Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:90

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huisvestingswet 2014, woningvorming, overtreding, matiging boete wegens verminderde verwijtbaarheid, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/2745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Utrecht, eiser

(gemachtigde: mr. R. Timmers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Brandenburg).

Procesverloop

In het besluit van 2 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd en ingevorderd ten bedrage van € 18.000,- wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014.

In het besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn broer, de heer [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere reactie te geven op wat op de zitting door eiser naar voren is gebracht. Bij brief van 4 oktober 2018 heeft verweerder deze reactie gegeven. Bij brief van

30 oktober 2018 heeft eiser hierop gereageerd.

De rechtbank heeft op 11 december 2018 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1.1.

Eiser is sinds 16 juli 2013 eigenaar van de woning aan [adres] te Amsterdam. De woning heeft de bestemming wonen. Verweerder heeft in het kader van het project [naam 3] onderzoek verricht naar de woning. Project [naam 3] is in 2017 gestart naar aanleiding van meldingen over het gebruik van de woningen. Er heeft een administratief- en een buitendienstonderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Rapport van Bevindingen van 6 juni 2017. Op 6 juni 2017 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Op het moment van het huisbezoek stonden in de basisregistratie personen (brp) op de woning drie personen ingeschreven. Geconstateerd is dat in de woning drie aparte studio’s ( [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ) zijn gecreëerd.

1.2.

Op 5 juli 2017 heeft verweerder eiser bij brief laten weten het voornemen te hebben een bestuurlijke boete op te leggen van € 18.000,- wegens het zonder vergunning verbouwen van een zelfstandige woonruimte naar drie zelfstandige woonruimten (woningvorming).

Standpunten van partijen

2.1.

Deze zaak gaat om de boete van € 18.000,- die door verweerder aan eiser is opgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat woningvorming zonder vergunning is verboden. Dit staat volgens verweerder in artikel 21, aanhef en onder d, van de Huisvestingswet 2014. Eiser is als eigenaar overtreder. De hoogte van de boete is vastgelegd in een gefixeerd boetestelsel. Dat betekent dat de wetgever per verschijningsvorm de hoogte van het boetebedrag heeft bepaald. In het boetebedrag zijn evenredigheids- en proportionaliteitsnormen reeds verdisconteerd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van deze boetes. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus verweerder.

2.2.

Eiser heeft allereerst aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding, omdat woningvorming nog niet verboden was op het moment dat eiser de woning kocht en ging verbouwen (in 2013/2014). Vandaar dat toen niemand eiser heeft kunnen informeren dat hij een vergunning nodig had voor het woningvormen. Dat was toen immers nog niet het geval.

Over de hoogte van de boete heeft eiser aangevoerd dat in de toelichting op de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (de Huisvestingsverordening) is opgenomen: “Bij woningvormen is onderscheid gemaakt naar het type overtreder. Een professionele eigenaar die zonder vergunning meerdere woningen verbouwt tot kleinere eenheden is de boete hoger.” Dit is volgens eiser niet terug te zien in tabel 2 van bijlage 3 waar slechts twee types boetes zijn opgenomen: voor een eerste overtreding en voor recidive. Omdat eiser geen professionele eigenaar is zou de boete lager moeten zijn.

Vervolgens heeft eiser aangevoerd dat de boete moet worden gematigd. Eiser heeft daar veel verschillende redenen voor. Hij heeft nooit de intentie gehad om in strijd met de wet te handelen of om grote families te huisvesten in te kleine kamers. Eiser werkte samen met Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Amsterdam Zuidoost en Diemen (MaDi) om kansarme mensen onderdak te geven door een huurovereenkomst aan te bieden. Deze mensen zitten vaak in de schuldhulpverlening en hebben soms maanden achtereen hun huur niet betaald maar daar maakte eiser nooit een probleem van. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat hem toen hij het kocht is verteld dat hij alles met de woonruimte mocht doen, samenvoegen, brouwerij starten, een klooster, je kan het zo gek niet bedenken. Eiser is in januari 2014 gestart met de verbouwing en is met de bouwtekeningen naar de gemeente gegaan om te vragen of de verbouwing in orde was. Eiser heeft meerdere keren met de heer [naam 2] gesproken aan het loket van stadsdeel Zuid-Oost. Aan eiser is verteld dat de bouwtekeningen in orde waren en dat er geen vergunning nodig was. Verder zijn er in verband met de begeleiding van de bewoners, diverse instanties over de vloer geweest in de verhuurperiode (de sociale dienst, de belastingdienst, de reclassering etc.) en niemand heeft ooit verteld dat het verhuren aan drie verschillende mensen niet mocht. Eiser ging er dan ook vanuit dat hij aan alle regels voldeed. Eiser heeft alsnog een vergunning aangevraagd toen bleek dat hij deze nodig had en is begonnen met een ingrijpende verbouwing om alsnog aan de regels te voldoen.

2.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat woningvorming een nieuw begrip is in de Huisvestingswet 2014, maar dat deze vorm onder de toenmalige Huisvestingswet ook al vergunningplichtig was. Het viel toen onder de term “onttrekking”.

Over de passsage in de toelichting waar eiser naar heeft verwezen heeft verweerder toegelicht dat tijdens de voorbereidingen voor de nieuwe Huisvestingsverordening over verschillende scenario’s is gesproken met betrekking tot het opstellen van een boetetabel. Differentiatie naar type overtreder is bij de voorbereiding in een vroeg stadium meegenomen en om die reden ook in de toelichting opgenomen. Het besluitvormingsproces is echter anders verlopen en het bestuur heeft er uitdrukkelijk voor gekozen geen differentiatie in de boetetabel op te nemen. Per abuis is vervolgens in de laatste versie de toelichting op dit punt niet aangepast. Om die reden kan eiser geen lagere boete worden opgelegd.

Met betrekking tot eisers stelling dat de boete gematigd moet worden, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zich specifieker had moeten informeren. Eiser heeft wellicht informatie ingewonnen, maar niet zodanig dat het voor de gemeente duidelijk moet zijn geweest dat eiser drie afzonderlijke huishoudens zou vestigen in de drie woningen. De gemachtigde van verweerder heeft hierover navraag gedaan bij het loket van het stadsdeel Zuid-Oost en heeft met een collega van de heer [naam 2] gesproken. De heer [naam 2] werkt bij het stadsdeel Zuid-Oost, maar kan zich eiser niet meer herinneren. In de tijd dat eiser inlichtingen vroeg, werkte de gemeente met een loket waar men zonder afspraak vragen kon stellen (inzage bestemmingsplan, vergunningvrij bouwen etc.). Toezeggingen aan het loket werden nooit gedaan omdat het over het algemeen informatieve vragen betreft en minder complexe verzoeken. Zodra het gaat om meer specifieke vragen of bouwplannen, moet de loketmedewerker verwijzen naar een backoffice medewerker. De heer [naam 2] zou in dat opzicht gevraagd kunnen zijn om de plannen te beoordelen. Hij is technisch geschoold en zijn taak is het beoordelen van Wabo vergunningen. Doorverwijzing naar de backoffice kon echter niet zonder afspraak. Bij hoge uitzondering zou de heer [naam 2] zelf aan het loket zijn verschenen. Als dat toch gebeurd zou zijn, zo heeft een collega van de heer [naam 2] toegelicht, dan zou bij het zien van een tekening met daarop meerdere huishoudens in een woning, zijn aangegeven dat een vergunning voor kamerverhuur of woningvorming wellicht noodzakelijk was. Als de tekening slechts de indeling van de woning zou laten zien en de uit te voeren werkzaamheden, dan zou wellicht slechts de Wabo vergunning zijn besproken.

Voorts heeft verweerder op zitting nog opgemerkt dat verweerder meerdere zaken heeft lopen over [naam 3] . Verweerder heeft in deze zaken vaak te horen gekregen dat er een soort sfeer is ontstaan dat alles kan en alles mag. Het is echter geen project geweest waarbij de gemeente heeft gezegd alles kan en mag. Dat beeld is gecreëerd door projectontwikkelaars en makelaars. Zij hebben niet voldoende voorgelicht over de vereisten. [naam 3] was gericht op grotere gezinnen met een kleine beurs. Helaas zijn de woningen in de meeste gevallen niet terecht gekomen bij deze groep mensen. Dat investeerders de woningen goedkoop opkochten om vervolgens aan te verdienen, is helaas een onderschat neveneffect geweest. Door de overlast en meldingen van woonfraude, werd handhaving prioriteit. Eiser is – hoe onbedoeld ook – onderdeel van de problematiek die speelt in de [naam 3] flat en om die reden is verweerder van mening dat matiging niet op zijn plaats is.

Oordeel van de rechtbank

3. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van het juridisch kader zoals dit is opgenomen in de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser de woonruimte op het adres [adres] heeft verbouwd van één zelfstandige in drie zelfstandige woonruimten ( [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ) en deze woonruimten heeft verhuurd.

5. Eisers grond dat woningvorming geen overtreding was op grond van de Huisvestingswet in 2014 faalt. Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet zoals die gold toen eiser begon met de verbouwing, viel woningvorming onder onttrekking. Eiser had dus hiervoor ook op het moment dat hij ging verbouwen een vergunning nodig.

6. Omdat eiser deze vergunning niet had, was verweerder bevoegd een boete aan eiser op te leggen.

7. Eiser heeft geen gronden gericht tegen de uitleg die verweerder heeft gegeven over de zinssnede (opgenomen in de toelichting op de Huisvestingsverordening) “Bij woningvormen is onderscheid gemaakt naar het type overtreder. Een professionele eigenaar die zonder vergunning meerdere woningen verbouwt tot kleinere eenheden is de boete hoger”. Verweerder heeft uitgelegd hoe dat is gegaan en de rechtbank kan verweerder hierin volgen. Op grond van de Huisvestingsverordening wordt bij het opleggen van een boete slechts onderscheid gemaakt in eerste overtreding en recidive, zodat hiervan moet worden uitgegaan.

8.1.

De rechtbank moet beoordelen of de boete in dit geval evenredig is. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met het punitieve karakter van het besluit en alle relevante omstandigheden van het geval.

8.2.

Voor de hoogte van de boete heeft verweerder gekeken naar het boetebedrag zoals dat staat in de Huisvestingsverordening. De rechtbank stelt vast de hoogte van de boete in overeenstemming is met tabel 2, bij bijlage 3 bij de Huisvestingsverordening 2016. De boete is vastgesteld op € 18.000,-. Omdat het een gefixeerd boetestelsel is, zijn de redelijkheids- en evenredigheidsnormen reeds in de boetehoogte verdisconteerd. De rechtbank is van oordeel dat de in tabel 2, bij Bijlage 3 geregelde boete van € 18.000,- voor het verbouwen van woonruimte naar drie zelfstandige woonruimten zonder vergunning bij een eerste overtreding in zijn algemeenheid niet onevenredig is. De rechtbank is echter van oordeel dat de boete in dit geval niet evenredig is.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in verschillende uitspraken1 overwogen dat verminderde verwijtbaarheid en een beperkte ernst van een overtreding redenen kunnen zijn om de boete te matigen. De Afdeling heeft uitgelegd dat deze omstandigheden worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven een boete te matigen.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, maar dat eiser wel vindt dat de manier waarop hij te werk is gegaan bij het verbouwen van de woning zodanig te goeder trouw was, dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Verweerder stelt daar met name tegenover dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om zich te verdiepen in de regels die gelden als je een dergelijk project begint. De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder, maar ziet dit op zich niet als een reden om van de matiging af te zien. Dat is immers met name van belang bij de bevoegdheid tot boeteoplegging. De omstandigheden die eiser heeft gesteld om te matigen heeft hij onderbouwd. Aannemelijk is dat eiser veel navraag heeft gedaan bij de gemeente over de verbouwing. Hij heeft verklaard dat hij meerdere keren bij het loket van het stadsdeel is geweest om te vragen of zijn bouwtekeningen konden worden uitgevoerd. Daarbij heeft eiser op zitting uitgelegd dat hij woorden als woningvorming en onttrekking niet kent en dus niet gebruikt als hij aan het loket staat met zijn bouwtekening. Eiser heeft gevraagd of hij aan de regels voldeed met zijn verbouwing en dit werd bevestigd. Eiser heeft in zijn beleving ook veel mensen van overheidsdiensten over de vloer gehad (sociale dienst, belastingdienst, reclassering etc.) en dat als bevestiging gezien van de rechtmatigheid van de situatie. Verweerder heeft verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat het is gelopen zoals eiser dat heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat niet meer precies kan worden achterhaald hoe het contact tussen eiser en de heer [naam 2] is verlopen en wat daar is gezegd. Evenwel is het de rechtbank wel duidelijk geworden dat eiser zijn best heeft gedaan om uit te zoeken dat wat hij wilde doen, ook daadwerkelijk van de gemeente mocht. Daarnaast blijkt uit de nadere reactie van verweerder dat eiser niet de enige was die niet op de hoogte was van alle regels en dat de gemeente pas is gaan ingrijpen bij [naam 3] toen er een grote mate van overlast was. Verweerder stelt dat nooit is verkondigd dat alles zou mogen in [naam 3] zonder vergunning. Maar uit de reactie van verweerder blijkt ook dat niet actief voorlichting is gegeven over wat wel en niet mag bij [naam 3] en dat door derden (projectontwikkelaars e.a.) het beeld is geschetst dat alles mocht. Gelet op al deze omstandigheden, zeker nu eiser heel actief op zoek is geweest naar informatie, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast zijn nog een aantal omstandigheden van belang bij de matiging. Eiser heeft de woning weliswaar als belegging gekocht, maar hij had het oogmerk om huisvesting te creëren voor kansarme mensen. Deze mensen konden niet altijd hun huur betalen, maar eiser is niet tot ontruiming overgegaan. Verder heeft eiser niet verhuurd via airbnb en heeft eiser geen uitzonderlijk hoge huurprijzen gevraagd. Er was dan ook geen sprake van bedrijfsmatige verhuur. Ook is op de zitting gebleken dat eiser vrijwel direct na het voornemen van verweerder tot boeteoplegging een vergunningaanvraag heeft ingediend en dat hij, met de nodige kosten, de woning bezig is aan te passen aan de voor de vergunning geldende regels. Hij heeft een vergunning gekregen voor twee woningen. De overtreding is dan ook beperkt.

Conclusie

9. De rechtbank vindt dat verweerder de boete had moeten matigen vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank zal zelf de boete op een lager bedrag vaststellen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en de hoogte van de boete vast te stellen op € 6.000,-. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit is een bedrag van

€ 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 512,-).

11. De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 170,- aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    stelt de hoogte van de boete vast op € 6.000,- (zegge: zesduizend euro);

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- (zegge: honderdzeventig euro) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,- (zegge: duizend vierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

"Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is."

Huisvestingswet 2014, geldig vanaf 1 januari 2014

Artikel 30

1. Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. met andere woonruimte samen te voegen;

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Huisvestingswet 2014, geldig vanaf 1 januari 2017

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, geldig vanaf 1 januari 2017

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

m. Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren;

(…)

ddd. Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte,

(…).

Artikel 3.1.1

1. Als woonruimte behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt aangewezen:

a. alle zelfstandige woonruimte met een met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens;

b. alle zelfstandige woonruimte tot en met 200 huurpunten;

c. alle zelfstandige woonruimte met meer dan 200 huurpunten;

d. alle onzelfstandige woonruimte tot 750 huurpunten.

2. Complexen opgenomen in bijlage 1 worden niet als woonruimte in de zin van artikel 21 van de wet aangewezen.

Artikel 3.1.2 Reikwijdte vergunningplicht

1. De in artikel 3.1.1 aangewezen woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet:

a. anders dan ten behoeve van bewoning of het gedeeltelijk gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken; of

b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar geheel of gedeeltelijk met andere woonruimte worden samengevoegd.

mits en zolang de bestemming tot bewoning overheersend blijft.

2. Onder eigenaar in dit artikel eerste lid wordt verstaan de eigenaar in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek of degene die lid is van een coöperatieve flatexploitatie en die de woning als hoofdverblijf houdt.

3. Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van het gebruik als tweede woning, is geen vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet noodzakelijk, mits en zolang:

a. de woonruimte, indien gehuurd, een rekenhuur heeft boven de liberalisatiegrens;

b. de eigenaar of huurder zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam houdt; en

c. waarbij het gaat om ten hoogste één woonruimte per eigenaar of huurder.

4. Voor het gedeeltelijk onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van bed & breakfast is geen vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet noodzakelijk mits en zolang:

a. de hoofdbewoner de woning als hoofdverblijf heeft en deze bewoner ook als zodanig in de basisadministratie staat ingeschreven;

b. de bestemming tot bewoning overheersend blijft;

c. aan niet meer dan vier personen per nacht onderdak wordt verleend, en

d. de hoofdbewoner zich voor dat het gebruik ten behoeve van bed & breakfast start, heeft gemeld bij burgemeester en wethouders.

5. Voor het gebruik van woonruimte als studentenwoning is geen vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet noodzakelijk, mits en zolang sprake is van een studentenwoning als bedoeld in artikel 1 mm.

6. De uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals genoemd in de vorige leden, zijn niet van toepassing op de situatie waarbij door de eigenaar of een derde is gehandeld met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de werking van de regels die bij of krachtens de wet zijn gesteld.

In de toelichting op dit artikel staat dat dit artikel bepaalt voor welke handelingen waarbij de woonruimtevoorraad wijzigt een vergunningsplicht geldt. Het gaat daarbij om het onttrekken, samenvoegen, omzetten en woningvormen. Hieronder wordt verstaan:

- het geheel of gedeeltelijk onttrekken van een woonruimte aan de woonbestemming, voor bedrijfsmatig gebruik dan wel sloop,

- het samenvoegen van twee of meer woonruimten tot één woonruimte;

- het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten;

- het verbouwen van een woonruimte tot één of meer woonruimten.

Woningvormen

Het woningvormen is een nieuw begrip in de Huisvestingswet 2014.

Als gevolg van woningvormen verandert de samenstelling van de woningvoorraad en is vergunning nodig. Van woningvorming is altijd sprake wanneer van één woonruimte, meerdere woonruimten worden gevormd. Bij woningvorming wordt doorgaans grotere woonruimte die geschikt is voor grotere huishoudens, verbouwd tot kleinere woonruimten voor meerdere kleinere huishoudens. Om die reden wordt sturing hierop noodzakelijk geacht.

Artikel 4.2.1 Handelen in strijd met onttrekkingsvergunning

Hij die handelt in strijd met enig aan de vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet verbonden voorschrift, wordt geacht zonder vergunning te hebben gehandeld.

Artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 en artikel 21 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op:

a. voor de eerste overtreding van de in artikel 8 van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 opgenomen tabel 1;

b. voor de eerste overtreding van artikel 21 a, b, c of d van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2;

c. voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage 3 genoemde tabel 1 of 2;

d. voor het overtreden van artikel 24 van de wet zoals verwoord in artikel 3.2.2. van deze verordening overeenkomstig de in bijlage 3 genoemde tabel 3.

Tabel 2 bestuurlijke boete wijzigingen in de woonruimtevoorraad

Wettelijke bepaling Huisvestingswet

Omstandigheid

Kolom A

Kolom B

Boete

Boete bij recidive

Overtreding < 3 jaar na de eerste overtreding

woningonttrekking

21 onder a

€ 20.500,-*

€ 20.500,-*

Samenvoegen

21 onder b

€ 18.000,-

€ 20.500,-*

Omzetten

21 onder c

Woonruimte omzetten in maximaal 4 kamers

€ 6.000,-

€ 20.500,-*

Omzetten

21 onder c

Woonruimte omzetten in 5 of meer kamers

€ 18.000,-

€ 20.500,-*

Woningvorming

21 onder d

één woonruimte uit de woningvoorraad verbouwen

€ 18.000,-

€ 20.500,-*

* wettelijk maximum

1 Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649 en 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:953.