Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:893

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
13-730030-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor wapenbezit en witwassen van 2 miljoen Euro. Verdachte bekent het bezit van de wapens en het geld en heeft geen verklaring willen geven voor de herkomst van het geld. Geld is verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-730030-18

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1970,

wonende op het adres [woonadres] ,

thans gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2019. Verdachte is bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Trokic en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I. Raterman naar voren hebben gebracht.

2 Beschuldiging

2.1

Verdachte word er – kort gezegd – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het voorhanden hebben van drie vuurwapens en bijbehorende munitie,

2. witwassen van ruim 2 miljoen euro,

3. voorbereiden van handel in verdovende middelen door het voorhanden hebben van diverse goederen die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel.

2.2

De volledige tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage 1, dat aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

De officier van justitie vindt dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen kan worden. Hij voert hiertoe aan dat verdachte heeft verklaard dat het aangetroffen geld en de wapens en munitie van hem zijn.

Met betrekking tot feit 2 is de officier van justitie van mening dat het geld een criminele herkomst heeft. Om witwassen te bewijzen is het niet vereist dat er een rechtstreeks verband kan worden gelegd met een bepaald misdrijf. Volstaan kan worden met de constatering dat het, gelet op de feiten en omstandigheden, niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen gelden van enig misdrijf afkomstig zijn. Op grond van het financiële onderzoek naar verdachte is komen vast te staan dat hij in de onderzoeksperiode slechts kon beschikken over beperkte financiële middelen en bescheiden inkomsten had. Van enig legaal vermogen van verdachte was niets bekend.

In aanmerking genomen dat het om een zeer aanzienlijk contant geldbedrag gaat is het vermoeden gerechtvaardigd dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. In zo’n geval mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst daarvan.

Nu er geen verklaring is waaruit een alternatieve (legale) herkomst blijkt, gaat de officier van justitie ervan uit dat de aangetroffen gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet op de aard van de aangetroffen gelden en de wijze waarop deze vervoerd zijn, kan het niet anders dan dat verdachten ook wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.

3.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw van verdachte refereert zich ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld en de wapens onder zich had.

De raadsvrouw heeft zich, evenals de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 3 tenlastegelegde voorbereiding van drugshandel. De drugsgoederen zijn aangetroffen in ruimte B3, maar het staat niet vast dat verdachte in die ruimte is geweest en de goederen dus voorhanden heeft gehad. Zijn vingerafdrukken zijn niet op de goederen aangetroffen. Verdachte verklaart ook dat hij niets afwist van deze goederen en dat deze van iedereen konden zijn, omdat de ruimte ook door anderen gebruikt werd als er feestjes werden gegeven.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Er is geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de goederen in de ruimte B3 en niet valt uit te sluiten dat niet hij maar een ander deze goederen voorhanden had.

3.3.2

Het oordeel over het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik wil verklaren dat ik op heterdaad ben betrapt in het kantoor met het geld en de wapens. Dat klopt. Er waren twee wapens in het kantoor en één in het aangrenzende rommelhok. Ik wist van de drie wapens. Van de tas met geld in het hok (ruimte B3) wist ik ook af. Ik zat in het kantoor geld te tellen.

Ten aanzien van feit 1:

2. Een aanvullend proces-verbaal doorzoeking [horecagelegenheid] met nummer 2018139810 van 19 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T654, doorgenummerde pagina’s 161-162.

3. Een definitief proces-verbaal van wapenonderzoek met nummer 2018139810 van 6 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 138-151.

Ten aanzien van feit 2:

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018139810-13 van 11 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren AML33670 en AML13567, doorgenummerde pagina’s 6-8.

5. Een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2018139810 van 12 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 15 en 16.

6. Vier geschriften, zijnde kennisgevingen van inbeslagneming, met registratienummers PL1300-2018139810-82, PL1300-2018139810-83, PL1300-2018139810-81 en PL1300-2018139810-84, opgemaakt door [brigadier van politie] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, doorgenummerde pagina’s 35-38.

7. Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met nummer 2018139810 van 3 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S-153, doorgenummerde pagina’s 351-357.

3.3.3

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt ten aanzien van het witwassen het volgende. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat – zoals door de officier van justitie is gerekwireerd – de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo’n geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo’n verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het volgende overwogen.

Op grond van observaties is komen vast te staan dat medeverdachte [medeverdachte] twee tassen heeft opgehaald en deze aan verdachte heeft afgegeven. [medeverdachte] en verdachte zijn met de tassen de horecagelegenheid [horecagelegenheid] binnen gegaan en zijn met de tassen naar de eerste verdieping gelopen. Bij de doorzoeking van [horecagelegenheid] is verdachte aangetroffen in een afgesloten kantoor terwijl om hem heen grote hoeveelheden geld lagen. Ook de tassen zijn daar aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij dat geld had en dat hij het geld aan het tellen was. Verder heeft verdachte verklaard dat de tas met geld in ruimte B3 ook van hem was. Verdachte heeft geen verklaring willen geven over de herkomst of bestemming van het geld.

Uit onderzoek bij de Belastingdienst, Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen, is niet gebleken dat verdachte de beschikking had over grote sommen geld of enig ander vermogen in de vorm van onroerend goed. Ook heeft verdachte over de periode 2017 tot en met mei 2018 een relatief laag aantoonbaar legaal inkomen gehad. Een en ander rechtvaardigt daarom het vermoeden dat hier sprake is van witwassen. Nu verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven voor het geld, acht de rechtbank bewezen dat het geld – middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad en aldus dat geld heeft witgewassen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 3.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

op 11 juli 2018 te Amsterdam,

a. een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Beretta 9000s, kaliber 9x 19 mm) en

b. een vuurwapen van categorie III, te weten een (half geladen) pistool (merk BBM 315 Auto, kaliber 6.35 Browning) en

c. een patroonmagazijn (aangetroffen in voornoemd pistool, BBM 315 Auto), voorzien van munitie van categorie III, te weten meerdere volmantel rondneus patronen (kaliber 6.35 mm Browning met bodemstempel 5 x GFL en 1 x S&B), geschikt om te worden verschoten met voornoemd pistool BBM 315 Auto en

d. een vuurwapen van categorie III, te weten een geladen revolver (merk Smith & Wesson, model .38, kaliber .38 special) en

e. munitie van categorie III, te weten meerdere patronen aangetroffen in voornoemde revolver merk Smith & Wesson, geschikt om te worden verschoten met voornoemde revolver,

voorhanden heeft gehad,

Ten aanzien van feit 2

op 11 juli 2018 te Amsterdam, voorwerpen te weten:

contante geldbedragen van in totaal € 2.164.150,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte wist dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie. Ook zit verdachte inmiddels een half jaar in detentie, waar hij zich van zijn goede kant heeft laten zien. Verder verzoekt zij rekening te houden met het feit dat verdachte slechts korte tijd de beschikkingsmacht over het geld heeft gehad en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij gedurende langere tijd meerdere bedragen heeft witgewassen. Voorts is de raadsvrouw van mening dat bij de strafmaat niet aangesloten moet worden bij de oriëntatiepunten ten aanzien van fraudezaken, nu het feit geen fraudecomponent heeft. Ook blijkt niet dat verdachte voordeel heeft genoten uit het voorhanden hebben van het geld.

Ten aanzien van de wapens verklaart de raadsvrouw dat volgens de oriëntatiepunten van het LOVS voor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevangenisstraf van 3 maanden een gangbare straf is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie vuurwapens met bijbehorende munitie. Het illegale ongecontroleerde bezit van vuurwapens is een ernstig feit. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat twee van de wapens geladen waren en klaar waren voor direct gebruik.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van ruim 2 miljoen euro, afkomstig van enig misdrijf.

Witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door zich schuldig te maken aan witwassen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van crimineel geld werkt bovendien het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte diep geworteld is in het criminele circuit en daarin een aanzienlijke positie heeft. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Allereerst valt op dat het hier een enorme geldsom betreft, ruim 2 miljoen euro. Vervolgens valt op dat verdachte alleen was met dat geld toen hij werd aangehouden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank uitsluit dat hij slechts een ondergeschikte positie bekleedde. Verder is opvallend dat verdachte iemand eropuit stuurt om de tassen met geld op te halen, zonder te vermelden wat er opgehaald moet worden. Verdachte heeft geen verklaring willen geven over de herkomst van het geld of wat de bestemming van het geld is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 december 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden is.

7.4

Beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen die staan vermeld op de beslaglijst zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis.

De voorwerpen, vermeld onder 2 tot en met 22 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Het voorwerp vermeld onder 1 zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

meerdere geldbedragen, zoals opgenomen in de beslaglijst onder nummers 2 tot en met 22, met een totaalbedrag van € 2.164.150,00

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

1. Personenauto TOYOTA Carolla , met kenteken [kenteken]

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en A.C.J. Klaver rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2019.

[(...)]