Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:926

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
13/669126-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking, aanranding, mishandeling.

Klachtvereiste.

Bewijsminimum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/669126-17

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Pothast, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1:

het belagen van [slachtoffer] door

  • -

    haar te achtervolgen, op te wachten en in de gaten te houden, in de buurt van haar school, huis en werk;

  • -

    bij andere personen informatie over haar te vergaren;

  • -

    veelvuldig berichten aan haar en over haar aan anderen te versturen;

  • -

    een brief te sturen aan haar moeder;

  • -

    te zeggen dat ze met hem moest trouwen;

  • -

    haar schoenen weg te halen om zo een ontmoeting te bewerkstelligen;

in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 december 2017 te Amsterdam;

Feit 2:

het dwingen van [slachtoffer] tot het ondergaan van seksuele handelingen op 30 november 2017 te Amsterdam;

Feit 3:

het mishandelen van [slachtoffer] , door haar met zijn hand/vuist een klap/stomp tegen het gezicht te geven op 30 november 2017 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Op grond van artikel 285b lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vindt vervolging voor belaging niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Een dergelijke klacht ontbreekt in het dossier.

De officier van justitie heeft erkend dat een klacht in het dossier ontbreekt. In het dossier bevinden zich echter twee aangiftes en het verslag van een informatief gesprek dat aangeefster heeft gevoerd bij de zedenpolitie. Aangeefster heeft daarbij duidelijk meermalen te kennen gegeven dat zij wil dat de verdachte een straf krijgt. Hieruit blijkt de wens tot vervolging en is dus voldaan aan (de strekking van) het klachtvereiste.

De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een formele klacht bij klachtdelicten niet zonder meer hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Naar huidig recht kan worden gesteld dat het voldoende is als komt vast te staan dat vervolging van verdachte de instemming geniet van het slachtoffer. Daarbij is doorslaggevend of genoegzaam komt vast te staan dat het de uitdrukkelijke wens is van het slachtoffer dat het openbaar ministerie vervolging instelt.1

De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Aangeefster heeft na haar aangifte van 2 december 2017, tijdens het informatief gesprek op 5 december 2017 en in haar aanvullende aangifte op 6 december 2017, het volgende te kennen gegeven: “Ik vind dat [verdachte] een straf verdient voor wat hij mij aandoet”. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de uitdrukkelijke wens is van aangeefster dat het Openbaar Ministerie de vervolging instelt tegen verdachte. De rechtbank acht de officier van justitie aldus ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

3.2

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster.2

De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, op grond van het dossier vast dat de tenlastegelegde gedragingen – zoals hiervoor vermeld – weliswaar bewezen kunnen worden verklaard, maar dat de frequentie van deze gedragingen in samenhang met de betrekkelijk korte periode waarin deze hebben plaatsgevonden, geen stelselmatige inbreuk opleveren op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat onvoldoende is gebleken in welke mate die gedragingen het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster hebben beïnvloed. Dit betekent dat de verdachte van de aan hem tenlastegelegde belaging zal worden vrijgesproken.

4.2

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde omdat deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte ontkent de feiten en in het dossier bevindt zich geen ondersteunend bewijs, zodat overblijft het woord van aangeefster tegenover dat van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat aangeefster in haar aangifte op 2 december 2017, het informatieve gesprek dat zij heeft gevoerd met de zedenpolitie op 5 december 2017, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, en haar tweede aangifte op 6 december 2017 zeer consistent heeft verklaard over hetgeen zich in de auto bij verdachte heeft afgespeeld.

Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend aangenomen worden op grond van de verklaring van één getuige. Alleen de verklaring van aangeefster is dan ook onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat haar verklaring ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat er om dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.3

De rechtbank is van oordeel dat de concrete context in het onderhavige geval deze ondersteuning biedt. Zo blijkt uit de 112-melding van aangeefster – direct na het incident – dat zij huilend vraagt of zij aangifte kan doen jegens verdachte. Ook getuige [naam getuige 1] , de vriendin van aangeefster, heeft verklaard dat zij na het incident huilend door aangeefster is gebeld en zij op enig moment aangeefster ook hoorde schreeuwen: “Ga weg, ga weg”.

Volgens de rechtbank kan daarnaast steunbewijs worden gevonden in de berichten die verdachte aan aangeefster heeft gestuurd, de brief die verdachte heeft gestuurd aan de moeder van aangeefster en de verklaring van getuige [naam getuige 2] , de vriend van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte gedurende lange tijd een obsessie heeft gehad voor aangeefster en dat hij zich op zeker moment op dwingende wijze aan haar heeft opgedrongen, zelfs nadat aangeefster expliciet aan hem te kennen gaf dat zij geen contact meer met hem wilde.

De rechtbank ziet ook ondersteuning in de verklaring die verdachte heeft afgelegd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft tijdens dit verhoor bevestigd dat hij met aangeefster naar een afgelegen sportveld in Osdorp is gereden. Daar heeft aangeefster hem verteld dat zij van hem af wilde, hetgeen hij niet kon accepteren. Verdachte heeft aangegeven tijdens deze ontmoeting haar te hebben aangeraakt (waarvoor hij zijn excuses maakt tijdens zijn verhoor) en tegen haar gezegd te hebben dat hij haar zwart ging maken. Kortom: hier was geen sprake van een plezierige ontmoeting, zo stelt de rechtbank vast.

Verdachte heeft ook verklaard dat hij op enig moment op aangeefster is gaan zitten en dat zij een bloedneus heeft gekregen. Anders dan dat zij dit spontaan zou hebben gekregen, kan hij dit niet toelichten, ook niet , desgevraagd, ter zitting

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat er voldoende bewijsmiddelen voor handen zijn die de verklaring van aangeefster op specifieke punten ondersteunen, zodat haar verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in de concrete context die naar voren komt uit het dossier. Zij komt dan ook tot een bewezenverklaring van hetgeen onder 2 en 3 aan hem is tenlastegelegd.

4.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 2:

op 30 november 2017 te Amsterdam door geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het met de hand wrijven over de bovenbenen van die [slachtoffer] en

- het (over de kleding) wrijven over de schaamstreek van die [slachtoffer] en

- het zoenen in de nek en/of hals van die [slachtoffer] en

- het liggen op het lichaam van die [slachtoffer] en

- het op de mond zoenen van die [slachtoffer] en het trachten om met zijn tong de mond van die [slachtoffer] binnen te dringen en

- het omhoogtrekken van de (boven)kleding van die [slachtoffer] en

- aanraken van de borsten en de tepels van die [slachtoffer] en

- met zijn hand binnengaan van de (achterzijde van de) broek van die [slachtoffer] en het aanraken van de billen van die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden uit:

- het op slot doen van de autodeur en

- het onverhoeds strelen van het lichaam van die [slachtoffer] en

- het vastpakken en/of naar zich toe trekken van het lichaam van die [slachtoffer] en

- het platleggen van de (auto) stoel van die [slachtoffer] en

- het (met zijn lichaam) liggen op het lichaam van die [slachtoffer] en

- het schreeuwen tegen die [slachtoffer] en

- het heel dicht tegen die [slachtoffer] aan zitten en

- het slaan tegen het gezicht van die [slachtoffer] ;

ten aanzien van feit 3:

op 30 november 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met zijn hand een klap tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 dagen en tot een taakstraf van 120 uren (met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen), waarvan een gedeelte, groot 60 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van aangeefster. Verdachte heeft aangeefster in een afgesloten auto, waaruit zij niet kon wegkomen, vastgepakt en haar betast en geslagen. Verdachte heeft respectloos gehandeld richting aangeefster en haar recht op lichamelijke integriteit ondergeschikt gemaakt aan de kennelijk bij hem bestaande behoefte aan een relatie en intimiteit en daarbij geen rekening gehouden met de mogelijke impact daarvan op aangeefster.

Blijkens de justitiële documentatie van verdachte van 7 januari 2019 is hij niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 10 april 2018, waarin over verdachte is gerapporteerd door dr. M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog. Uit dit rapport blijkt dat verdachte een vorm van autisme heeft, wat ertoe heeft geleid dat hij de signalen van aangeefster anders geïnterpreteerd kan hebben. Door de bijkomende prikkelbaarheid en de overige kenmerken van zijn autisme was het voor verdachte lastiger gedragsalternatieven te overwegen en zijn handelen te controleren. De psycholoog adviseert daarom verdachte de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en volgt het advies.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van te noemen duur – met een fors voorwaardelijk gedeelte als stok achter de deur om verdachte te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen – passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 300 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Ten aanzien van feit 3:

mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 60 (zestig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d lid 2 Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde

4. zich telkens zal melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen van genoemde reclasseringsinstelling zo frequent als deze instelling dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

 Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen voorzitter,

mrs. B.M. Visser en E.G.M.M. van Gessel rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2019.

1 ECLI:NL:HR:2018:2242

2 ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en ECLI:NL:HR:2014:3095 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:3095)

3 ECLI:NL:HR:2013:BZ1890 i.c.m. ECLI:NL:PHR:2013:BZ1890 (https://www.navigator.nl/document/ide081057e0ed0479d868886e2195f4ea8?anchor=id-907286f3-32d9-40e5-a0cc-8e1069454e97)