Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8649

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
AWB 19-2590
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in beroep gegaan tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een woonhuis. Hij vindt – samengevat - dat het college bij de vergunningverlening onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijke toekomstige exploitatie van een jachthaven in de buurt van het woonhuis. De rechtbank geeft eiser echter geen gelijk en verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2590

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [plaatsnaam] , vergunninghouder

(gemachtigde: [naam] ).

Partijen worden hierna [eiser] , het college en vergunninghouder genoemd.

Procesverloop

Met een besluit van 21 september 2018 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met berging en carport.

Met een besluit van 26 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen de omgevingsvergunning gegrond verklaard. Het college handhaaft de omgevingsvergunning onder een aanvullende motivering.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op een zitting van 17 oktober 2019. [eiser] is verschenen (zonder zijn gemachtigde). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door collega [naam] . Namens vergunninghouder is [naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig: [naam] (een collega van de gemachtigde van vergunninghouder) en [naam] en [naam] ( [naam] van het woonhuis).

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Vergunninghouder heeft op 17 mei 2018 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonhuis met berging en carport op het perceel [naam] , kavel [nummer] , te [woonplaats] (hierna: kavel [nummer] ). Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [naam] ’ (het bestemmingsplan). Het college heeft de omgevingsvergunning verleend.

2. [eiser] bezit een perceel waarop het planologisch mogelijk is om een jachthaven te exploiteren. Dit perceel ligt in de buurt van kavel [nummer] . [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

3. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard. De omgevingsvergunning wordt wel gehandhaafd, maar wordt aanvullend gemotiveerd op het onderwerp ‘geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai’. Het college heeft het bestreden besluit onderbouwd met rapporten en memo’s van [naam] , namelijk het rapport van 28 juli 2016 met de titel ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai ten behoeve van bouwlocatie [naam] te [woonplaats] ’, het rapport van 31 juli 2018 met de titel ‘Nieuwbouw woningen [naam] te [woonplaats] Geluidwering gevel kavel [nummer] ’ en de memo’s van 18 september 2018 en 4 februari 2019.

De termijn om te beslissen op een aanvraag

4. [eiser] voert aan dat het college buiten de beslistermijn op de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft beslist. Het college heeft namelijk twee keer de beslistermijn verlengd, terwijl dit maar één keer is toegestaan.

5. De termijn om te beslissen op een aanvraag zoals in deze zaak is acht weken.1 Deze termijn kan eenmalig verlengd worden met zes weken.2 De termijn voor het geven van een beschikking kan ook worden opgeschort, wanneer de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend.3

6. Met een brief van 12 juli 2018 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd. De vergunninghouder heeft in een e-mailbericht van 14 augustus 2018 aan het college gevraagd om de beslistermijn op te schorten met vier weken. In een brief van 14 augustus 2018 heeft het college dit verzoek ingewilligd.

7. De tweede keer dat de uiterlijke beslisdatum is opgeschoven, is aan vergunninghouder toe te rekenen. Het college heeft dus niet twee keer de beslistermijn verlengd, maar heeft één keer de termijn verlengd en één keer de termijn opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank is er is dus geen strijd met de regel dat de beslistermijn maar één keer verlengd mag worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De rapporten en memo’s van [naam] als onderbouwing van de omgevingsvergunning

8. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het rapport van 28 juli 2016 niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd mag worden. Dit rapport was ten tijde van de vergunningverlening ouder dan twee jaar, terwijl een adviesrapport volgens de voorschriften niet ouder mag zijn dan twee jaar.

9. [eiser] heeft niet gespecificeerd op welke voorschriften hij zich baseert. Voor zover hij zich beroept op artikel 3.1a van de Wabo slaagt dit betoog niet. Dit artikel sluit namelijk niet uit dat het college zich mag baseren op een rapport ouder dan twee jaar.

10. [eiser] stelt zich ook op het standpunt dat de memo van 18 september 2018 niet als onderbouwing voor het verlenen van de omgevingsvergunning gebruikt mag worden. De memo heeft volgens hem betrekking op het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol en gaat dus niet over industrielawaai. Ook heeft het rapport volgens [eiser] alleen betrekking op de woning op kavel [nummer] . De memo is dus geen geluidsrapport over kavel [nummer] , zoals benodigd volgens artikel 8.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan.

11. De rechtbank stelt vast dat het college de memo van 18 september 2018 niet ziet als een rapport over industrielawaai. De memo van 18 september 2018 en ook het rapport van 31 juli 2018 onderbouwen namelijk dat voldaan is aan de geldende eisen ten aanzien van geluidsbelasting door Schiphol (en is ook als zodanig door het college gebruikt). De stelling van [eiser] dat de memo van 18 september 2018 alleen op kavel [nummer] ziet, mist feitelijke grondslag. Het gaat hierin juist om kavel [nummer] . De rechtbank merkt in dit verband ten slotte op dat de normen in het Luchthavenindelingsbesluit alleen tot bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van het woonhuis strekken. Als [eiser] heeft willen aanvoeren dat de memo van 18 september 2018 niet geschikt is voor de onderbouwing van de omgevingsvergunning, kan dit vanwege het relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.4

12. [eiser] heeft verder in zijn beroepschrift opgemerkt dat de resultaten van het rapport van 28 juli 2016 afwijken van het rapport van [naam] van 3 april 2012. Omdat laatstgenoemd rapport niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, laat de rechtbank de opmerkingen van [eiser] hierover buiten beschouwing.

De inhoud van de rapporten

13. In de rapporten wordt er volgens [eiser] ten onrechte vanuit gegaan dat er geen jachthaven op de [adres] geëxploiteerd zal worden.

14. Deze stelling mist ook feitelijke grondslag. Uit het rapport van [naam] van 28 juli 2016 blijkt juist dat er wél rekening is gehouden met de eventuele realisatie van een jachthaven op het perceel van [eiser] .

15 . [eiser] voert verder aan dat de maatregelen die in de rapporten aangedragen worden om aan de geluidgrenswaarden te voldoen, geen oplossing kunnen bieden voor de overschrijding van de geluidswaarden in de woningen. De geluidoverschrijding zal dus blijven bestaan.

16. De vraag of de aangedragen maatregelen een oplossing kunnen bieden, is in deze zaak niet relevant. Die maatregelen zijn aangedragen voor kavels waar een geluidsoverschrijding zal zijn. Op kavel [nummer] is echter geen sprake van geluidsoverschrijding5, dus hoeven er ook geen maatregelen te worden genomen.

17. [eiser] stelt zich ook op het standpunt dat de glasdikte van de ramen van het woonhuis op kavel [nummer] niet voldoet aan de minimale geluidsdikte die in de memo van 4 februari 2019 wordt voorgeschreven.

18. De rechtbank overweegt dat de voorschriften in het Bouwbesluit 2012 over glasdikte niet strekken ter bescherming van de belangen van [eiser] , maar van de bewoners van het woonhuis. Deze beroepsgrond stuit daarom af op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb.

19. [eiser] vindt verder dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de grote oppervlakte water rondom zijn perceel met bestemming jachthaven. Omdat geluid verder draagt over water, zal er meer geluidsoverlast van industrielawaai zijn dan in een situatie zonder water of met een minder grote oppervlakte water.

20. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat er wel rekening met de wateroppervlaktes is gehouden. Water wordt namelijk in het rekenmodel ingevoerd als ‘hard’. Op de zitting heeft het college op een kaart6 laten zien dat al het water onder deze kwalificatie valt. Het betoog van [eiser] slaagt dus niet.

Voorschriften VNG-brochure

21. [eiser] betoogt dat het college de richtafstanden uit de brochure " [naam] " van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure) ten onrechte niet heeft aangehouden.

22. Deze beroepsgrond heeft betrekking op de vaststelling van het bestemmingsplan en kan niet aan de orde komen in deze procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft hier ook al over geoordeeld in een uitspraak van 16 september 2015.7 Volgens de Afdeling heeft de raad van de gemeente Aalsmeer bij het vaststellen van het bestemmingsplan zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de voorziene woningen een goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Onder deze omstandigheden kan worden afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-brochure. Bovendien heeft het college op de zitting terecht opgemerkt dat de richtafstanden uit de VNG-brochure behulpzaam zijn wanneer geluidrapporten ontbreken, maar dat die in dit geval wel voorhanden zijn. Uit de hiervoor reeds besproken rapporten en memo’s volgt dat een goed woon- en leefklimaat is verzekerd op kavel [nummer] . De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn daarom niet relevant.

Cumulatie van geluidsbronnen

23. [eiser] wijst er ook op dat als er twee of meerdere geluidsbronnen zijn, onderzoek moet worden verricht naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer een woning in meer dan één geluidszone ligt, moet het college naast het akoestisch onderzoek naar de individuele geluidsbronnen, ook een akoestisch onderzoek doen naar de samenloop van verschillende geluidsbronnen.8 Het is de rechtbank echter niet gebleken dat de woning in meer dan één geluidszone is gelegen of dat dit in de toekomst zo zal zijn. Het college was dus niet verplicht om onderzoek te doen naar cumulatie van geluid. Ook deze beroepsgrond faalt.

Evidente privaatrechtelijke belemmering

25. [eiser] vindt dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning, omdat bij de uitvoering van de omgevingsvergunning grond van [eiser] is betrokken – zonder dat hij daar toestemming voor heeft gegeven. De gemeente Aalsmeer heeft volgens [eiser] namelijk een deel van de strekdam aan vergunninghouder verkocht, terwijl [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van die strekdam.

26. Het is de rechtbank niet gebleken dat er een relatie bestaat tussen deze stelling van [eiser] en de verleende omgevingsvergunning. Daarnaast bleek op de zitting dat er tussen partijen nog discussie bestaat over de eigendom van de strekdam. Gelet hierop is er geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Deze discussie zal immers zo nodig eerst door de civiele rechter moeten worden beoordeeld.

Conclusie

27. Het college heeft de omgevingsvergunning op goede gronden verleend.

28. Het beroep is ongegrond. [eiser] krijgt dus geen gelijk.

29. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. A.C. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2 Zie artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo.

3 Op grond van artikel 4:15, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4 Zie artikel 8:69a van de Awb. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de rechtbank een besluit alleen vernietigt als een regel is geschonden die daadwerkelijk strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich erop beroept.

5 Dit volgt uit figuur 7 in bijlage A bij het rapport van [naam] van 28 juli 2016.

6 Zie figuur 3 in bijlage A bij het rapport van [naam] van 28 juli 2016.

7 Zie ECLI:NL:RVS:2015:2932, rechtsoverweging 5.7.

8 Dit staat in artikel 110f van de Wet geluidhinder.