Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9180

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag maatschappelijke opvang. Er is sprake van een aanvraag in de zin van de Wmo, omdat de situatie van eiseres bij verweerder bekend was en daarom niet valt in te zien waarom eiseres eerst een melding had moeten doen. De term beperkte zelfredzaamheid uit verweerders beleid is niet in strijd met de Wmo, maar het is de rechtbank niet duidelijk waarom eiseres in dit specifieke geval zelfredzaam wordt geacht. Ook is onduidelijk waarom verweerder crisisopvang na ruim een jaar nog passend vindt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. H.M. de Roo),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Keurentjes).

Procesverloop

Op 18 februari 2019 heeft eiseres verweerder verzocht om passende opvang te bieden. Bij brief van 26 februari 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat op 2 oktober 2018 al een besluit is genomen, waarin eiseres is afgewezen voor maatschappelijke opvang.

Hierna is eiseres in bezwaar gegaan tegen het besluit van 2 oktober 2018 en de brief van verweerder van 26 februari 2019.

Bij besluit van 29 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig de dochter van eiseres en K. Mensah, tolk.

Overwegingen

1. In september 2018 heeft eiseres het Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen van verweerder verzocht om gebruik te mogen maken van de maatschappelijke opvang. Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft verweerder besloten dat eiseres hier niet voor in aanmerking komt, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake is van beperkte zelfredzaamheid in combinatie met meervoudige problematiek op het gebied van GGZ, verslavingszorg, schulden en/of werk en dagbesteding. Op 10 oktober 2018 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar op 17 december 2018 ongegrond verklaard. Volgens verweerder is eiseres voldoende zelfredzaam en heeft zij alleen een huisvestingsvraag.

2. Op 18 februari 2019 heeft eiseres verweerder opnieuw verzocht om passende opvang te bieden. Eiseres heeft daarbij toegelicht dat zij en haar minderjarige dochter al langer dan drie maanden in de crisisopvang verblijven, terwijl deze vorm van opvang volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 hooguit geschikt is voor drie maanden.

3. Op 26 februari 2019 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat hij op 2 oktober 2018 al heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Verweerder heeft het besluit van 2 oktober 2018 als bijlage bij deze brief gevoegd.

4. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 oktober 2018 en de brief van 26 februari 2019 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Over het besluit van 2 oktober 2018 stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van een herhaald bezwaar. Eiseres is op 10 oktober 2018 al in bezwaar gegaan en verweerder heeft op 17 december 2018 al een besluit op bezwaar genomen. Omdat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht het niet mogelijk maakt om twee keer inhoudelijk op een bezwaar tegen hetzelfde primaire besluit te beslissen, kunnen de bezwaren van eiseres niet worden beoordeeld. Daarnaast kan de brief van 26 februari 2019 volgens verweerder niet worden aangemerkt als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen die vatbaar is voor bezwaar. De brief van 18 februari 2019 is namelijk geen aanvraag in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), maar een melding. Verweerder hoefde dus geen besluit te nemen.

5. Op 4 april 2019 heeft eiseres verweerder nog een keer verzocht om passende opvang te bieden. In de beslissing op bezwaar van 4 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag inhoudelijk beoordeeld. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres voldoende zelfredzaam is.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiseres voert aan dat verweerder haar bezwaar tegen de brief van 26 februari 2019 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat haar brief van 18 februari 2019 wel een aanvraag is waarop verweerder een beslissing moest nemen.

7. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 18 februari 2019 een aanvraag is waar verweerder op moest beslissen. De situatie van eiseres was immers al bekend bij verweerder. Daarom valt niet in te zien waarom eiseres eerst een melding had moeten doen. Als de melding voor verweerder zo noodzakelijk was, dan had het op de weg van verweerder gelegen om dat aan eiseres te laten weten zodat zij vervolgens alsnog de volgens verweerder noodzakelijke aanvraag had kunnen indienen. Dat heeft verweerder niet gedaan. De beroepsgrond slaagt.

8. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Daarom is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover daarin is opgenomen dat verweerder geen inhoudelijk besluit hoefde te nemen naar aanleiding van de brief van eiseres van 18 februari 2019. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen.

9. De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of zij ook een inhoudelijk oordeel kan geven over de zaak. Het antwoord daarop is bevestigend. De standpunten van partijen zijn namelijk duidelijk. Eiseres is in haar beroepsgronden al inhoudelijk ingegaan op de zaak en verweerder heeft in het besluit van 4 september 2019 gemotiveerd waarom hij vindt dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang.

10. Verweerder stelt zich kort gezegd op het standpunt dat eiseres voldoende zelfredzaam is. Uit het integraal trajectplan blijkt dat eiseres voldoende zelfredzaam wordt geacht op het leefgebied ‘geestelijke gezondheid’, omdat zij in behandeling is bij de huisarts en wordt doorverwezen naar een psycholoog. Op het leefgebied ‘lichamelijke gezondheid’ wordt zij beperkt zelfredzaam geacht, omdat een noodzakelijke operatie om medische redenen moest worden uitgesteld. Deze beperkte zelfredzaamheid op dit leefgebied leidt er niet toe dat eiseres zou moeten worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang, omdat dat geen oplossing vormt voor de problemen die eiseres ervaart. Verder is de woonsituatie van eiseres volgens verweerder nog voldoende adequaat, ondanks dat eiseres en haar dochter langer dan drie maanden in de crisisopvang verblijven.

11. De rechtbank stelt voorop dat het vereiste in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 dat iemand beperkt zelfredzaam moet zijn op meerdere door de gemeente aan te wijzen leefgebieden, niet in strijd is met de Wmo. Uit de Wmo volgt dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor een dak boven hun hoofd. In artikel 1.2.1 van de Wmo staat dat een ingezetene in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Verweerder heeft dit in zijn beleid en in de verordening zo uitgelegd dat alleen opvang kan worden verkregen op grond van de Wmo als iemand feitelijk of residentieel dakloos is, beperkt zelfredzaam op meerdere gebieden en niet beschikt over alternatieven die de eerder genoemde dakloosheid kunnen opheffen. Dat in de Wmo de term beperkte zelfredzaamheid niet wordt genoemd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder deze term niet mag gebruiken om een nadere invulling te geven aan het wettelijk criterium. Het beleid van de gemeente is daarom niet in strijd met de Wmo.1

12. Hoewel de term beperkte zelfredzaamheid uit verweerders beleid niet in strijd is met de Wmo, is het de rechtbank niet duidelijk waarom verweerder zich in dit specifieke geval op het standpunt stelt dat eiseres voldoende zelfredzaam is. Zo kan de rechtbank verweerder niet zonder meer volgen in de stelling dat eiseres voldoende zelfredzaam is op het leefgebied ‘geestelijke gezondheid’. Uit enkele omstandigheid dat eiseres wordt doorverwezen naar een psycholoog, kan zonder nadere toelichting niet worden afgeleid dat eiseres daarmee voldoende zelfredzaam is. Ook is het feit dat eiseres sinds haar plaatsing in de crisisopvang in oktober 2018 niet in staat is gebleken om onderdak voor zichzelf te organiseren, een sterke aanwijzing dat zij beperkt zelfredzaam is en voldoet aan het criterium ‘niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’ uit artikel 1.2.1 van de Wmo. De rechtbank geeft verweerder mee om deze omstandigheden in de nadere besluitvorming gemotiveerd te betrekken.

13. Ook geeft de rechtbank verweerder mee om bij de nadere besluitvorming gemotiveerd in te gaan op de vraag waarom crisisopvang voor eiseres nog passend is. Crisisopvang voor dakloze gezinnen is volgens het beleid kortdurend voltijd verblijf voor gezinnen die feitelijk dak- en thuisloos zijn. Deze crisisopvang duurt maximaal drie maanden met eenmalig de mogelijkheid tot verlenging met nog eens drie maanden. Het doel van de opvang is dat betrokkenen en hun kinderen tot rust komen en dat wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een meer structurele oplossing, zoals gezinsopvang. Eiseres verblijft inmiddels ruim één jaar in de crisisopvang. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemeente gelet op haar eigen beleid onvoldoende heeft onderbouwd dat de crisisopvang op dit moment nog passend is voor eiseres en haar dochter. Verweerders stelling dat het in de praktijk vaak voorkomt dat mensen langer dan zes maanden in de crisisopvang verblijven en dat in het beleid niet staat dat een periode van langer dan zes maanden niet toelaatbaar is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daaruit blijkt immers niet waarom de crisisopvang in het specifieke geval van eiseres nog passend zou zijn.

14. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1024 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €512,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is opgenomen dat verweerder geen inhoudelijk besluit hoefde te nemen naar aanleiding van de brief van eiseres van 18 februari 2019;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019.

griffier

rechter

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 13 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6760.