij eisers leeft en de gevolgen die met name het verplaatsen van de atletiekbaan kan hebben voor hun fysieke leefomgeving (het verdwijnen van de bomen en het fietspad), maar dit valt buiten het toetsingskader van de rechtbank in deze beroepsprocedure. Hetzelfde geldt voor de wijze van totstandkoming en de voorbereiding van het Stedenbouwkundige Plan Elzenhagen Zuid en het ontwerp bestemmingsplan Elzenhagen Zuid. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan de beroepsgronden die betrekking hebben op de atletiekbaan, het fietspad, de bomen, het clubhuis, het Stedenbouwkundig Plan en het ontwerp bestemmingsplan. De rechtbank moet de verleende omgevingsvergunning toetsen aan het geldende bestemmingsplan Elzenhagen en kan alleen oordelen over de zorgvuldigheid van de voorbereiding van deze specifieke omgevingsvergunning. De rechtbank is niet gebleken dat de omgevingsvergunning voor de acht lichtmasten onzorgvuldig is voorbereid. Eisers hebben de gelegenheid gekregen om zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpbesluit en hebben daadwerkelijk gebruik gemaakt van die gelegenheid.

Onlosmakelijke activiteiten

8. Eisers achten het verplaatsen van de atletiekbaan, het oprichten van een clubhuis, het verdwijnen van het fietspad en het kappen van de bomen wel relevant voor het beoordelen van de voorliggende omgevingsvergunning, omdat deze activiteiten hiermee onlosmakelijk zijn verbonden.

9. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De Wabo maakt onderscheid tussen een feitelijke handeling (een project) en een juridische activiteit. Alleen juridische activiteiten kunnen op grond van de Wabo onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn4. Van onlosmakelijke activiteiten als bedoeld in de Wabo is alleen dan sprake als één feitelijke handeling in juridisch opzicht bestaat uit twee of meer juridische activiteiten waarvoor op grond van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist. Het plaatsen van de lichtmasten is één feitelijke handeling die in dit geval bestaat uit twee juridische activiteiten, waarvoor dan ook op grond van de Wabo twee omgevingsvergunningen vereist zijn, namelijk een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en een omgevingsvergunning voor de strijdigheid met de bouwregels van het bestemmingsplan. Deze twee juridische activiteiten zijn op grond van de Wabo onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit betekent dat de omgevingsvergunningen voor deze twee juridische activiteiten tegelijkertijd moeten worden verleend, zoals in dit geval ook is gebeurd.

10. Het is duidelijk dat het plaatsen van de lichtmasten, het aanleggen van de atletiekbaan, het oprichten van een clubhuis, het verdwijnen van het fietspad en het kappen van de bomen deel uitmaken van hetzelfde inrichtingsplan voor het gebied Elzenhagen Zuid. In die zin hangen deze feitelijke handelingen samen met het plaatsen van de lichtmasten. Eisers hebben er in dit verband terecht op gewezen dat de lichtmasten als piketpalen moeten worden gezien, omdat de locatie van de atletiekbaan bepaald wordt door de contouren van de lichtmasten. Dat betekent echter niet dat deze feitelijke handelingen in juridisch opzicht onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het zijn afzonderlijke feitelijke handelingen die fysiek te onderscheiden zijn van het plaatsen van de lichtmasten en waarvoor ook niet op grond van de Wabo tegelijkertijd omgevingsvergunningen moeten worden verleend. Daarbij merkt de rechtbank overigens nog op dat het college zich op het standpunt stelt dat voor het aanleggen van de atletiekbaan geen omgevingsvergunning op grond van de Wabo nodig is, omdat geen sprake is van het bouwen van een bouwwerk en geen strijd bestaat met het bestemmingsplan5. Verder staat vast dat voor het verdwijnen van het fietspad geen omgevingsvergunning, maar een onttrekkingsvergunning op grond van de Wegenwet vereist is. Ook om deze reden kunnen deze feitelijke handelingen niet als onlosmakelijke activiteiten in de zin van de Wabo worden aangemerkt.

Deze beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.

Aanhoudingsplicht

11. Eisers voeren aan dat met het verlenen van de omgevingsvergunning voor de lichtmasten vooruit wordt gelopen op het nog vast te stellen nieuwe bestemmingsplan, waartegen zienswijzen zijn ingediend. Zij vinden dat zij door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de lichtmasten voor een voldongen feit worden gesteld. Verder voeren zij aan dat de gemeente niet heeft aangetoond wat het spoedeisende belang is van plaatsing van de lichtmasten.

12. De rechtbank vindt hier het volgende van. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is ingediend terwijl een ontwerp bestemmingsplan ter inzage is gelegd, geldt op grond van de Wabo voor het bestuursorgaan de verplichting om de aanvraag aan te houden6. In dit geval was die verplichting er voor het college niet, omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de lichtmasten is ingediend op 21 augustus 2018 en het ontwerp bestemmingsplan Elzenhagen Zuid pas daarna, namelijk op 13 december 2018, ter inzage is gelegd. Het college heeft er overigens terecht op gewezen dat het plaatsen van de lichtmasten niet in strijd is met het ontwerp bestemmingsplan, zodat er ook geen aanhoudingsplicht gegolden zou hebben als de aanvraag wel zou zijn ingediend na terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan.7 Verder staat het een ieder vrij om op elk moment een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. Een spoedeisend belang is daarbij niet vereist, in die zin dat bij de aanvraag niet aangetoond of gemotiveerd hoeft te worden dat er een spoedeisend belang is bij het project waarvoor de vergunning wordt gevraagd. In dit geval is het bijzondere dat een werknemer van een afdeling van de gemeente (de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de lichtmasten heeft ingediend, maar ook een afdeling van de gemeente mag een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen zonder dat aangetoond hoeft te worden dat er een spoedeisend belang is bij het plaatsen van de lichtmasten.

Ladder voor duurzame verstedelijking

13. Eisers voeren aan dat door de verplaatsing van de atletiekbaan, die minder banen krijgt, en de lichtmasten, die hoger zijn dan op grond van het bestemmingsplan Elzenhagen is toegestaan, sprake is van een nieuwe ontwikkeling en dat als gevolg hiervan de maatschappelijke duurzaamheid van de nieuwe investeringen beoordeeld moet worden (ladder voor duurzame verstedelijking). De atletiekbaan wordt met minder banen minder relevant voor wedstrijdsport, maar aan de andere kant wordt de atletiekbaan publiek en kan de functionaliteit toenemen. Eisers hebben er verder op gewezen dat bureau RIGO Research en Advies in haar advies bij het ontwerp bestemmingsplan Elzenhagen Zuid heeft geoordeeld dat de ladder van duurzame verstedelijking op alle functies in het plangebied van toepassing is, ook op de functies die worden verplaatst.

14. Zoals volgt uit hetgeen de rechtbank onder 6 en 7 heeft overwogen, valt de aanleg van de atletiekbaan buiten de omvang van dit geding. Dat geldt dus ook voor de locatie van de atletiekbaan. De vraag of de verplaatsing van de atletiekbaan een nieuwe stedelijke ontwikkeling is, kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen. Voor wat betreft de lichtmasten staat vast dat de locatie niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan Elzenhagen. De lichtmasten worden geplaatst op gronden met de bestemming ‘Sport’. De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor sportterreinen met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.8 De lichtmasten zijn uitsluitend voor wat betreft de hoogte in strijd met het bestemmingsplan. Ze hebben namelijk een bouwhoogte van 18,5 meter, terwijl slechts een bouwhoogte van maximaal 12 meter is toegestaan.9 Voor het overschrijden van de bouwhoogte heeft het college een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo. Daarbij heeft het college voor de overschrijding van de bouwhoogte een ruimtelijke onderbouwing gegeven, zoals in voormeld artikel van de Wabo is voorgeschreven. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels voor de ruimtelijke onderbouwing opgenomen10. In het Bro zijn voorwaarden opgenomen voor het geval het afwijken van het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Deze voorwaarden worden ook wel ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ genoemd. Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.11 Accommodaties voor sportfaciliteiten worden ook als stedelijke ontwikkeling gezien. In dit geval wordt echter alleen afgeweken van het bestemmingsplan voor wat betreft de hoogte van de lichtmasten en niet voor wat betreft de locatie van de lichtmasten. Het bestemmingsplan staat immers de lichtmasten op de geplande locatie toe. Gelet hierop is voor wat betreft de lichtmasten geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in dit geval dus niet te worden getoetst.

Hoofdgroenstructuur en groene scheg

15. Eisers voeren aan dat de voorgenomen atletiekbaan gedeeltelijk binnen de Hoofdgroenstructuur komt te liggen. Volgens eisers is de situering van de atletiekbaan daardoor in strijd met het geldende bestemmingsplan en met het ontwerp bestemmingsplan. Verder voeren zij aan dat drie van de acht lichtmasten en een derde van de atletiekbaan binnen de groene scheg liggen, zoals die is vastgelegd in de ‘Beleidsvisie Noord-Hollandsch Kanaalzone’ van 2003 (de Beleidsvisie).

16. Het college stelt zich op het standpunt dat de lichtmasten (en overigens ook de atletiekbaan) niet binnen de Hoofdgroenstructuur liggen en dat de aanleg van de atletiekbaan past in het eigen beleid van de gemeente (de Beleidsvisie).

17. Zoals de rechtbank onder 6 en 7 al heeft overwogen, gaat zij voorbij aan de beroepsgronden van eisers die betrekking hebben op de atletiekbaan, omdat de (locatie van de) atletiekbaan buiten de omvang van het geding valt. Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat de lichtmasten binnen de Hoofdgroenstructuur liggen, geldt het volgende. De Hoofdgroenstructuur maakt onderdeel uit van de Structuurvisie Amsterdam 2040. Een structuurvisie, zoals ook de Structuurvisie Amsterdam 2040, bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het gemeentelijke grondgebied en is een beleids- en ontwikkelingskader, maar geen toetsingskader. Het bestemmingsplan vormt het primaire toetsingskader voor de omgevingsvergunning voor de lichtmasten. Zoals de rechtbank onder 14 al heeft overwogen, is de locatie van de lichtmasten niet in strijd met het bestemmingsplan Elzenhagen. Gelet hierop kan in het midden blijven of de lichtmasten binnen de Hoofdgroenstructuur liggen. Hetzelfde geldt voor de vraag of drie van de lichtmasten binnen de groene scheg komen te staan. Het bestemmingsplan is voor de locatie van de lichtmasten het toetsingskader en niet de Beleidsvisie.

Deze beroepsgronden slagen dan ook niet.

Conclusie

18. De lichtmasten zijn uitsluitend wat betreft de hoogte in strijd met (de bouwregels van) het bestemmingsplan Elzenhagen. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat de hogere lichtmasten minder lichthinder opleveren voor de naaste omgeving. Eisers hebben dit niet bestreden en hebben ook overigens geen gronden naar voren gebracht tegen de hoogte van de lichtmasten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de bouwregels van het bestemmingsplan.

19. Het beroep is ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;

(..)

onlosmakelijke activiteit: activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2;

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen,

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

g. het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald,

h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht of

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

a. [vervallen],

b. een monument als bedoeld in een zodanige verordening:

1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of

2°. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

c. een bouwwerk te slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht,

d. een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

f. in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren,

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

h. op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats,

i. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats,

j. in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente roerende zaken op te slaan of

k. als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak in een daarbij aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente toe te staan of te gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.7

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

2. Een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, mag slechts op één inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort betrekking hebben.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, (…) wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

(..)

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.3

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:

a. een voorbereidingsbesluit in werking is getreden;

b. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd;

c. een verklaring als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, of 4.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is bekendgemaakt;

d. een bestemmingsplan is vastgesteld;

e. een bestemmingsplan na vaststelling is bekendgemaakt.

(..)

3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 5.20

Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1

1. i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6

(..)

3. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

1 Hierna: het perceel

2 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo

3 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo

4 Zie de artikelen 1.1 en 2.7 van de Wabo

5 Het college beroept zich hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:331

6 Zie artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Wabo

7 Dit volgt uit artikel 3.3, derde lid, van de Wabo

8 Zie artikel 5.1 van de planregels

9 Artikel 5.2, onder d, ten eerste, van de planregels

10 Zie artikel 5.20 van het Bor in samenhang met artikel 3.1.6 van het Bro

11 Zie artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro