Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8558

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
13/730035-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 55-jarige man is veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor poging tot moord op 28 augustus 2018 in het Westelijk Havengebied in Amsterdam en wapenbezit. Ook moet hij 215.715, 84 euro schadevergoeding betalen voor zover zijn medeverdachte dat bedrag al niet heeft betaald. De 55-jarige man heeft geprobeerd het slachtoffer dood te schieten met een volautomatisch aanvalsgeweer. Toen dat geweer het niet deed, ontstond er een worsteling en heeft hij het slachtoffer meermaals met het geweer op zijn hoofd geslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730035-18 (Promis)

Datum uitspraak: 14 november 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [naam] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2019.

De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/728161-18),

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, en de raadsvrouw mr. P. Figge namens de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 28 augustus 2018 in Amsterdam samen met een ander, althans alleen, heeft schuldig gemaakt aan:

1. primair: poging moord/doodslag van [slachtoffer] door in de richting van die [slachtoffer] proberen te schieten met een automatisch vuurwapen en/of terwijl die [slachtoffer] op de grond lag hem met veel kracht met dat vuurwapen op het hoofd te slaan;

subsidiair: zware mishandeling door [slachtoffer] met een vuurwapen op het hoofd te slaan terwijl die [slachtoffer] op de grond lag;

2. het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen (AK-47) en patronen (kaliber 7.62 x 39 mm en/of 9 mm).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage Ⅰ die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de primair ten laste gelegde poging moord in vereniging en het ten laste gelegde wapenbezit in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de voorbedachte rade en van het proberen te schieten op [slachtoffer] . Hij overweegt daartoe als volgt.

Uit de camerabeelden blijkt dat een onbekende man met een geweer op [slachtoffer] kwam aflopen, [slachtoffer] onder schot hield en vervolgens in gevecht raakte met [slachtoffer] . Dit is onvoldoende om tot het bewijs te komen van een vooropgezet plan om iemand van het leven te beroven. Uit de beelden blijkt niet dat er geprobeerd is om te schieten. Dat blijkt evenmin uit het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden.

Het scenario van een beroving kan bovendien niet worden uitgesloten. Vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] een groot geldbedrag in zijn auto had liggen, hetgeen een motief kan zijn voor een beroving. De gebruikte modus operandi, het onder schot houden van iemand met een AK-47, kan een manier zijn waarop een beroving ten uitvoer wordt gelegd.

Daarna werd [slachtoffer] met het wapen op het hoofd geslagen. Dat geweld lijkt een reactie te zijn op de aanval van [slachtoffer] op de man met het wapen en het uit de hand lopen van de beroving. Gelet op de gang der handelingen over en weer in combinatie met de korte duur van het incident, lijkt er geen sprake te zijn van een vooropgezet plan maar van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Ten aanzien van de ten laste gelegde poging doodslag en het ten laste gelegde wapenbezit heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 28 augustus 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, volautomatisch aanvalsgeweer,

- in de richting van die [slachtoffer] heeft getracht te vuren en

- terwijl die [slachtoffer] weerloos op de grond lag die [slachtoffer] met veel kracht met dat vuurwapen meermalen op het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 28 augustus 2018 te Amsterdam,

- een vuurwapen van categorie II, te weten een volautomatisch vuurwapen, type aanvalsgeweer, AK-47, en;

- munitie van categorie II, te weten patronen van kaliber 7,62 x 39 mm

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.4.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 28 augustus 2018 rond 10:18 uur is slachtoffer [slachtoffer] bebloed aangetroffen ter hoogte van de Spyshop op de [adres] .2 Op de plaats delict zijn ook twee patronen aangetroffen3 en in de achterbak van de auto van [slachtoffer] is een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen.4

Op camerabeelden is te zien dat [slachtoffer] zijn auto om 09:57:29 uur bij de Spyshop parkeert, uitstapt en handelingen verricht in de achterbak van het voertuig.5 Op de beelden is te zien dat kort achter de auto van het slachtoffer, om 09:57:48 een gestolen6 Audi Q5 met kenteken [kenteken] rijdt. Op beelden is te zien dat het lijkt alsof de Audi achter de auto van het slachtoffer aanrijdt.7 Achteraf blijkt dat deze auto al vanaf 09:20 uur rond reed in de omgeving van de Moezelhavenweg. Vermoedelijk werden er rondjes gereden om de omgeving te observeren.8De Audi komt op ongeveer 30 meter van het voertuig van het slachtoffer op de hoek van de Moezelhavenweg tot stilstand.9 Op het moment dat de Audi stil staat, stapt de bijrijder (hierna te noemen: de dader) uit en rent hij met zijn geweer in de hand richting de auto van het slachtoffer. Vervolgens loopt de dader op het slachtoffer af terwijl hij een vuurwapen voor schieten gereed houdt in de richting van het slachtoffer. Te zien is dat de dader naast de achterbak van de Hyundai stil staat en dat hij en het slachtoffer ongeveer tien seconden tegenover elkaar stil staan. Daarna geeft hij een trap in de richting van het slachtoffer en hierna vindt een worsteling plaats. Tijdens deze worsteling duwt het slachtoffer de dader weg, waarop de dader met het vuurwapen tegen het gezicht van het slachtoffer slaat. Hierdoor valt het slachtoffer op de grond. Vervolgens probeert het slachtoffer rechtop te zitten, waarop de dader het slachtoffer in zijn rug trapt. Direct hierna slaat de dader met het vuurwapen tegen het achterhoofd van het slachtoffer. Dit gebeurt met dusdanige kracht dat het vuurwapen uit zijn handen op de grond valt. Wanneer het slachtoffer gebukt met zijn hoofd richting de bijrijder op zijn knieën zit, tilt de bijrijder het vuurwapen tot ver boven zijn hoofd en slaat hij twee keer met de achterzijde van het vuurwapen op het achterhoofd van het slachtoffer. Het lijkt erop alsof het slachtoffer daarna buiten bewustzijn is. Vervolgens slaat de dader nog vijf keer op dezelfde manier met het vuurwapen op het achterhoofd (linkerzijde) van het slachtoffer, de eerste keer vanuit staande positie en de vier keren daarna uit een geknielde positie. Daarna rent de dader weg en tijdens het wegrennen draait hij zich kort en ogenschijnlijk twijfelend terug naar het slachtoffer, waarna hij toch doorrent.10 De dader stapt weer in aan de bijrijderskant van de Audi Q5, die in de tussentijd is omgekeerd, waarna de Audi direct wegrijdt.11

Naar aanleiding van een burgernetmelding komt op 28 augustus 2018 een anonieme melding binnen dat de Audi Q5 met kenteken [kenteken] al vanaf 10:30 uur die dag foutief geparkeerd zou staan aan de A.A.H. Struijckenkade 6 in Amsterdam.12

Op camerabeelden van de [adres 1] is te zien dat op 28 augustus 2018 om 10:00 uur twee personen voor deze woning langs lopen. Zij komen uit de richting van waar de Audi is achtergelaten.13 De persoon die links op de camerabeelden te zien is, wordt door meerdere personen herkend als verdachte.14 Verdachte heeft twee plastic tassen in zijn hand: één tas van de V&D en één tas met bolletjesprint. De tweede persoon die op de beelden te zien is draagt een trui van het merk FILA, een donkere trainingsbroek en donkere schoenen met lichte zolen, vermoedelijk van het merk Nike, en hij heeft een capuchon over zijn hoofd. Omdat deze persoon vrij dik gekleed is, ontstaat het vermoeden dat hij een dubbele laag kleding draagt.15 Verdachte en de tweede persoon lopen de tuin in16 die hoort bij de woning aan de [adres 2] .17 Aan de bewegingen te zien die de tweede persoon dan maakt, lijkt het erop alsof deze persoon kleding uittrekt. Ongeveer vier minuten later loopt deze persoon in andere kleding de tuin weer uit.18 Hij draagt dan een trainingspak van voetbalclub FC Barcelona.19

Op 29 augustus 2018 wordt de woning aan de [adres 2] doorzocht. Tijdens deze doorzoeking wordt in de woning in de slaapkamer van [naam 1]20 een plastic tas van de V&D en een tas met bolletjesprint aangetroffen. In de tas van de V&D zit onder andere een wapen (AK-47, volautomatisch aanvalsgeweer, categorie Ⅱ21), en een aantal patronen (7,62 x 39 mm, categorie Ⅱ22). In de tas met bolletjesprint wordt een aantal kledingstukken waaronder een trui van het merk FILA, een vest van het merk Nike en een donkere trainingsbroek aangetroffen.23 Volgens [naam 1] kan het niet anders dan dat verdachte deze tassen daar heeft neergelegd.24 In de voorraadkast in de gang werd onder andere een dichtgeknoopte vuilniszak aangetroffen met daarin een paar herenschoenen, bruin/crème van kleur met daarop vermoedelijk bloedvlekken.25 Dit zijn dezelfde soort schoenen als die de dader droeg op de plaats delict.26 Op deze schoenen is aan de buitenzijde DNA-materiaal aangetroffen van slachtoffer [slachtoffer] . Aan de binnenzijde van deze schoenen is DNA-materiaal aangetroffen van verdachte.27 Ook op de AK-47 in de tas van de V&D is DNA-materiaal aangetroffen van [slachtoffer] .28 Op de trui van het merk FILA, het vest van Nike en de donkere trainingsbroek is DNA-materiaal aangetroffen van [medeverdachte] .29 Naar aanleiding daarvan is [medeverdachte] aangemerkt als verdachte.30 Op 8 januari 2019 is [medeverdachte] aangehouden in de woning aan de [adres 3] . In die woning is ook een trainingspak van FC Barcelona aangetroffen, dat overeenkomt met het trainingspak dat de tweede man droeg op de camerabeelden van de [adres 1] .31 Uit een vezelonderzoek naar deze trainingsbroek van FC Barcelona en de donkere joggingbroek met DNA-materiaal van [medeverdachte] die in de woning aan de [adres 2] is aangetroffen, blijkt dat het veel waarschijnlijker is dat contact tussen deze broeken heeft plaatsgevonden, dan dat een dergelijk contact niet heeft plaatsgevonden. Verder blijkt dat het aannemelijk is dat de paarse FC Barcelona broek over de donkere joggingbroek (van het merk Nike) is gedragen. Niet uitgesloten wordt echter dat de volgorde van dragen andersom was.32

3.5.

Oordeel van de rechtbank

Betrokkenheid verdachte

De rechtbank acht bewezen dat verdachte degene is geweest die op 28 augustus 2018 meermalen met veel kracht met het vuurwapen op het hoofd van slachtoffer [slachtoffer] heeft geslagen. De rechtbank baseert dat oordeel op de volgende feiten en omstandigheden.

Op de camerabeelden van de plaats delict is te zien dat de dader een paar bruine schoenen droeg dat grote gelijkenis toont met het paar schoenen dat later in de woning aan de [adres 2] is aangetroffen. Op die schoenen is DNA-materiaal van zowel het slachtoffer als verdachte aangetroffen. De rechtbank concludeert daaruit dat dit het paar schoenen is dat de dader heeft gedragen tijdens de poging moord/doodslag. In die woning zijn ook twee tassen aangetroffen. In één van de tassen is een AK-47 aangetroffen waarop DNA-materiaal van het slachtoffer is aangetroffen. Op camerabeelden van de [adres 1] , waarop verdachte (onder andere door familieleden) is herkend, is te zien dat hij deze tassen kort na het incident draagt naar de woning aan de [adres 2] . Op dat moment komt verdachte uit de richting gelopen van waar de vluchtauto is aangetroffen. [naam 1] heeft verklaard dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de tassen in de woning heeft neergezet.

Proberen te schieten

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte in de richting van [slachtoffer] heeft proberen te schieten met het vuurwapen. Dat volgt uit de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte gedecideerd op [slachtoffer] afloopt terwijl hij een AK-47 gereed houdt en op [slachtoffer] richt. Daarna staan verdachte en [slachtoffer] ongeveer tien seconden tegenover elkaar. De actie van verdachte wordt kort onderbroken en op dat moment ziet [slachtoffer] zijn kans schoon en gaat hij met verdachte het gevecht aan om het wapen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden opgevat dan dat verdachte geprobeerd heeft om met de AK-47 richting [slachtoffer] te schieten. Bovendien is uit onderzoek door het NFI gebleken dat bij het doorladen van de in de woning aangetroffen AK-47 meerdere aanvoerstoringen optraden en dat in de toestand na een opgetreden aanvoerstoring, niet met het vuurwapen kon worden geschoten.33 De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat strekt tot vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging. Hierbij merkt de rechtbank overigens nog op dat er op de plaats delict vlakbij waar het slachtoffer is aangetroffen twee patronen zijn gevonden. Na onderzoek kan echter niet worden vastgesteld of die patronen na schieten zijn uitgeworpen dan wel door het slaan met het wapen op de grond terecht zijn gekomen.

Voorbedachte rade

Verder acht de rechtbank ook de voorbedachte raad bewezen. Voordat het slachtoffer op de plaats delict arriveerde hebben verdachte en de bestuurder van de Audi zoekend rondgereden in de omgeving. Dat volgt uit camerabeelden. Op het moment dat het slachtoffer op de plaats delict aankwam, reden verdachte en bestuurder direct achter het slachtoffer aan. Verdachte wist op het moment dat hij uitstapte precies waar hij het slachtoffer kon vinden en liep met zijn AK-47 in schiethouding in rechte lijn op het slachtoffer af. Op het moment dat verdachte het slachtoffer van het leven probeerde te beroven, was de bestuurder bezig met het keren van de vluchtauto, zodat zij de plaats delict direct konden verlaten op het moment dat verdachte weer terug kwam. Daarna zijn verdachte en de bestuurder naar de woning aan de [adres 2] gereden, waar de bestuurder zich heeft ontdaan van de dubbele laag kleding die hij droeg en heeft verdachte die kleding en het vuurwapen in die woning verstopt. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk volgt dat er sprake was van een vooropgezet plan en dat op grond van het dossier kan worden bewezen dat verdachte het opzet had om [slachtoffer] na kalm beraad en rustig overleg van het leven te beroven.

Anders dan de raadsman is de rechtbank niet van oordeel dat er mogelijk sprake was van een ander scenario, zoals bijvoorbeeld een beroving. Uit de camerabeelden volgt dat [slachtoffer] vermoedelijk buiten bewustzijn was geraakt nadat verdachte hem een aantal keer met het wapen op zijn hoofd had geslagen. Toen [slachtoffer] roerloos op de grond lag, heeft verdachte [slachtoffer] nog vijf keer met het wapen op zijn hoofd geslagen. De eerste keer terwijl hij stond, het wapen ver boven zijn hoofd hief en het slachtoffer daar vervolgens hard mee op het hoofd sloeg. Daarna is verdachte op zijn knieën gaan zitten en heeft hij [slachtoffer] nog vier keer met het wapen op zijn hoofd geslagen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet volgt dat er sprake was van een uit de hand gelopen beroving. Het geld dat in de achterbak van de auto van het slachtoffer is aangetroffen is bovendien niet meegenomen door verdachte. Het dossier bevat daarnaast geen andere aanwijzingen waaruit blijkt dat er sprake was van een beroving. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat strekt tot vrijspraak van de poging moord.

Voorhanden hebben wapen

Tot slot acht de rechtbank het voorhanden hebben van de AK-47 en de bijbehorende munitie bewezen. Verdachte heeft dit wapen voorhanden gehad op de plaats delict. Daarna heeft hij het wapen meegenomen naar de woning aan de [adres 2] en daar heeft hij het wapen verstopt. Hieruit volgt dat verdachte niet alleen de beschikkingsmacht had over dit wapen, en de daarbij aangetroffen munitie, maar zich daar ook bewust van is geweest.

Munitie [adres 4]

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de 9 mm munitie, die in de berging van de woning aan de [adres 4] is aangetroffen, zich in de machtssfeer van verdachte bevond, zodat verdachte van het voorhanden hebben van deze munitie zal worden vrijgesproken.

4 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt rekening te houden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij in de afgelopen tien jaren niet is veroordeeld voor een strafbaar feit en nog nooit is veroordeeld voor een geweldsdelict. Verder verzoekt de raadsman rekening te houden met door hem aangehaalde jurisprudentie waaruit blijkt dat de bandbreedte bij een bewezenverklaring van een poging tot doodslag tussen de twaalf maanden en acht jaar ligt.

Ten aanzien van het wapenbezit verzoekt de raadsman geen aansluiting te zoeken bij de Amsterdamse oriëntatiepunten, omdat het feit gepleegd is voor publicatie van die oriëntatiepunten.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Verdachte is met een volautomatisch aanvalsgeweer op het slachtoffer afgelopen en heeft geprobeerd het slachtoffer daarmee dood te schieten. Toen bleek dat het aanvalsgeweer het niet deed, ontstond er een worsteling en heeft verdachte het slachtoffer meermalen met het aanvalsgeweer op zijn hoofd geslagen, waarvan vijf keer toen het slachtoffer vermoedelijk al buiten bewustzijn was.

Verdachte heeft met zijn handelen een bijzonder grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het slachtoffer is door het handelen van verdachte zwaar gewond geraakt. Uit het dossier en de schriftelijke vordering tot schadevergoeding volgt dat bij het slachtoffer voor 61% invaliditeit is geconstateerd en hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard. De raadsvrouw van het slachtoffer heeft namens het slachtoffer op de zitting een verklaring voorgelezen. Uit deze verklaring volgt dat het leven van het slachtoffer zowel fysiek als emotioneel overhoop is gegooid. Tot op de dag van vandaag heeft hij geen idee waarom deze laffe aanslag op zijn leven is gepleegd, aldus het slachtoffer.

Het politieonderzoek heeft geen duidelijkheid kunnen geven over de link tussen verdachten en het slachtoffer en naar het motief van de poging tot liquidatie is het gissen. Verdachte heeft zich in het vooronderzoek en op de zitting op zijn zwijgrecht beroepen en geen enkele verklaring gegeven voor de brute aanslag die hij heeft gepleegd op het slachtoffer.

Naast het persoonlijke leed van het slachtoffer kan voorts worden gesteld dat verdachte in de samenleving het gevoel van onveiligheid heeft doen toenemen.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een AK-47. In grote steden, waaronder Amsterdam, is sprake van een zorgwekkende toename van vuurwapenbezit en -geweld. De maatschappelijke impact daarvan is groot. Inwoners van deze steden worden steeds opnieuw geconfronteerd met vuurwapengeweld in hun woonomgeving en mensenlevens worden verwoest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 oktober 2019. Hieruit volgt dat er geen sprake is van strafverzwarende recidive. Verdachte heeft zich ook ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden op zijn zwijgrecht beroepen. Er zijn dan ook geen persoonlijke omstandigheden waar de rechtbank in strafverzwarende dan wel –verminderende zin rekening mee zal houden.

Verdachte wordt ook veroordeeld en bestraft voor wapenbezit, maar voor de hoogte van de straf ligt het zwaartepunt bij de poging tot moord. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de duur daarvan dan ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. Ook in dit kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij gevangenisstraffen tussen 15 en 20 .jaren voor een enkelvoudige moord geen uitzondering zijn. Voor een poging tot moord ligt de straf uiteraard lager. De strenge bestraffingen kunnen worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden om de ernst van het feit te benadrukken. Zij heeft als uitgangspunt voor de hoogte van de straf acht geslagen op de straffen die doorgaans ten aanzien van soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank komt daarmee op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd die meer lijkt aan te sluiten bij een voltooide moord.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaar, met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Materiële schadevergoeding

7.1.1.

Vordering

De benadeelde partij, [slachtoffer] , vordert € 550.619,84 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële schade is opgebouwd uit de posten:

A. Gemaakte kosten naar aanleiding van het strafbare feit:

1. factuur Laumen Expertise ad € 1.815,-

2. factuur huisarts [naam huisarts] ad € 47,70

3. factuur Drs. [naam 2] ad 1.344,73

4. mediamarkt: Apple producten ad € 1.192,98, € 739,- en € 1.238,-

5. gehoorapparaat ad € 1.557,98

6. flipover/Whiteboard ad € 124,95

7. overzicht facturen psychosociale therapie ad in totaal € 2.500,-

8. eigen bijdrage CZ 2018, factuur 9 november 2018 ad € 385,-

9. eigen bijdrage CZ, factuur 8 februari 2019 ad € 101,-

10. eigen bijdrage CZ 2019, factuur 11 mei 2019 ad € 488,-

11. voorschot nog te volgen behandelingen voor het komende half jaar ad € 3.000,-.

Letselschade:

1. ziekenhuis en revalidatiegeldvergoeding ad €1.740,- (voor de periode van 28 augustus 2018 tot 25 oktober 2018) en € 435,- (voor de periode van 25 oktober 2018 tot 23 november 2018)

2. huishoudelijke hulp ad € 1.176,50

Gederfde inkomsten en pensioenverlies:

Primair:

- toekomstige inkomstenverderving vanaf 28 augustus 2018 tot 67 jaar ad € 383.568,-

- pensioenverlies tot 100 jaar ad €149.166,-

subtotaal onder C: € 532.734,-

Subsidiair:

- gederfde inkomsten tot aan 1 januari 2020 ad € 13.646,00

7.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij ten aanzien van de posten 1 en 3 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze kosten in de optiek van de verdediging enkel toewijsbaar zijn als die rapporten dienstig zijn geweest aan het onderzoek ter terechtzitting.

Verder verzoekt de raadsman de gevorderde schade onder 4, 6 en 11 af te wijzen omdat deze kosten geen rechtstreeks verband houden met het delict. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze posten als volgt.

Ten aanzien van de ziekenhuiskosten (post B) stelt de raadsman zich op het standpunt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er vanaf het begin sprake is van “zwaar beperkt” en of en vanaf wanneer er sprake is van “licht beperkt tot matig beperkt”. Volgens de raadsman moet worden uitgegaan van 50% van een weekvergoeding van € 91,-.

Ten aanzien van de gederfde inkomsten en pensioenverlies (post C) stelt de raadsman zich op het standpunt dat het noodzakelijk is dat er een deskundige zal worden benoemd die zich kan uitlaten over de totstandkoming van de mate van arbeidsongeschiktheid van [slachtoffer] en de berekening van de gederfde inkomsten en het pensioenverlies.

7.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Uit de onderbouwing volgt dat dit kosten zijn ten behoeve van de berekening van de vordering van de benadeelde partij, dossierstudie en het opstellen van een medisch advies. Vaststaat dat deze schade aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks is toegebracht. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van deze schade dan ook geheel toe.

Ook de kosten onder 4 zijn onderbouwd. In het kader van het politieonderzoek zijn meerdere Apple producten van de benadeelde partij opengebroken. Daarmee staat vast dat deze kosten rechtstreeks aan de benadeelde partij zijn toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde. Met de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat de vergoeding dient te geschieden op basis van de dagwaarde en niet op basis van de nieuwwaarde. Uit de onderbouwing blijkt niet hoe oud de Apple producten van de benadeelde partij waren. De rechtbank schat deze schade op € 1.000,-, hetgeen ongeveer één derde is van de nieuwwaarde van de gevorderde Apple producten. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van zijn schadevergoeding ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk.

De kosten onder post 6 zijn voldoende onderbouwd. Door het onder 1 bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij hersenletsel en daarmee geheugenverlies opgelopen. Daarom heeft de benadeelde partij kosten gemaakt voor de aanschaf van een whiteboard, zodat vaststaat dat deze schade in zoverre aan de benadeelde partij is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

De kosten onder 11 zijn voldoende onderbouwd. De schade van de behandelingen die [slachtoffer] nog zal moeten volgen is rechtstreeks aan hem toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde. De rechtbank wijst dit deel van de vordering dan ook geheel toe.

De rechtbank is van oordeel dat post B van de vordering voldoende is onderbouwd. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij zwaar beperkt is, dan wel is geweest. De rechtbank wijst deze vordering daarom geheel toe.

Ten aanzien van de gederfde inkomsten en pensioenverlies (post C) is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat het rapport dat ziet op de inkomstenverderving en het pensioenverlies een aantal vragen oproept. Bij de benadeelde partij is een invaliditeit vastgesteld van 61 %, maar het is onduidelijk in hoeverre deze invaliditeit blijvend is en hoe groot de toekomstige inkomstenverderving en het pensioenverlies zal zijn. De rechtbank zal echter niet overgaan tot benoeming van een deskundige omdat de rechtbank dan tot aanhouding van de zaak zal moeten overgaan en dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank is van oordeel dat wel vaststaat dat [slachtoffer] naast de gederfde inkomsten tot 1 januari 2020 ook toekomstige inkomstenverderving en pensioenverlies zal hebben ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde en dat dit in ieder geval minimaal € 150.000,- zal zijn. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 150.000,- en de benadeelde partij in het overige deel van zijn vordering onder post C niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het overige deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gevorderde kosten onder 2, 5, 7, 8, 9 en 10 zijn niet betwist. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, zoals is gevorderd onder deze posten. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze kosten dan ook geheel toewijzen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 165.715,86 (€ 12.364,36 onder A + € 3.351,50 onder B + € 150.000,- onder C).

7.2.

Immateriële schadevergoeding

7.2.1.

Vordering

De benadeelde partij, [slachtoffer] vordert € 50.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 25.000,- omdat de medische eindtoestand van [slachtoffer] op dit moment nog niet bekend is en het onvoldoende duidelijk is of er op termijn nog verbetering zal optreden.

7.2.3.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat een ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer en op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De benadeelde partij heeft in zijn schriftelijke toelichting op zijn vordering omschreven welke lichamelijke en psychische gevolgen hij heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde. Deze schade is bovendien onderbouwd met medische stukken.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 50.000,-.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot immateriële-schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018, zijnde het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

7.3.

Hoofdelijk

De rechtbank veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Voorts veroordeelt de rechtbank verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

7.4.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

poging tot moord;

en

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie Ⅱ, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a, van de Wet wapens en munitie;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , toe tot een bedrag van € 215.715,84 (tweehonderd vijftienduizend euro zevenhonderdvijftien euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

€ 215.715,84 (tweehonderd vijftienduizend euro zevenhonderdvijftien euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. A.C.J. Klaver en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Fleskens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2019.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 door [naam 3] en [naam 4] , ZD03 pag. 1-2, Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 door [naam 5] en [naam 6] , ZD03 pag. 4.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 door [naam 3] en [naam 4] , ZD03 pag. 1-2.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2018 door T683, ZD03 pag. 68.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-519 en T-918, ZD03 pag. 34-42.

6 Pv aangifte van 26 augustus 2018 door [naam 7] , ZD02 pag. 8-9.

7 Proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2018 door T-673, ZD03 pag. 29-30.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-918, ZD03 pag. 75-90.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-519 en T-918, ZD03 pag 34-42., Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 door [naam 8] , ZD03 pag. 9-10.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-519 en T-918, ZD03 pag. 34-42..

11 Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2018 door [naam 8] , ZD03 pag. 9-10.

12 Proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2018 door [naam 9] , [naam 10] en T-110 ZD03 pag. 21-22.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2018 van T-878 en T-904, ZD03 pag. 15-20.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 11] van 6 september 2018 PD03 pag. 14-26, proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 12] van 29 maart 2019 PD04 pag. 22-30, proces-verbaal van bevindingen van verhoor getuige [naam 13] van 11 september 2018, ZD04 pag. 31-35, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 14] en [naam 15] van 17 september 2018, PD04 pag 36-40., proces-verbaal van verhoor getuige [naam 13] bij de rechter-commissaris van 6 september 2019

15 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-918, ZD03 pag. 75-92.

16 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2018 van T-878 en T-904, ZD03 pag. 15-20.

17 Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2018 door T-918, ZD03 pag. 75-92.

18 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2018 van T-878 en T-904, ZD03 pag. 15-20.

19 Proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019 door T-918, ZD03 p. 135-140.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] van 30 augustus 2018, PD02 pag. 12-17.

21 Proces-verbaal van onderzoek van 30 augustus 2018 door [naam 16] , ZD06 pag. 1-5.

22 Proces-verbaal van onderzoek van 30 augustus 2018 door [naam 16] , ZD06 pag. 1-5.

23 Proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2018 van T683, ZD05 p. 6-9., Proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2018 door T683, ZD05 pag. 1-2.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] van 30 augustus 2018, PD02 pag. 12-17.

25 Proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2018 van T683, ZD05 p. 6-9 en proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2018 door T683, ZD05 pag. 1-2..

26 Proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2018 door T-445, ZD03 pag. 93-95.

27 Proces-verbaal sporenonderzoek van 21 september 2018 door [naam 17] en [naam 18] ZD06 p. 12-66., NFI rapport van 14 december door dr. Y van de Wal, ZD06 pag. 157-163., NFI rapport beantwoording vragen naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op 28 augustus 2018 van 11 oktober 2019 door dr. Y van de Wal.

28 Proces-verbaal sporenonderzoek van 21 september 2018 door [naam 17] en [naam 18] ZD06 p. 12-66, NFI rapport van 14 juni 2019 van dr. Y. van de Wal, ZD06 pag. 211-220.

29 Proces-verbaal sporenonderzoek van 21 september 2018 door [naam 17] en [naam 18] ZD06 p. 12-66., NFI rapport van 17 september 2018 door dr. Y van de Wal, ZD06 pag. 99-106., NFI rapport van 19 oktober 2018 door drs. C. van Kooten, ZD06 pag. 107-111 en NFI rapport van 1 april 2019 door dr. Y van de Wal, ZD06 pag. 198-202..

30 Proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2018 door T-918, ZD03 pag. 105-110.

31 Proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019 door T-918, ZD03 pag. 135-140.

32 NFI rapport van 4 april 2019 door dr. R. J. van der Weerd.

33 NFI rapport van 12 februari 2019 van [naam 19] , ZD06 pag. 175-189.