Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
13/845078-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 51-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk voor oplichting van het ministerie van Economische Zaken als feitelijk leidinggevende. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan medeplegen van witwassen als feitelijk leidinggevende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845078-15 (Promis)

Datum uitspraak: 25 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 27 maart 2019 en 11 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.O. van Driel, en van wat verdachte en zijn advocaten, mrs. D.J.P. van Omme en J.J. Mul, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. primair medeplegen van gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift, (onder meer) gepleegd door Three Circles Ventures 2 B.V. (hierna: TCV), terwijl verdachte aan deze gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

1. subsidiair medeplegen van gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift;

2. primair medeplegen van oplichting, (onder meer) gepleegd door TCV, terwijl verdachte aan deze gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

2. subsidiair medeplegen van oplichting;

2. meer subsidiair medeplegen van verduistering;

3. primair medeplegen van witwassen door TCV, terwijl verdachte aan deze gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

3. subsidiair medeplegen van witwassen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

4.1.

De Seed Capital-regeling

Verdachte wordt door het openbaar ministerie verweten dat hij – al dan niet als feitelijk leidinggevende van TCV – strafbare feiten heeft gepleegd met betrekking tot zijn deelname aan de Seed Capital-regeling. Deze regeling is door het Ministerie van Economische Zaken (hierna: het Ministerie) opgezet om innovatieve ondernemingen op technologisch en creatief gebied (zogenoemde technostarters) te ondersteunen bij het verkrijgen van risicokapitaal. De regeling biedt de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een technostarter voor 50 procent te financieren met een lening van het Ministerie. De overige 50 procent van de investering moet worden gedaan door het fonds. De lening wordt renteloos verstrekt en het fonds is niet verplicht tot aflossing of terugbetaling. Wel moet het fonds een percentage van de inkomsten betalen aan het Ministerie. Een dergelijk fonds, genaamd TCV, is in 2011 in overleg met het Ministerie door verdachte opgericht.

4.2.

De verdenking

TCV heeft in de periode van 23 november 2011 tot en met 6 september 2012 viermaal een geldbedrag van het Ministerie ontvangen middels een daartoe ingediend opnameformulier. TCV wordt (onder feit 2) verweten dat zij de formulieren onjuist heeft ingevuld en nooit de intentie heeft gehad om ten aanzien van deze geldbedragen de overige 50 procent van de investering te voldoen. Daarmee heeft zij het Ministerie opgelicht. Verdachte zou aan deze gedragingen feitelijk leiding hebben gegeven, dan wel deze tezamen en in vereniging met TCV hebben gepleegd. Als deze feiten niet bewezen kunnen worden, wordt verdachte verweten dat hij de geldbedragen heeft verduisterd. De door TCV ontvangen geldbedragen zouden vervolgens zijn witgewassen (feit 3). Verdachte zou aan deze gedragingen feitelijk leiding hebben gegeven, dan wel deze feiten tezamen en in vereniging met TCV hebben gepleegd. Ten slotte wordt TCV verweten dat zij opzettelijk een vals of vervalst aandeelhoudersverslag naar het Ministerie heeft gestuurd, om de schijn te wekken dat TCV voldeed aan de hiervoor genoemde vereisten van de investering. Verdachte zou aan deze gedragingen feitelijk leiding hebben gegeven, dan wel deze tezamen en in vereniging met TCV hebben gepleegd.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle primair ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij – kort samengevat – de volgende onderbouwing gegeven.

5.1.1.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk een vals aandeelhoudersverslag naar het Ministerie heeft verzonden. Dit document wordt verstuurd nadat het Ministerie herhaaldelijk heeft gevraagd naar de gedane investeringen en de voortgang. De in het document genoemde investeringen komen niet overeen met de op dat moment daadwerkelijk gedane investeringen. Daarmee heeft verdachte een valse voorstelling van zaken gegeven. Op 13 augustus 2013 verstuurt verdachte hetzelfde document nogmaals naar het Ministerie. De gehele ten laste gelegde periode kan daarom bewezen worden.

5.1.2.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Bewezen kan worden dat TCV het Ministerie viermaal heeft opgelicht. In de periode van 23 november 2011 tot en met 6 september 2012 heeft TCV vier opnameformulieren bij het Ministerie (meer in het bijzonder bij het daartoe bevoegde AgentschapNL) ingediend. Bij het indienen van deze opnameformulieren heeft TCV opzettelijk misleidend de suggestie gewekt dat:

  • -

    de private kapitaalverstrekkers eveneens hadden geïnvesteerd of zouden gaan investeren;

  • -

    er geen belangenconflicten waren; en

  • -

    het verkregen geld conform de regeling zou worden aangewend.

5.1.3.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

Bewezen kan worden dat TCV geldbedragen van in totaal € 750.000,- heeft witgewassen. Dit zijn de ontvangen geldbedragen naar aanleiding van het indienen van de opnameformulieren voor FiberXS (tweemaal) en Cloudcompanyon. De geldbedragen zijn overgedragen, omgezet en gebruikt.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is – kort samengevat – de volgende onderbouwing gegeven.

5.2.1.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

In het aandeelhoudersverslag wordt een overzicht van de participaties vermeld, maar nergens in het document wordt gesteld dat de in dat kader genoemde bedragen daadwerkelijk overgemaakte gelden betreffen. De opgegeven waarden betreffen de met de technostarters en het Ministerie overeengekomen budgetten. Met de verzending van het document werd beoogd een overzicht te geven van de lopende investeringen. Het stuk is derhalve niet vals en is door het Ministerie verkeerd geïnterpreteerd.

5.2.2.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Het Ministerie was op basis van de leningsovereenkomst met TCV verplicht om het leningsbedrag over te maken. De ten laste gelegde oplichtingsmiddelen hebben daarop geen enkele invloed gehad. Bij gebrek aan causaal verband moet verdachte worden vrijgesproken.

De stelling dat de opnameformulieren de indruk zouden wekken dat er al geldbedragen door TCV waren geïnvesteerd, is onjuist. Ten tijde van het indienen van de opnameformulieren was het Ministerie bekend met het gegeven dat dit feitelijk onmogelijk was. Dat er in de opnameformulieren onder ‘huidige storting’ een bedrag is ingevuld dat op dat moment nog niet was gestort, is conform de door het Ministerie gegeven instructies.

De suggestie dat TCV nooit voornemens is geweest om de investering van het Ministerie te ‘matchen’ kan niet worden bewezen. TCV had nog de gehele looptijd van de regeling (in ieder geval 4 jaar) de mogelijkheid om aan haar verplichting te voldoen.

Verder kan niet worden bewezen dat TCV geen recht had op een geldlening in het kader van de Seed Capital-regeling. Van een belangenconflict is geen sprake geweest.

Het meer subsidiair ten laste gelegde (verduistering) kan eveneens niet worden bewezen. Verdachte was middellijk aandeelhouder en bestuurder van Three Circles Management (TCM) en was in die hoedanigheid bevoegd om geldbedragen over te maken naar zijn eigen bankrekeningen. Van wederrechtelijke toe-eigening is daarom geen sprake. Daarnaast blijkt uit het door de verdediging overgelegde accountantsrapport dat verdachte bijna € 260.000,- heeft uitgegeven aan onkosten voor TCV. Dit bedrag is slechts gedeeltelijk gecompenseerd met de overschrijvingen.

5.2.3.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte de geldbedragen door middel van oplichting heeft verkregen, kan eveneens niet worden bewezen dat hij deze bedragen heeft witgewassen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Betrokken partijen en de geldleningsovereenkomst

Op 9 augustus 2011 wordt de onderneming TCV opgericht. De onderneming wordt vanaf dat moment bestuurd door de rechtspersoon TCM.2 Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat verdachte – eveneens vanaf 9 augustus 2011 – zelfstandig directeur van TCM is.3

In februari 2011 is reeds door TCV (in oprichting) en de Staat der Nederlanden een geldleningsovereenkomst gesloten. De basis voor deze overeenkomst is de toenmalige Subsidieregeling starten, groeien en overdragen ondernemingen (regeling SGO).4 Hoofdstuk 4 van deze subsidieregeling regelt de subsidiemogelijkheid voor Seed Capital technostarters. In artikel 4.3 van deze regeling is opgenomen dat subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. In de toelichting bij dit hoofdstuk is onder meer het volgende opgenomen:

Dit hoofdstuk biedt participatiefondsen de mogelijkheid een lening van de Minister van Economische Zaken te verkrijgen voor het verkrijgen van participaties in technostarters. Een fonds kan op deze wijze maximaal 50 procent van de investeringen financieren met de lening. 5

De Staat verstrekt TCV ten behoeve van het verkrijgen van participaties in technostarters een renteloze geldlening tot een bedrag van € 4.000.000,- met een looptijd van 10 jaar. Geldbedragen voor een technostarter kunnen per half kalenderjaar tot een maximum van € 500.000,- worden opgenomen middels het zogenoemde opnameformulier. Dit op te nemen bedrag moet tot dezelfde hoogte door het startersfonds worden ingebracht.6

De partijen komen overeen dat TCV steeds binnen zes maanden (na afloop van een periode van 12 maanden) aan de Staat schriftelijk verslag uitbrengt over de uitvoering van het fondsplan. De geldleningsovereenkomst wordt namens TCV en TCM door verdachte ondertekend.7

Opnameformulieren

In de periode tussen 23 november 2011 en 21 augustus 2012 wordt door verdachte (namens TCV) viermaal een opnameformulier ingediend.

Het eerste opnameformulier dateert van 23 november 2011 en heeft betrekking op een participatie in de technostarter FiberXS ter hoogte van € 500.000,-. Het gevraagde bedrag is derhalve € 250.000,-.8 Dit bedrag wordt op 15 december 2011 op de bankrekening van TCV gestort en twee dagen later overgemaakt naar FiberXS.9 Op 22 en 23 december 2011 wordt het bedrag via de bankrekeningen van de ondernemingen VentureWells en TCM teruggeboekt naar de bankrekening van TCV. Vervolgens stort TCV het geldbedrag nogmaals op de bankrekening van FiberXS.10

Het tweede opnameformulier dateert van 24 november 2011 en heeft betrekking op een participatie in de technostarter [naam 1] ter hoogte van € 200.000,-. Het gevraagde bedrag is derhalve € 100.000,-.11 Dit bedrag wordt op 15 december 2011 op de bankrekening van TCV gestort en op 28 december 2011 overgemaakt naar [naam 1] .12 Een geldbedrag van € 40.000,- wordt op 31 december 2011 door [naam 1] overgemaakt naar Square Next B.V. Op dezelfde dag maakt Square Next B.V. twee geldbedragen van € 20.000,- over naar respectievelijk [naam 2] en Storm Invest.13 De bestuurder van [naam 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in opdracht van verdachte het bedrag van € 40.000,- heeft overgeboekt.14

Het derde opnameformulier dateert van 25 juni 2012 en heeft betrekking op een tweede participatie in FiberXS ter hoogte van € 500.000,-. Het gevraagde bedrag is derhalve € 250.000,-.15 Dit bedrag wordt op 19 juli 2012 op de bankrekening van TCV gestort en op 23 juli 2012 overgemaakt naar FiberXS. Op 23 en 24 juli 2012 wordt het bedrag via de bankrekeningen van de ondernemingen VentureWells en TCM teruggeboekt naar de bankrekening van TCV. Vervolgens stort TCV het geldbedrag nogmaals op de bankrekening van FiberXS. FiberXS maakt vervolgens op 24 juli 2012 een bedrag van € 50.000,- over aan medeverdachte [medeverdachte] . Tevens wordt een bedrag van € 50.000 via VentureWells naar TCM overgemaakt.16

Het vierde opnameformulier dateert van 21 augustus 2012 en heeft betrekking op een participatie in de technostarter CloudCompanyon ter hoogte van € 500.000,-. Het gevraagde bedrag is derhalve € 250.000,-.17 Dit bedrag wordt op 6 september 2012 op de bankrekening van TCV gestort en op dezelfde dag overgemaakt naar CloudCompanyon. Op 9 en 10 september 2012 wordt het bedrag via de bankrekeningen van VentureWells en TCM teruggeboekt naar de bankrekening van TCV. Vervolgens stort TCV het geldbedrag nogmaals op de bankrekening van CloudCompanyon. Daarbij wordt de beschrijving ‘tbv participatie TCV 2 BV’ gegeven. Op 11 september 2012 wordt door CloudCompanyon een bedrag van € 150.000,- overgemaakt aan VentureWells en een bedrag van € 75.000,- overgemaakt aan TCM. Op 12 september 2012 maakt CloudCompanyon nogmaals een bedrag van € 100.000,- over aan VentureWells. Op 13 september 2012 maakt VentureWells tweemaal een bedrag van € 50.000,- over aan medeverdachte [medeverdachte] .

Overlegging van het aandeelhoudersverslag

Op 31 oktober 2012 verstuurt verdachte per e-mail een aandeelhoudersverslag van TCV over het derde kwartaal van 2012 naar [naam 3] , werkzaam bij het Ministerie. In dit document worden ten aanzien van een tiental technostarters geldbedragen genoemd, onder het kopje ‘Status TCV 2 per 30 september 2012 (einde jaar 2)’.

Uit onderzoek naar de in het aandeelhoudersverslag genoemde bedragen blijkt dat er ten aanzien van vijf technostarters verschillen zijn tussen de genoemde bedragen en de daadwerkelijk gestorte bedragen. Het verschil bedraagt € 846.600,-.

5.3.1.

Oordeel ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Daartoe wordt overwogen dat niet is komen vast te staan dat het in de tenlastelegging genoemde document vals of vervalst is. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het document niet ontegenzeggelijk volgt dat de genoemde bedragen alle reeds geëffectueerd waren. Verdachte heeft gesteld dat het niet zijn bedoeling was om die indruk te wekken en dat het stuk bedoeld was voor de aandeelhouders. Voor het ondersteunen van de stelling dat het stuk wel met die bedoeling en strekking werd opgemaakt en verstuurd, is nadere motivering nodig, die uit de overige inhoud van het document (en het dossier) niet is gebleken.

5.3.2.

Oordeel ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde

Zoals hiervoor reeds is benoemd, heeft TCV viermaal een opnameformulier ingediend bij het Ministerie. Ten laste is gelegd dat TCV opzettelijk onjuist heeft ingevuld dat:

  • -

    hij eigen geldelijke middelen had ingebracht of zou inbrengen;

  • -

    de genoemde participaties daadwerkelijk tot die bedragen hadden plaatsgevonden; en

  • -

    hij recht had op een geldlening in het kader van de regeling SGO.

De rechtbank stelt voorop dat niet iedere tekortkoming in civielrechtelijke zin door de wetgever binnen het bereik van het strafrecht is gebracht. Bezien zal worden of de vastgestelde gedragingen van TCV en verdachte van voldoende gewicht zijn om als oplichting te worden gekwalificeerd. In dat kader moet worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld volgens een tevoren bedachte – bedrieglijke – werkwijze, die erop gericht was het Ministerie te bewegen tot afgifte van de geldbedragen.

Inbreng van eigen geldelijke middelen en daadwerkelijke participaties

Op de opnameformulieren is door TCV een bedrag ingevuld in de categorie ‘Huidige storting door het Startersfonds i.v.m. de participatie’. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier – en in het bijzonder de geldleningsovereenkomst en de opnameformulieren – niet is vast te stellen welke waarde hier door TCV moest worden ingevuld. De hier ingevulde bedragen kunnen derhalve niet tot de conclusie leiden dat TCV opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke zin) een onjuiste voorstelling van zaken heeft gecreëerd, waardoor het Ministerie werd bewogen tot afgifte van de geldbedragen.

Recht op een geldlening in het kader van de regeling SGO

Op de opnameformulieren is aangekruist dat er geen sprake is van betrokkenheid van een partij, bestuurder of beheerder van het startersfonds met de betreffende technostarter. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat (verdachte namens) TCV opzettelijk foutieve informatie heeft gegeven met het doel om het Ministerie te bewegen de geldbedragen af te geven.

Voornemen om eigen geldelijke middelen in te brengen

Blijkens de geldleningsovereenkomst was TCV bij het aanvragen van geldbedragen gehouden om een geldbedrag van gelijke hoogte in de technostarter te investeren. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van het dossier niet is gebleken op welk moment TCV de private investering (uiterlijk) moest voldoen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of uit de gedragingen van TCV is gebleken dat zij nooit van plan is geweest om de private investering te voldoen en zij, bij het indienen van de opnameformulieren, voornemens was om bedrieglijk te handelen en daarmee een onjuiste voorstelling van zaken wilde creëren.

In dat kader blijkt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden dat met betrekking tot het eerste, derde en vierde opnameformulier sprake is geweest van een zogenoemd ‘kasrondje’, waarbij de ontvangen geldbedragen in een relatief korte periode via meerdere ondernemingen zijn overgemaakt om uiteindelijk tweemaal op de bankrekening van de betreffende technostarter te worden gestort. Verdachte heeft verklaard dat de bedragen na ontvangst zijn uitgeleend aan de verschillende ondernemingen, maar heeft hiervoor geen onderbouwing gegeven of onderliggende stukken zoals geldleningsovereenkomsten overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat TCV kennelijk bij het overboeken van deze geldbedragen de schijn heeft willen wekken dat er, naast de investering van het Ministerie, eveneens een private investering van gelijke hoogte plaatsvond. Gelet op de bedragen die bij het tweede, derde en vierde opnameformulier naar bankrekeningen van derden zijn overgemaakt, heeft TCV de onjuiste voorstelling van zaken in het leven willen roepen om daarvan misbruik te maken.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat TCV reeds bij het indienen van de opnameformulieren voornemens was om zoals hierboven beschreven te handelen en daarmee het Ministerie te bewegen tot afgifte van de geldbedragen.

Met betrekking tot het indienen van het eerste opnameformulier zijn er onvoldoende feiten en omstandigheden bekend die dat oordeel zouden kunnen ondersteunen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte ten tijde van het indienen van het opnameformulier in financiële problemen verkeerde, is niet gebleken dat hij (al dan niet via TCV) op dat moment het voornemen had om het Ministerie op te lichten. Het gegeven dat er rondom deze transactie geen geldbedragen naar (privé)rekeningen van derden zijn gegaan is in dat kader eveneens een contra-indicatie.

Een bewezenverklaring voor het tweede opnameformulier kan eveneens niet volgen, nu er met betrekking tot het ontvangen geldbedrag geen kasrondje heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht evenwel bewezen dat TCV het Ministerie met betrekking tot het derde en vierde opnameformulier heeft opgelicht. Daartoe wordt overwogen dat TCV met betrekking tot deze opnameformulieren heeft gehandeld volgens dezelfde bedrieglijke werkwijze als bij het eerste opnameformulier, te weten het kasrondje. De van het Ministerie ontvangen geldbedragen zijn vervolgens (gedeeltelijk) ten gunste gekomen van ondernemingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat TCV reeds bij het indienen van het opnameformulier voornemens is geweest om na het verkrijgen van de gelden een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en daarmee onder de verplichting van de private investering uit te komen.

Feitelijk leidinggeven

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de ten laste gelegde gedragingen van TCV. Voor strafbaarheid van een rechtspersoon is vereist dat de ten laste gelegde gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden, dan wel is verricht, in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat is gehandeld door de bestuurder van TCV (verdachte) en dat het aanvragen van subsidie past in haar normale bedrijfsvoering. Verder zijn de gedragingen van TCV dienstig geweest in haar taakuitoefening en vermocht TCV te beschikken of de gedragingen plaatsvonden. Zij kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het ten laste gelegde feit, neemt de rechtbank de in dit verband door de Hoge Raad geformuleerde criteria als uitgangspunt.18 Daarvan is sprake indien hij maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd. Nu verdachte als bestuurder uitvoering heeft gegeven aan de ten laste gelegde gedragingen, merkt de rechtbank hem als feitelijk leidinggevende aan.

5.3.3.

Oordeel ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat de geldbedragen die TCV door middel van het derde en vierde opnameformulier heeft verkregen afkomstig zijn van oplichting. Het totaal van deze geldbedragen is € 500.000,-. Deze bedragen zijn vervolgens overgedragen aan meerdere ondernemingen om de criminele herkomst te verhullen.

De rechtbank stelt vast dat deze gedragingen eveneens aan TCV kunnen worden toegerekend, nu deze zijn verricht door de bestuurder (verdachte) en derhalve vermocht te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden. Nu verdachte als bestuurder uitvoering heeft gegeven aan de ten laste gelegde gedragingen, merkt de rechtbank hem als feitelijk leidinggevende aan.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde

Three Circles Ventures 2 B.V. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 juni 2012 tot en met 6 september 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen iemand, te weten AgentschapNL, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,

immers hebben Three Circles Ventures 2 B.V. en haar mededader – ter verkrijging van een geldlening in het kader van de Regeling SGO – een opnameformulier Regeling SGO bij AgentschapNL ingediend, dat in strijd met de waarheid inhield dat

-Three Circles Ventures 2 B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan Fiber XS Holding B.V. in verband met een participatie in deze technostarter; en

-Three Circles Ventures 2 B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan CloudCompanyon B.V. in verband met een participatie in deze technostarter,

waardoor Three Circles Ventures 2 B.V. en haar mededaders de suggestie hebben gewekt dat

-Three Circles Ventures 2 B.V. en haar mededaders conform de geldleningsovereenkomst met kenmerk SEED1103I4LDU (Doc-066-001) voor het verkrijgen van participaties eigen geldelijke middelen zou inbrengen in het investeringsbudget van die technostarters,

waardoor AgentschapNL is bewogen tot de uitbetaling van geldleningen ten bedrage van 500.000 euro,

aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde

Three Circles Management B.V. en Three Circles Ventures 2 B.V., in de periode van 19 juli 2012 tot en met 21 december 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 500.000 euro voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk – afkomstig waren van oplichting,

aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1. primair, 2. primair en 3. primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen vrijheidsstraf moet worden opgelegd. Verdachte heeft geen financieel voordeel aan de feiten overgehouden en het benadelingsbedrag zal waarschijnlijk nihil zijn. Daarnaast heeft de zaak veel publiciteit gegenereerd, waardoor de goede naam van verdachte is aangetast.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, als feitelijk leidinggevende van TCV, schuldig gemaakt aan oplichting van het Ministerie van Economische Zaken. Hiermee heeft hij aan de maatschappij toebehorende geldbedragen verworven. Vervolgens heeft verdachte geprobeerd om zijn bedrieglijke werkwijze te verhullen en gedeelten van de ontvangen gelden privé te besteden. Hij heeft daarmee op kwalijke wijze misbruik gemaakt van een overheidsregeling die erop gericht was startende technologische bedrijven te financieren. Door dit misbruik is er niet alleen minder in de desbetreffende bedrijven geïnvesteerd, maar zijn private investeerders in startersfondsen die wel conform de regels hebben gehandeld benadeeld. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend en daarmee laten blijken dat hij geen verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn handelen.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank in aanmerking een uittreksel van de Justitiële Documentatie van 25 september 2019, betreffende verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Recht op berechting binnen een redelijke termijn en aanvang van die termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de redelijke termijn is aangevangen op de datum van de doorzoeking van de woning van verdachte, te weten 29 juni 2016. Het eindvonnis in eerste aanleg had daarom uiterlijk op 29 juni 2018 moeten worden gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met een jaar en vijf maanden, overschreden. Niet is gebleken van hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Een gedeelte van 5 maanden zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank wijkt in matigende zin af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vordert € 2.300.000,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de hoogte van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2. primair en 3. primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde

medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde

medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart Rijksdienst voor Ondernemend Nederland niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een geschrift, zijnde een uittreksel van de KvK betreffende TCV, DOC-0636.

3 Een geschrift, zijnde een uittreksel van de KvK betreffende TCM, DOC-0639.

4 Staatscourant 31 december 2009, nr. 20231.

5 6.2.1 toelichting Seed Capital technostarters behorende bij hoofdstuk 4. van de regeling SGO.

6 Verhoor van de getuige [naam 3] bij de rechter-commissaris d.d. 8 februari 2019 (ongenummerd).

7 Een geschrift, zijnde een geldleningsovereenkomst tussen TCV en de Staat der Nederlanden, p. 536-549.

8 Een geschrift, zijnde een Opnameformulier regeling SGO d.d. 23/11/2011, DOC 000741-000742.

9 Een geschrift, zijnde een bankafschrift van ABN AMRO d.d. 30-12-2011, DOC 00374-00375.

10 PVB, p. 00126-00128.

11 Een geschrift, zijnde een opnameformulier regeling SGO d.d. 24/11/2011, DOC 064-003-004.

12 Een geschrift, zijnde een bankafschrift van ABN AMRO d.d. 30-12-2011, DOC 00076-00078.

13 PVB, p. 00135-00137.

14 Verhoor van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 11/07/2016, p. 0444-0447.

15 Een geschrift, zijnde een opnameformulier regeling SGO d.d. 25/06/201, DOC 000737-000738.

16 PVB, p. 00126-130.

17 Een geschrift, zijnde een opnameformulier regeling SGO d.d. 21 augustus 2012, DOC 000745-000746.

18 ECLI:NL:HR:2016:733.