Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9154

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
11-12-2019
Zaaknummer
AMS 19- 5621 AMS 19-6256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Awb 8:81, schorsing en strafontslag ambtenaar, ernstig plichtsverzuim, zorgplicht, fiscaal partner, artikel 2.17 Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-12-2019
FutD 2019-3246 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/0622 met annotatie van Fleur Kossen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/5621 en AMS 19/6256

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. S. van Waegeningh),

en

het ministerie van Financiën, Directie Bedrijfsvoering, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van Arkel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder besloten verzoeker per 10 oktober 2019 te schorsen met gedeeltelijke inhouding van zijn salaris. De toegang tot de dienstgebouwen heeft verweerder met het bestreden beluit verlengd. In dit besluit is tevens het voornemen geuit tot het verlenen van onvoorwaardelijk strafontslag.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft op 22 oktober 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AMS 19/5621).

Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan verzoeker strafontslag verleend. Daartegen heeft verzoeker eveneens bezwaar gemaakt. Hij heeft op 24 november 2019 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AMS 19/6256).

Er is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig professor mr. S.C.W. Douma.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Verzoeker is sinds 2006 werkzaam bij het ministerie van Financiën. Sinds 1 februari 2018 werkt hij bij het directoraat-generaal Belastingdienst als [functie] van de concerndirectie [afdeling 1] .

Daarvoor werkte verzoeker in diverse leidinggevende functies bij het directoraat-generaal [afdeling 2] .

2.2

De (fiscaal) partner van verzoeker werkt sinds 2011 voor een Nederlands bedrijf, dat een dochtermaatschappij is van een Amerikaans bedrijf. Als onderdeel van haar arbeidsvoorwaarden ontvangt de (fiscaal) partner opties tot het verkrijgen van aandelen in het Amerikaanse bedrijf. Hiervoor wordt een beleggingsaccount op haar naam aangehouden in de Verenigde Staten. In 2018 werd in de voor-ingevulde aangifte (de via) van de (fiscaal) partner dit beleggingsaccount zichtbaar bij box 3 (vermogen). In eerdere aangiften waren de tegoeden op dit beleggingsaccount niet aangegeven. Voor zover de (fiscaal) partner in deze eerdere jaren opties/aandelen heeft verzilverd is de waarde daarvan opgegeven in box 1. In de jaren 2014-2017 heeft zij zodoende in box 1 een bedrag van [bedrag 1] aan belasting afgedragen.

2.3

Naar aanleiding van de via heeft de (fiscaal) partner op 27 maart 2019 een verbeterverzoek bij de Belastingdienst gedaan voor haar aangiften over de jaren 2014-2017. Zij heeft daarbij aangegeven dat het om een vergissing gaat en dat het nooit de bedoeling is geweest om te weinig belasting te betalen. Verzoeker heeft daarna op 1 april 2019 zijn leidinggevende op de hoogte gesteld in dezelfde bewoordingen, dat hij en zijn (fiscaal) partner maximale transparantie willen geven en dat zij alles zullen doen om één en ander te herstellen.

2.4

Op 17 mei 2019 heeft een gesprek met verzoeker plaatsgevonden en is besloten hem vanwege de vermoedelijk ernstige integriteitskwestie in het belang van het nadere onderzoek per direct de toegang tot de gebouwen te ontzeggen en hem te schorsen met behoud van bezoldiging1. Het onderzoek is op 27 augustus 2019 afgerond met een rapport. Bij de reactie van verzoeker op dit rapport van 11 september 2019 is bijgevoegd een “Opinie inzake artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001” (hierna Opinie) van prof. mr. S.C.W. Douma. De onderzoekers hebben zowel op de reactie van verzoeker als op de Opinie nader gereageerd2.

2.5

Na een verzoek tot opheffing van de schorsing volgt op 8 oktober 2019 het bestreden besluit 1, waarbij de schorsing wordt omgezet in een schorsing met inhouding van één derde deel van de bezoldiging gedurende zes weken, één en ander in samenhang met een eveneens in dit besluit vermeld voornemen tot onvoorwaardelijk strafontslag3. Bij bestreden besluit 2 is op 22 november 2019 het strafontslag opgelegd.

Standpunt van verweerder

3.1

Verweerder legt aan het strafontslag ten grondslag dat verzoeker onjuiste/onvolledige aangiften IB heeft gedaan over de jaren 2014 tot en met 2017 omdat noch in zijn aangifte, noch in die van zijn fiscaal partner in die jaren de gelden en tegoeden van het Amerikaanse beleggingsaccount zijn opgegeven, terwijl deze tegoeden behoren tot de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Deze gezamenlijke grondslag sparen en beleggen kan, op grond van de Wet IB 20014, ongeacht de eigendom vrijelijk worden verdeeld. Een bestanddeel van de rendementsgrondslag dat niet is opgenomen in de aangiften, wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn fiscaal partner voor de helft op te komen5. Vanwege de onderlinge afhankelijkheden van de beide aangiften zijn fiscale partners samen verantwoordelijk voor het aangeven van de volledige gemeenschappelijke grondslag sparen en beleggen. Uit de wetssystematiek volgt derhalve dat fiscale partners in die zin een zorgplicht hebben voor het doen van een juiste en volledige aangifte voor zichzelf en zijn fiscale partner. Immers, partners moeten de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen in hun aangifte opnemen en kunnen vervolgens een onderlinge verhouding kiezen6. Omdat het beleggingsaccount niet is opgegeven, behoren op grond van het rechtsvermoeden van artikel 2.17, derde lid van de Wet IB 2001, de gelden en tegoeden fiscaalrechtelijk op het moment van aangifte voor 50% aan verzoeker toe, terwijl hij dit niet heeft opgegeven in zijn aangiften. Daarom, zo staat in het bestreden besluit 2 onder 3.5, meent verweerder dat verzoeker zelf over de jaren 2014-2017 onjuiste/onvolledige aangifte heeft gedaan.

3.2

Deze onjuiste aangifte wordt aangemerkt als ernstig plichtsverzuim omdat het raakt aan een van de kernactiviteiten van het ministerie van Financiën, namelijk belastingheffing. Gelet op het aanzien en de geloofwaardigheid van het ministerie worden extra eisen gesteld aan de ambtenaren die daar werkzaam zijn en er wordt van hen dan ook een verhoogde graad van zorgvuldigheid verwacht bij het doen van belastingaangifte. In dat kader wordt verwacht dat men een actieve houding aanneemt en dat men zijn uiterste best doet om een juiste aangifte in te dienen. Dit geldt volgens verweerder temeer voor verzoeker omdat hij een [functie] heeft en intern en extern zichtbaar is als boegbeeld van het ministerie en het directoraat-generaal Belastingdienst. Uit de met verzoeker gevoerde gesprekken blijkt volgens verweerder dat verzoeker ondanks het feit dat hij met zijn fiscaal partner gezamenlijk aangifte heeft gedaan, hij zich niet heeft vergewist van de juistheid en volledigheid van de aangifte van zijn fiscaal partner. Meer in het bijzonder had verzoeker gelet op onder meer zijn huidige en vorige functies en zijn wetenschap van het bestaan van de optieregeling van zijn partner zelf nader onderzoek moeten doen of naast de afdracht inkomstenbelasting in box 1 nog andere (fiscale) gevolgen waren verbonden aan het beleggingsaccount van zijn partner.

3.3

Verweerder acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig gelet op de hiervoor genoemde verhoogde graad van zorgvuldigheid. Er worden hoge eisen gesteld aan de integriteit van ambtenaren van het ministerie van Financiën. Daarbij stelt verweerder dat er duidelijke regels gelden ten aanzien van de nakoming van fiscale verplichtingen. Voorts werpt verweerder aan verzoeker tegen wat hij in de gesprekken en in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht over wat hem wordt verweten, namelijk het niet hebben gecontroleerd van de aangifte van zijn fiscaal partner. Verzoeker heeft onder meer gesteld dat hij een dergelijke controle gaat uitbesteden aan een deskundige. Dit ziet verweerder als het afschuiven van verantwoordelijkheid en als blijk van gebrek aan inzicht in de onjuistheid van zijn handelen. Daarom vormt deze stelling van verzoeker voor verweerder een bevestiging dat het vertrouwen in verzoeker onherstelbaar is geschaad. Het strafontslag wordt verzoeker opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim, aldus het ontslagbesluit.

Standpunt verzoeker

4.1

Verzoeker is allereerst van mening dat de feitelijke grondslag voor het gestelde plichtsverzuim ontbreekt. Verzoeker heeft namelijk zelf geen onjuiste of onvolledige aangifte gedaan. De zorgplicht voor de aangifte van de fiscaal partner kan niet, zoals verweerder doet, worden afgeleid uit de wetssystematiek, meer in het bijzonder artikel 2.17, derde lid van de Wet IB 2001. Daartoe verwijst verzoeker naar de Opinie van Douma (zie onder 2.4) en de nadere reactie van Douma op het commentaar van de onderzoekers.

4.2

Verder is verzoeker van mening dat, gesteld dat de onjuiste aangifte van zijn partner, wel als aan hem toerekenbaar plichtsverzuim kan worden aangemerkt, de aard en ernst hiervan niet de conclusie rechtvaardigt dat hij daarmee inbreuk heeft gemaakt op zijn integriteit en betrouwbaarheid, laat staan dat het vertrouwen in hem onherstelbaar is beschadigd. Hij is van mening dat de omissie een evidente en begrijpelijke vergissing is geweest van zijn partner en dat hij bij constatering ervan onmiddellijk het bevoegd gezag heeft geïnformeerd en openheid van zaken heeft gegeven. Er is verder geen enkele aanwijzing dat hij op de hoogte is geweest van de vergissing van zijn partner, laat staan dat hij heeft bijgedragen aan de omissie van zijn partner over de bewuste jaren. Dat sprake is van een vergissing blijkt volgens verzoeker ook uit het feit dat over de niet opgegeven tegoeden een bedrag van ongeveer [bedrag 2] aan belasting in box 3 verschuldigd bleek en dat over de verzilverde opties/aandelen door zijn partner over de vier jaren een bedrag van totaal [bedrag 1] belasting is betaald in box 1. Van “niet moreel” of “onbetrouwbaar” handelen door hem is niet gebleken. Zijn eigen aangiften zijn na onderzoek geheel correct gebleken. Verzoeker werkt verder al 21 jaar in overheidsdienst, heeft promotie op promotie gemaakt en zijn integriteit of betrouwbaarheid hebben nimmer ter discussie gestaan. Hij is zich zeer bewust van de hoge integriteitseisen die aan hem worden gesteld, heeft daar altijd aan voldaan en zal dat altijd blijven doen. Hij is daarom van mening dat de meest verstrekkende en ook zeer beschadigende straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet valt te rijmen met de hiervoor genoemde omstandigheden. In dit kader verwijst verzoeker ook naar een zestal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waaruit blijkt dat strafontslag aan ambtenaren telkens is opgelegd in verband met onjuiste aangiften van die ambtenaren zelf, ten aanzien van eigen inkomens- of vermogensbestanddelen, waarbij bewust of op uiterst nonchalante wijze is gehandeld.

Beoordeling

5.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zonder meer wordt gevolgd dat verweerder ten aanzien van haar ambtenaren een hoge graad van zorgvuldigheid vraagt bij het doen van hun belastingaangiftes en dat meer in het algemeen aan de integriteit van haar ambtenaren hoge eisen worden gesteld met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de dienst. Dit volgt ook uit de rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter, de Centrale Raad van Beroep. Beide partijen hebben naar deze rechtspraak verwezen.

5.2

Verweerder heeft in de bestreden besluiten het aan verzoeker ten laste gelegde plichtsverzuim omschreven als het onjuist/onvolledig doen van zijn eigen aangifte. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het eerder genoemde artikel 2.17, derde lid van de Wet IB 20017. Verweerder stelt dat door dit artikellid terugkijkend gezegd kan worden dat verzoeker verplicht was 50% van de gelden op het beleggingsaccount op naam van zijn partner in zijn aangifte op te nemen. Daaruit vloeit dus de zorgplicht voort van eenieder voor de juistheid en volledigheid van de aangifte van zijn of haar fiscaal partner, aldus verweerder. In het dossier wordt deze redenering voor het eerst gegeven in het Memo van 2 juni 2019 opgemaakt voor de behandeling van het verbeteringsverzoek bij de fiscus van de partner van verzoeker. De stelling is overgenomen in de onderzoeksrapportage “feitenonderzoek onjuiste aangifte van 27 augustus 2019”. In de Opinie van Douma wordt deze redenering gemotiveerd voor onjuist gehouden. Kort gezegd stelt Douma dat het bedoelde artikellid is geschreven ten behoeve van de uitvoering van de belastingheffing/navordering door de inspecteur in het geval een inkomens- of vermogensbestanddeel in het geheel niet in de aangifte is opgenomen en dat dit zo ook expliciet in de Memorie van Toelichting wordt vermeld. Het artikellid is niet bedoeld om achteraf vast te kunnen stellen of één van de fiscale partners een onjuiste aangifte heeft gedaan.

5.3

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de uitleg van Douma gevolgd kan worden. Dat betekent dat voornoemd artikel(lid) geen wettelijke grondslag geeft voor de stelling van verweerder dat verzoeker een onjuiste/onvolledige aangifte heeft gedaan. Voor zover het ontslagbesluit enkel op het plichtsverzuim bestaande uit het doen van een eigen onjuiste/onvolledige aangifte is gebaseerd, kan dit daarom niet standhouden.

5.4

Ter zitting is desgevraagd door verweerder gesteld dat ook zonder de redenering gebaseerd op artikel 2.17 Wet IB 2001 uitgegaan dient te worden van een zorgplicht van fiscale partners voor het doen van een juiste en volledige aangifte voor zichzelf en de fiscale partner. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel8. Verzoeker had volledig op de hoogte kunnen zijn van de fiscale gevolgen van de optieregeling van zijn (fiscaal) partner. Hij heeft onvoldoende onderzoek daarnaar gedaan en heeft ook geen deskundige hulp daarbij gezocht. Verweerder kwalificeert dit nalaten als ernstig plichtsverzuim, zeker voor verzoeker die een voorbeeld functie heeft.

5.5

De voorzieningenrechter acht het bestaan van een zorgplicht die zo verstrekkend is als hier door verweerder wordt aangenomen niet zonder meer aannemelijk. Allereerst bestaan hierover geen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. In voornoemde uitspraak van de rechtbank Overijssel wordt verder uit het zijn van fiscaal partners afgeleid dat men gezamenlijk verantwoordelijk is voor de aangifte van de gemeenschappelijke vermogens/inkomensbestanddelen. Het gaat in dit geval om een rekening op naam van de (fiscaal) partner, niet om een gemeenschappelijke rekening of om de gezamenlijke eigen woning. De uitspraak is gelet op de verdere feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar met de zaak van verzoeker. Ook heeft verzoeker met recht aangevoerd dat een ‘gezamenlijke aangifte’ waaruit deze zorgplicht zou volgen niet bestaat. Iedere belastingplichtige doet zijn eigen aangifte en zo doen verzoeker en zijn partner dat ook. Het standpunt van verweerder leidt tot de volgende vragen. Moet men dan inzage eisen in de volledige financiële administratie van zijn fiscaal partner? En zo ja, hoe moet men dan zeker zijn van de volledigheid daarvan? De voorzieningenrechter ziet met verzoeker in een dergelijk uitgangspunt een soort risicoaansprakelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de aangifte van de fiscaal partner opdoemen. Verweerder verwoordt dit in het bestreden besluit (onder 4.5) als dat in het kader van de verhoogde graad van zorgvuldigheid in ieder geval een actieve houding wordt verwacht en dat men zijn uiterste best doet om een juiste aangifte te doen. In dat verband heeft verzoeker volgens de voorzieningenrechter niet ten onrechte de kwestie opgeworpen hoe hij dan aan deze verwachting vorm kan/moet geven in het licht van wat hij tot zijn deskundigheid rekent en wat hij passend acht in zijn relatie met zijn levenspartner. Verweerder stelt enerzijds in het bestreden besluit dat van verzoeker wordt verwacht dat hij zo nodig deskundige hulp inschakelt. Maar verweerder werpt hem anderzijds zijn eigen voornemen om voor het voldoen aan de zorgplicht voor de aangifte van zijn fiscaal partner in het vervolg een deskundige adviseur in te schakelen dan juist weer tegen. Daarmee zou hij tonen geen eigen verantwoordelijkheid te willen nemen. De voorzieningenrechter kan dit niet volgen.

5.6

Gesteld dat toch geconcludeerd moet worden dat verzoekers gedrag of nalaten kwalificeert als plichtsverzuim, dan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gegeven onvoorwaardelijk strafontslag een te verstrekkende reactie hierop is. Bij dit oordeel wordt allereerst in aanmerking genomen de hiervoor omschreven onduidelijkheid omtrent de reikwijdte van de veronderstelde zorgplicht. Voorts wordt hierbij overwogen dat er kennelijk ook binnen de (Belasting)dienst van verweerder veel discussie en onduidelijkheid bestaat over welke fouten in aangiften van medewerkers moeten leiden tot welke disciplinaire maatregelen en is daaromtrent recent onrust en onzekerheid ontstaan onder de medewerkers. Dat blijkt uit de door verzoeker overgelegde “Weekberichten DG” van de Belastingdienst. In het weekbericht van oktober 2019 wordt vermeld dat het voornemen bestaat beter te gaan beschrijven welke fiscale tekortkomingen tot welke arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen leiden en wordt overleg en communicatie hierover aangekondigd. In deze berichten wordt nooit expliciet de aangifte van de fiscaal partner genoemd en verzoeker heeft onbetwist gesteld dat hij daarop ook nooit is gewezen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet duidelijk wordt gemotiveerd waarom verzoeker niet meer als integer ambtenaar kan worden beschouwd en waarom er niet volstaan kan worden met een lichtere disciplinaire maatregel gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder zijn jarenlange onberispelijke staat van dienst. Verzoeker heeft ter zitting vermeld dat voor een gesprek over een andere afdoening van deze kwestie in het geheel geen ruimte was. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom dit niet tot de mogelijkheden zou behoren.

Conclusie

6. De conclusie is dat gelet op het voorgaande de bestreden besluiten in bezwaar vermoedelijk geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter zal daarom de bestreden besluiten schorsen, in die zin dat wordt bepaald dat verzoekers salaris zal worden doorbetaald tot zes weken nadat op de bezwaren is beslist. De voorzieningenrechter zal niet bepalen dat in afwachting van de beslissing op bezwaar aan verzoeker weer toegang tot de dienstgebouwen dient te worden gegeven en dat hij zijn werk weer moet kunnen verrichten. De voorzieningenrechter acht toewijzing van dit verzoek niet dienstig gelet op de mogelijkheid dat partijen deze kwestie wellicht op andere wijze en in onderling overleg willen oplossen.

7.1

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt in beide zaken.

7.2

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (2 punten voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst de bestreden besluiten in die zin dat aan verzoeker zijn volledige salaris wordt doorbetaald tot zes weken na de beslissing op bezwaar;

  • -

    wijst het verzoek voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het in beide zaken betaalde griffierecht van totaal € 348,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Artikel 2.17 Wet IB 2001. Toerekening inkomensbestanddelen, bestanddelen van de rendementsgrondslag, geheven dividendbelasting en korting voor groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner

1. Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren.

2 Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. De korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met de hoogste leeftijd.

3 Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen.

4 De voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag, navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan. (…).

1 Op grond van artikel 77, eerste lid en artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

2 Op 14 oktober 2019 heeft Douma hierop weer gereageerd en de onderzoekers wederom hierop op 15 november 2019.

3 Op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 92, eerste lid van het ARAR.

4 Zie artikel 2.17, tweede lid, van de Wet IB 2001.

5 Dit staat in artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001.

6 Dit staat in artikel 2.17, vierde lid van de Wet IB 2001.

7 De tekst van artikel 2.17 Wet IB 2001 is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

8 ECLI:NL:RBOVE:2019:316.