Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9078

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening. Niet gebleken van vergunningplicht op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5764

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2019 in de zaak tussen

[Vereniging] , gevestigd te Amsterdam, verzoekster

( [gemachtigden] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, namens deze, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Als belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap Vermilion Oil & Gas Netherlands, te Harlingen

(gemachtigde: mr. R. Olivier).

Partijen worden hierna aangeduid als: [Vereniging] , de minister, de RvO en Vermilion.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2019 (het primaire besluit) heeft de RvO het handhavingsverzoek van [Vereniging] afgewezen voor zover het gaat om de vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

[Vereniging] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 oktober 2019 heeft zij de voorzieningenrechter van rechtbank Groningen verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 31 oktober 2019 heeft rechtbank Groningen het verzoek om voorlopige voorziening doorgezonden naar rechtbank Amsterdam, omdat dat de bevoegde rechtbank is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019. [Vereniging] heeft zich laten vertegenwoordigen haar gemachtigden en [de persoon 1] . De RvO heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [de persoon 2] en heeft meegebracht [de persoon 3] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Op 25 juni 2018 heeft Vermilion bij de minister van Economische Zaken een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft de [inrichting] , gelegen in de [gemeente] , op het perceel kadastraal ingedeeld [perceel] . De aanvraag betreft het uitvoeren van een diepboring (sidetrackboring) op de [locatie] - aan de [adres] ( [gemeente] ). Bij de boring zal gebruik gemaakt worden van de bestaande putkelder en conductor WSF-01. Voor het plaatsen van de boortoren wordt een nieuwe fundatie aangelegd. De boring zal worden uitgevoerd met behulp van een mobiele installatie. Dit betreft een tijdelijke activiteit, waarvan naar verwachting de duur twee tot drie maanden zal bedragen. Na uitvoering van de boring zal de geboorde put worden getest.

2.2.

Op 13 maart 2019 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat aan Vermilion de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:

  1. het oprichten en in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk en

  2. het bouwen van een bouwwerk.

In het besluit is aangegeven dat op 15 juni 2018 is besloten dat een nadere afweging van de milieueffecten door het opstellen van een Milieueffectrapport niet noodzakelijk is, doordat de voorgenomen activiteit geen significant nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben.

2.3.

Bij brief van 13 juni 2019 heeft [Vereniging] de RvO verzocht om handhaving. Concreet heeft [Vereniging] verzocht om het uitvoeren van de diepboring op te schorten dan wel stil te leggen omdat Vermilion gebruik maakt van de verleende omgevingsvergunning zonder vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (gebiedsbescherming) en een ontheffing op grond van artikel 3.3 en/of 3.8 van de Wnb (soortenbescherming). Bij brief van 16 juli 2019 heeft [Vereniging] nogmaals hetzelfde handhavingsverzoek ingediend.

2.4.

Bij besluit van 17 juli 2019 heeft de RvO het verzoek om handhaving met betrekking tot de soortenbescherming afgewezen. Vermilion heeft een ontheffing aangevraagd, omdat effecten op de das niet waren uit te sluiten. De RvO heeft dit verzoek om ontheffing beoordeeld en geconcludeerd dat er geen overtreding is van de Wnb op dat punt. Dit houdt in dat de voorgenomen werkzaamheden zonder ontheffing kunnen worden uitgevoerd.

2.5.

Bij brief van 1 augustus 2019 heeft de minister Vermilion een formele waarschuwing gegeven omdat hij heeft geconstateerd dat voor de uitvoering van het project een vergunning is vereist op grond van artikel 2.7 van de Wnb. De werkzaamheden betreffen een project zoals bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Het project kan, gelet op de instandhoudingsdoelstelllingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van natuurlijke habitats of de habitats van soorten in het gebied verslechteren of een significant verstorend effect hebben op soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Omdat op het moment van het verzenden van de brief geen sprake was van een overtreding, heeft de minister volstaan met een formele waarschuwing.

2.6.

Met het bestreden besluit heeft de RvO het verzoek om handhaving afgewezen. Daarin heeft de RvO het volgende overwogen. De reden dat Vermilion een vergunning nodig had, is dat het project zou leiden tot stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, in dit geval [omgeving] . Vermilion had eerder geconcludeerd dat de depositie (<0,05) binnen het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vergunningvrij was. Na de uitspraak van 29 mei 20191 kan het PAS echter niet meer als onderbouwing voor de effectbeoordeling van een activiteit worden gebruikt. Een nieuw beoordelingskader ontbrak op het moment van het handhavingsverzoek. Vermilion heeft laten weten technische aanpassingen aan het project te doen. Het aangepaste project levert volgens de nieuwe AERIUS Calculator een stikstofdepositie op van 0,00 mol/ha/j op het eerdergenoemde Natura 2000-gebied. In de brief aan de Tweede Kamer van 13 september jongstleden, staat dat projecten doorgang kunnen vinden waarvan met een berekening van de nieuwe AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Deze nieuwe gegevens betekenen dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de uitvoering van het project gaat leiden tot een overtreding van de Wnb. Om die reden wijst de RvO het handhavingsverzoek af voor zover het gaat om de vergunningplicht op basis van de Wnb.

3. In zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft [Vereniging] gevraagd de werkzaamheden stil te leggen. Zij vreest voor onomkeerbare gevolgen. [omgeving] verkeert niet in een goede staat van instandhouding. Daarbij speelt de overbelasting van stikstofverbindingen een grote rol. Eerst moeten maatregelen genomen worden om deze belasting te verminderen. Daarbij heeft [Vereniging] aangetekend dat het beoogde doel gaswinning is en niet en dit niet tijdelijk van aard zal zijn. [Vereniging] schat in dat het hele project tot 2038 zal duren. Ook vraagt [Vereniging] de voorzieningenrechter te bepalen dat het project in zijn volle omvang vergunningsplichtig is op grond van de Wnb. Er dient een passende beoordeling te worden gemaakt voordat kan worden beslist of het project al dan niet kan worden toegestaan dan wel moet worden gehandhaafd. De motivering in het bestreden besluit dat er geen vergunningplicht is, is onvoldoende.

4.1.

Ter zitting is besproken dat de werkzaamheden ongeveer nog drie weken zullen duren. In die periode zal Vermilion nog slechts één week boren. Daarna zal de mobiele boorinstallatie worden afgebroken. Dit betekent dat binnen afzienbare tijd een einde komt aan de proefbooractiviteiten met energievoorziening en de transportbewegingen voor de aan- en afvoer van de materialen. De verleende omgevingsvergunning zal daarom op het moment van de uitspraak, te weten 28 oktober 2019, nagenoeg uitgewerkt zijn. Kortom, gelet op het feit dat het project bijna ten einde is, is de (mogelijke) noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen minder nijpend geworden.

4.2.

Dat [Vereniging] stelt dat er een vergunningplicht op grond van de Wnb is, geeft geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen en de resterende werkzaamheden alsnog stil te leggen. Naar aanleiding van de formele waarschuwing van 1 augustus 2019 heeft Vermilion technische aanpassingen aan het project gedaan. De stroomvoorziening van de boring is aangepast. Er wordt gebruik gemaakt van andere generatoren, die zijn voorzien van gaswassers (scrubbers). Op basis van deze technische aanpassingen heeft [bedrijf 1] een nieuwe berekening van de stikstofemissie en de depositie op Natura 2000 gebieden gemaakt. De resultaten van deze berekening zijn neergelegd in het rapport van 20 september 2019. Kort gezegd volgt daaruit dat uit de AERIUS-berekening2 volgt dat de bijdrage op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden 0,00 mol/ha/jaar is. Daarom is het project niet vergunningsplichtig op grond van artikel 2.7 van de Wnb. [Vereniging] betwist dat en stelt dat een depositie van 0,00 mol/ha/jaar in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet mogelijk is. Als gevolg van de werkzaamheden vindt er emissie plaats en dat resulteert in depositie. Daarom is toch een vergunning grond van artikel 2.7 van de Wnb nodig, aldus [Vereniging] .

4.3.

De voorzieningenrechter constateert dat [Vereniging] zijn standpunt dat de resultaten van de berekening door [bedrijf 2] onjuist zijn, onvoldoende heeft onderbouwd. Nu de uitkomst van deze berekening niet boven de 0,00 mol per hectare per jaar ligt, is er vooralsnog geen reden om aan te nemen dat het aangepaste project op zichzelf significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het nabij gelegen Natura 2000-gebied [omgeving] . Vooralsnog is er geen reden om aan te nemen dat er een vergunningplicht op grond van artikel 2.7 van de Wnb geldt voor dit aangepaste project. De voorzieningenrechter overweegt hierbij uitdrukkelijk dat dit geen verklaring voor recht is, daar leent de bestuursrechtelijke (voorzieningen)procedure zich niet voor. Er is thans geen aanleiding om te oordelen dat verweerder ten onrechte heeft besloten het verzoek om handhaving af te wijzen.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.R. Amel Gharib, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2 op basis van de nieuwe AERIUS Calculator.