Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9045

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een school. Beroep omwonenden. Geen van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo doet zich voor. De omgevingsvergunning is terecht verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/7478

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] , [eiser 13] , [eiser 14] , [eiser 15] , [eiser 16] , [eiser 17] en [eiser 18] , allen te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. M.A. Grapperhaus),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M. Delstra).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam, handelend ten behoeve van Amsterdam International Community School (AICS), te Amsterdam.

Partijen worden hierna eisers, het college en AICS genoemd.

Procesverloop

Op 21 juni 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend.

Op 6 november 2018 heeft het college het bezwaar daartegen van een deel van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 november 2019. Namens eisers waren aanwezig

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 9] , [eiser 15] , [eiser 4] en [eiser 12] , bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] . Namens AICS was K. van Ruitenbeek aanwezig.

Inleiding

1. De AICS is een publieke internationale school voor basis- en voortgezet onderwijs. Vanwege de verwachte groei naar 1400 leerlingen wil de AICS zich gaan vestigen op het adres [adres] in Amsterdam. De Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam, die verantwoordelijk is voor de huisvesting van de AICS, heeft voor het oprichten van deze school op 16 maart 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd.

2. Volgens het college is de omgevingsvergunning terecht verleend, omdat het bouwplan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Er doen zich geen andere weigeringsgronden voor.

3. Eisers zijn het hier niet mee eens. Volgens hen is de vestiging van de school wel in strijd met het bestemmingsplan en zijn hun belangen als omwonenden ten onrechte niet in de besluitvorming meegenomen. Het bouwplan voldoet volgens eisers ook niet aan de geldende parkeernormen en normen voor verkeersveiligheid.

Ontvankelijkheid

4. De rechtbank stelt vast dat [eiser 16] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat de rechtbank op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van [eiser 16] niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

Het beoordelingskader

5. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit artikel heeft een limitatief/imperatief karakter. Dat betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met één van de vier weigeringsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend als geen van de weigeringsgronden zich voordoet.

Is de AICS een maatschappelijke voorziening?

6. Op de beoogde locatie is het bestemmingsplan ‘Buitenveldert 2013’ van toepassing. De locatie is gelegen op grond met de bestemming ‘maatschappelijk’. Op grond van artikel 15.1, onder a, van het bestemmingsplan zijn de voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke dienstverlening. In artikel 1.58 van het bestemmingsplan staat dat hieronder wordt verstaan: voorzieningen waar diensten worden verleend op het gebied van gezondheidszorg, sociaal-cultureel, welzijn, woonzorg (inclusief een woonzorgcentrum), kinderopvang, onderwijs en educatie, sport, religie, overheid en vergelijkbare gebieden, waaronder mede worden begrepen culturele en kunstzinnige voorzieningen en ondergeschikte nevenfuncties ten behoeve van de diensten.

7. Volgens eisers is de AICS geen maatschappelijke voorziening, maar een commerciële dienst. De hoge schoolkosten, de activiteiten en voorzieningen, zoals een openbaar café en het feit dat er weinig kinderen uit de buurt op deze school zitten, maken dat de AICS geen gewone Amsterdamse school is. De realisatie van de AICS op de beoogde locatie past daarom niet binnen het bestemmingsplan.

8. De rechtbank is het hiermee niet eens. De AICS is een onderwijsinstelling en valt daarom onder de definitie van een maatschappelijke voorziening. De hoge schoolkosten en het aantal leerlingen uit de buurt dat op de school zit, maakt dat niet anders. De schaal van de voorziening doet immers niet af aan de aard daarvan. De AICS is dus een maatschappelijke voorziening en valt daarmee onder de bestemming van de beoogde locatie.

Had het college een ruimtelijke afweging moeten maken?

9. Volgens eisers heeft de planwetgever de vestiging van een school op de beoogde locatie niet betrokken bij zijn ruimtelijke afwegingen. Omdat de beoogde locatie wordt aangeduid als ‘wro-zone-wijzigingsgebied’ had het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning alsnog een ruimtelijke afweging moeten maken.

10. De beoogde locatie wordt op de plankaart aangeduid als ‘wro-zone-wijzigingsgebied-3’. Op grond van artikel 15.5 van het bestemmingsplan is het college bevoegd om de bestemming ‘maatschappelijk’ te wijzigen indien aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het college heeft terecht overwogen dat geen gebruik is gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid. Anders dan eisers stellen had het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning dus geen ruimtelijke afweging hoeven maken.

Voldoet het bouwplan aan de parkeernormen van het bestemmingsplan?

11. Eisers voeren aan dat het bouwplan niet voldoet aan de Nota Parkeernormen Auto 2017 (de Nota). De parkeervraag voor het personeel van de school wordt niet opgelost op eigen terrein en wordt dus vervuld in de openbare ruimte. Ook is het bouwplan niet toegesneden op de specifieke aard en omvang van een school als de AICS, omdat veel meer kinderen met de auto naar school worden gebracht dan bij een gewone school. Eisers voorzien met name in de spits, bij het halen en brengen van scholieren, problemen met parkeren.

12. Het college heeft toegelicht dat op de huidige locatie van de AICS er niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de parkeerplaatsen op eigen terrein voor het personeel. Ook heeft de AICS aangegeven dat er op de nieuwe locatie geen behoefte is aan parkeerplaatsen voor personeel. Daarnaast zal in overeenstemming met de Nota een 0-vergunningplafond worden ingesteld waardoor de AICS niet in aanmerking komt voor parkeervergunningen voor personeel. Ten aanzien van het halen en brengen van scholieren is een parkeerdrukmeting (telling) uitgevoerd in september 2017. De conclusie van het onderzoek is dat het parkeeraanbod in de openbare ruimte toereikend is voor het brengen en halen van scholieren. De rechtbank vindt dat het college het verkeersonderzoek terecht bij de besluitvorming heeft betrokken. Voor zover eisers stellen dat, anders dan volgens het onderzoek, het parkeeraanbod niet toereikend zou zijn, is het aan hen om met een tegenrapport te komen. Dat hebben zij niet gedaan. Bovendien is uit nieuwe parkeerdrukmetingen, uitgevoerd in november en december 2018, gebleken dat de parkeerdruk in Buitenveldert nog steeds (bijzonder) laag is.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan voldoet aan de parkeernormen van het bestemmingsplan. Dit leidt tot de conclusie dat de realisatie van de AICS op de beoogde locatie niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Heeft het college voldoende rekening gehouden met de verkeersveiligheid?

14. Eisers vinden dat het college onvoldoende oog heeft voor de verkeersonveilige situatie die zal ontstaan. Dat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, blijkt volgens eisers ook uit het verkeersonderzoek uitgevoerd in november 2017.

15. De rechtbank stelt voorop dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op het limitatieve/imperatieve stelsel van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet het college de omgevingsvergunning verlenen. De verkeersveiligheid kan in het kader van deze omgevingsvergunning dus niet aan de orde worden gesteld. Het college heeft in dit kader nog wel aangegeven dat het de verkeersveiligheid een belangrijk punt vindt en dat uit het verkeersonderzoek ook is gebleken dat voor een verkeersveilige situatie aanpassingen in de verkeerstructuur nodig zijn. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat een participatieproces gestart is waarbij omwonenden de mogelijkheid krijgen om mee te denken en belangrijke punten onder de aandacht van het college te brengen.

Conclusie

16. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de vestiging van AICS terecht verleend, omdat geen van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo zich voordoet.

17. Zoals hierboven uitgelegd in alinea 4, is het beroep van [eiser 16] niet-ontvankelijk. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. Zij krijgen dus geen gelijk.

18. Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiser 16] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van de overige eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzitter, en mr. A.C. Loman en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van mr. N.A.H. Kosters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.