Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9011

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
C/13/660199 / HA ZA 19-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben onvoldoende gesteld ten aanzien van de grondslagen van hun vorderingen. Wegwijsplicht producties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/660199 / HA ZA 19-62

Vonnis van 4 december 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. A. van Bunge te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R. Jonkmans te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. W. Schellart te Haarlem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat mr. W. Schellart te Haarlem,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. W. Schellart te Haarlem.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden genoemd en gezamenlijk [eiseressen] Gedaagden zullen achtereenvolgens [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd. Gedaagden sub 2 tot en met sub 4 worden gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 december 2018,

- de conclusies van antwoord van [gedaagde sub 1] en van [gedaagden] , allebei van 27 februari 2019,

  • -

    het tussenvonnis van 10 juli 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 17 oktober 2019 en de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] is eigenaar van een vastgoedportefeuille en [eiseres sub 2] is de beheerder daarvan.

2.2.

[gedaagde sub 1] was in de periode van oktober 2009 tot november 2017 in dienst van [eiseres sub 2] . De kantonrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2017 de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 1] ontbonden.

2.3.

[gedaagde sub 2] heeft in de periode van januari 2013 tot mei 2017 op basis van een met [eiseres sub 2] gesloten samenwerkingsovereenkomst de directie van [eiseres sub 2] geadviseerd over hoe zij haar onderneming diende te (re-)organiseren. [gedaagde sub 2] is [functie 1] en [functie 2] van [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 3] heeft werkzaamheden verricht voor [eiseres sub 2] . [gedaagde sub 4] is een aan [gedaagde sub 2] gelieerd bedrijf.

2.4.

[eiseres sub 1] heeft in 2018 in een rechtszaak, aangespannen door het aannemersbedrijf [bedrijf] , een vordering in reconventie ingesteld terzake schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en/of wanprestatie. Bij uitspraak van deze rechtbank van 10 juli 2019 is de vordering van [eiseres sub 1] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiseressen] – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- een verklaring voor recht dat gedaagden tezamen dan wel afzonderlijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseressen] ;

  • -

    veroordeling van gedaagden afzonderlijk tot vergoeding van door [eiseressen] geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente;

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verbintenissen jegens [eiseressen] ;

  • -

    veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] afzonderlijk tot vergoeding van door [eiseressen] geleden schade als gevolg van de tekortkomingen, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente;

  • -

    een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiseressen] ;

  • -

    hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] hebben afzonderlijk verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd, zal hierna worden ingegaan voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

4 De beoordeling

4.1.

De partij die zich op een bepaald rechtsgevolg wil beroepen dient voldoende feiten te stellen die dat rechtsgevolg kunnen dragen. [eiseressen] heeft de volgende feiten en omstandigheden aan haar vordering ten grondslag gelegd (randnummers 5-6, 8 en 10 van de inleidende dagvaarding):

“5. Uit de stellingen zoals door [eiseres sub 2] in de ontbindingsprocedure ingenomen blijkt dat [gedaagde sub 1] , gedaagde sub 2, verder te noemen “ [gedaagde sub 2] ”, gedaagde sub 3, verder te noemen “ [gedaagde sub 3] ” en gedaagde sub 4, verder te noemen “ [gedaagde sub 4] ” wanprestatie hebben gepleegd jegens eiseressen, dan wel jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld. De gedragingen van gedaagden, namelijk het laten verrichten van de werkzaamheden door aannemers van [eiseres sub 2] en het aannemen van onderhandse betalingen in ruil voor opdrachten, kunnen niet anders dan worden uitgelegd als een onrechtmatige daad jegens eiseressen en in het geval [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als wanprestatie. Subsidiair stellen eiseressen zich op het standpunt dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van alle gedaagden. Door derden verleende kortingen zijn immers verkregen ten koste van [eiseres sub 2] dan wel [eiseres sub 1] , als eigenaar van de onroerende zaken.

6. De geleden schade is nader gespecificeerd in de aan deze dagvaarding gehechte productie 1. Duidelijk is dat de schade op een aantal detailposten zoals het afvoeren van cv-ketels na in twee grotere aspecten uiteenvalt. Schade A zoals aangegeven op de productie betreft de verleende kortingen en ontvangen steekpenningen, schade B betreft de factuurfraude en de levering van verkeerde materialen waarvoor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (mede)verantwoordelijk zijn.

(..)

8. Een van de partijen uit de groep die eiseressen heeft benadeeld is aannemersbedrijf [bedrijf] Deze partij is eiseres in een procedure tegen eiseres sub 1. Eiseressen brengen respectievelijk productie 2 en productie 3, de dagvaarding d.d. 9 juli 2018 en de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie d.d. 29 augustus 2018, in het geding. Let wel: de aan deze dagvaarding als productie 1 gehechte productie komt in de conclusie van antwoord et cetera wederom voor, maar dan als productie 10”.

(..)

10. De vier gedaagden zijn te beschouwen als een groep en zijn zodoende hoofdelijk aansprakelijk.”

4.2.

De dagvaarding bevat geen nadere concretisering of uitwerking van het feitencomplex waar [eiseressen] haar vordering op baseert. Twee weken vóór de mondelinge behandeling heeft de rechtbank van [eiseressen] ruim 20 aanvullende producties ontvangen, die zien op de gestelde schade. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [eiseressen] verzocht om het mogen nemen van een conclusie van repliek, teneinde de vordering nader te onderbouwen en de relevantie van de producties toe te lichten. Gedaagden hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Het verzoek is afgewezen, omdat niet is gebleken van enige reden waarom de toelichting niet reeds bij dagvaarding is gegeven en het op dit stadium van het geding zonder goede redenen inwilligen van het verzoek in strijd zou zijn met de goede procesorde.

4.3.

De rechtbank begrijpt [eiseressen] aldus dat zij heeft bedoeld te stellen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] jegens [eiseressen] zijn tekortgeschoten in de nakoming van (een) verbintenis(sen) als bedoeld in artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel dat gedaagden jegens [eiseressen] een onrechtmatige daad hebben gepleegd (artikel 6:162 BW), dan wel dat gedaagden zich ten koste van [eiseressen] ongerechtvaardigd hebben verrijkt (artikel 6:212 BW).

4.4.

Alvorens op de stellingen van [eiseressen] in te gaan, merkt de rechtbank op dat producties ter ondersteuning van stellingen kunnen dienen, maar niet ter vervanging daarvan. [eiseressen] dient als eiseres haar vorderingen te gronden op heldere en toetsbare stellingen en deze te onderbouwen met producties, waarvan zij begrijpelijk moet aanduiden welke delen daarvan relevant zijn voor de verschillende vorderingen. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en naar welke feiten daarbij verwezen wordt, en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999ZC2810). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:ZC1176). [eiseressen] kan niet volstaan met een enkele verwijzing naar producties. Partijen hebben een zogenaamd wegwijsplicht en het staat de rechtbank niet vrij in producties van partijen een zoektocht te ondernemen of een meer dan geringe vertaalslag te maken naar wat (mogelijk) relevant is en waarom. Het is niet aan de rechtbank om uit producties te destilleren welke stellingen [eiseressen] had kunnen en moeten innemen ter motivering van haar vorderingen en welke feiten daarbij ondersteuning kunnen leveren. Daarbij komt dat [eiseressen] het omvangrijke verzoekschrift van 55 pagina’s van de ontbindingsprocedure waar zij naar verwijst slechts zijdelings heeft overgelegd, namelijk als bijlage bij productie 3, een productie die betrekking heeft op de procedure tussen [eiseres sub 1] en [bedrijf] . Het had voorts op de weg van [eiseressen] gelegen om nader uit te leggen wat de relevantie van die procedure en van de ontbindingsprocedure is ten opzichte van de onderhavige procedure. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast heeft [eiseressen] niet toegelicht welke stellingen zij met de overige door haar overgelegde producties bedoeld heeft te onderbouwen. Het is daardoor onvoldoende kenbaar geworden welke gegevens, feiten en omstandigheden uit de producties [eiseressen] ter ondersteuning van haar stellingen naar voren wil brengen. De rechtbank houdt daarom geen rekening met hetgeen in de producties van [eiseressen] naar voren wordt gebracht, voor zover daaraan geen duidelijke stellingname in de processtukken ten grondslag ligt (vgl. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628).

4.5.

[eiseressen] heeft ten aanzien van de gestelde tekortkoming onvoldoende onderbouwd dat tussen enerzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] en anderzijds [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overeenkomsten (hebben) bestaan waarbij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 3] zijn/is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. Voor zover [eiseressen] in dat verband heeft verwezen naar de reeds ontbonden arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 1] met [eiseres sub 2] , is van belang dat de uitkomst van de ontbindingsprocedure niet zonder meer meebrengt dat [gedaagde sub 1] jegens [eiseres sub 2] aansprakelijk is voor eventuele schade. De kantonrechter heeft zich in de ontbindingsprocedure alleen gebogen over de vraag of sprake was van (een) ontbindingsgrond(en) als bedoeld in artikel 7:669 BW. Daarnaast geldt dat de directe relevantie van die procedure voor het in deze zaak gemaakte verwijt jegens [gedaagden] niet in de processtukken duidelijk naar voren komt. Verder is zonder concrete stellingname en feitelijke onderbouwing onduidelijk gebleven jegens wie ( [eiseres sub 1] en/of [eiseres sub 2] ) zou zijn tekortgeschoten, of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] tezamen dan wel afzonderlijk zouden zijn tekortgeschoten, waaruit de vermeende tekortkomingen hebben bestaan, waar en wanneer zou zijn tekortgeschoten en ten slotte dat er een causaal verband bestaat tussen de vermeende tekortkoming en eventuele schade. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hebben – voor zover mogelijk – de zeer algemeen geformuleerde stellingen gemotiveerd betwist. Bij deze stand van zaken is niet komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] jegens [eiseressen] zijn tekortgeschoten.

4.6.

[eiseressen] heeft evenmin geconcretiseerd door wie en jegens wie ( [eiseres sub 1] en/of [eiseres sub 2] ) een onrechtmatige daad is gepleegd en waaruit die dan zou hebben bestaan. [eiseressen] heeft in het algemeen gesteld dat gedaagden werkzaamheden hebben laten verrichten door aannemers van [eiseres sub 2] en onderhandse betalingen hebben aangenomen in ruil voor opdrachten. Deze stelling is in de processtukken echter niet verder uitgewerkt met een enigszins gespecificeerd feitencomplex, waardoor de stellingen vaag en onvoldoende geconcretiseerd zijn gebleven. De gedaagden hebben – voor zover mogelijk – de stellingen betwist. [eiseressen] heeft evenmin toegelicht dat is voldaan aan de overige eisen die voortvloeien uit artikel 6:162 BW, namelijk dat een causaal verband bestaat tussen de vermeende onrechtmatige daad en eventuele schade en dat is voldaan aan de relativiteitseis. Dat gedaagden een onrechtmatige daad hebben gepleegd is dus evenmin komen vast te staan.

4.7.

Daarnaast stelt [eiseressen] dat gedaagden zich ten opzichte van [eiseressen] ongerechtvaardigd hebben verrijkt. Voor het bestaan van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking is vereist dat gedaagden zijn verrijkt en [eiseressen] daardoor is verarmd. Bovendien dient die verrijking ongerechtvaardigd te zijn. [eiseressen] heeft in het algemeen gesteld dat door derden verleende kortingen zijn verkregen ten koste van [eiseres sub 1] dan wel [eiseres sub 2] . Hieruit blijkt niet wie welke kortingen hebben verleend, aan wie de kortingen zijn verleend en wie daardoor is/zijn benadeeld. Ook op dit punt hebben gedaagden – voor zover mogelijk – de stellingen betwist. Het beroep van [eiseressen] op ongerechtvaardigde verrijking wordt gelet op bovenstaande als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.8.

Bij dit alles geldt nog dat [eiseressen] er niet in is geslaagd om de schade die zij stelt te hebben geleden inzichtelijk te maken. Het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde overzicht waarnaar zij verwijst is daarvoor onvoldoende. Dat overzicht bevat drie kolommen en verschillende kleurmarkeringen. Anders dan bij dagvaarding vermeld staat schade A en schade B niet op het overzicht aangegeven. Aan de hand van het overzicht valt niet af te leiden waar de gestelde schade precies op ziet en waaruit die bestaat, en evenmin op welke wijze en door wie die veroorzaakt zou zijn. Concreet uitleg hierover is ook niet terug te vinden in de processtukken.

4.9.

De conclusie van al het voorgaande is dat [eiseressen] niet aan de stelplicht heeft voldaan. Zij zal dan ook niet tot bewijslevering worden toegelaten.

4.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseressen] integraal worden afgewezen.

4.11.

Bij deze uitkomst van de procedure zal [eiseressen] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagden. Volgens gedaagden bestaat in de gegeven omstandigheden aanleiding om [eiseressen] te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten. De rechtbank volgt gedaagden hierin niet. Een vordering tot veroordeling in de werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt door een procedure aan te spannen. Daarvan is pas sprake als de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn indien [eiseressen] haar vorderingen zou hebben gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Aan dit (strenge) criterium is in casu niet voldaan. Gedaagden hebben hiertoe gesteld dat de wijze waarop zij in deze procedure zijn betrokken en de wijze van procederen door [eiseressen] ertoe hebben geleid dat zij nodeloze advocaatkosten hebben gemaakt. Die stelling is echter onvoldoende om misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen te kunnen vaststellen. De proceskosten worden daarom begroot aan de hand van het liquidatietarief.

4.12.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- griffierecht € 1.565,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2,0 punten × tarief € 3.099,00)

Totaal € 7.730,00

4.13.

De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2,0 punten × tarief € 3.099,00)

Totaal € 10.144,00

4.14.

De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 7.730,00,

5.3.

veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 10.144,00,

5.4.

veroordeelt [eiseressen] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseressen] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Nyman, rechter, bijgestaan door mr. D. Günes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2019.