Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8260

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
13/164325-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling, veroordeling tot 6 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijke met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/164325-19 (Promis)

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1971,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.J. Schutte en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.A. Kieft naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is samengevat tenlastegelegd dat hij zich op 7 juli 2019 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer] , door hem met een mes in zijn buik en/of hand te steken/prikken/snijden. Als dat niet kan worden bewezen wordt hij beschuldigd van zware mishandeling (subsidiair), poging tot zware mishandeling (meer subsidiair) en mishandeling van die [slachtoffer] (meest subsidiair).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 7 juli 2019 krijgen de verbalisanten een melding van een gevecht op de Brink in Amsterdam. Ter plaatste treffen zij aangever aan met een bloedende hand en een wond in de onderbuik. Aangever verklaart dat hij is gestoken in zijn hand en buik. Naar aanleiding van de verklaring van onder meer aangever wordt verdachte aangehouden. Verdachte verklaart ter plaatste dat hij alleen maar met aangever heeft gevochten en meer niet. Verdachte herhaalt dit in latere verhoren, en blijft stellig ontkennen dat hij aangever heeft gestoken met een mes. Volgens hem zou het letsel kunnen zijn ontstaan doordat aangever en hij tijdens het gevecht in terracotta potten zijn gevallen.

De vragen die voorliggen zijn of verdachte het letsel bij aangever heeft veroorzaakt door hem met een mes te steken en zo ja, of dat een poging tot doodslag, een zware mishandeling, een poging tot zware mishandeling of een eenvoudige mishandeling oplevert.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de poging tot zware mishandeling bewezen kan worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door het letsel in de buik en de hand. Dat letsel is ook waargenomen door de verbalisanten ter plaatse. Verder hebben getuigen gezien dat er een gevecht heeft plaatsgevonden. Ook is opvallend dat verdachte zich heeft omgekleed na het gevecht. Bij hem wordt een T-shirt met daarop een bloedvlek aangetroffen, dat T-shirt komt overeen met de door aangever gegeven beschrijving van de kleding van verdachte. Niet aannemelijk is dat het letsel is ontstaan door een val in terracotta potten. Bovendien is er niets geverbaliseerd over eventuele scherven of terracotta potten ter plaatse. Dat aangever door verdachte is gestoken kan dan ook worden bewezen.

Niet gebleken is dat verdachte opzet had op de dood, daarom kan het primair tenlastegelegde niet worden bewezen. Het letsel kan evenmin worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Ook het subsidiair tenlastegelegde kan dus niet worden bewezen. Gelet op de aard van het letsel heeft verdachte stevig gestoken. Verdachte heeft dan ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever permanent letsel zou oplopen. Dat maakt dat de poging tot zware mishandeling, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd, kan worden bewezen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het letsel bij aangever heeft veroorzaakt. Verdachte heeft meerdere keren verklaard dat aangever en hij tijdens het gevecht zijn gevallen. Er is geen nader onderzoek verricht naar de oorzaken van het letsel. Ook is er geen nader onderzoek ter plaatse gedaan. Daarnaast hebben de getuigen niets verklaard over het gebruik van een wapen of een mes. Ook levert het bloed op het keukenmes geen nadere informatie op. Het alternatieve scenario is dus niet hoogst onwaarschijnlijk en kan niet zonder meer terzijde worden geschoven. Nu dat het geval is en het dossier onvoldoende bewijs bevat, moet verdachte integraal worden vrijgesproken.

Indien de rechtbank anders oordeelt, is hooguit sprake van een eenvoudige mishandeling, zoals meest subsidiair ten laste is gelegd. Er kan immers niet worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever tijdens het gevecht dodelijk of zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Uit de letselverklaring volgt ook niet met welke kracht en gerichtheid het letsel is toegebracht. Daarom kunnen de primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten in ieder geval niet worden bewezen.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de aangifte, de bevindingen van de politie ter plaatse en de letselverklaring stelt de rechtbank vast dat aangever op 7 juli 2019 letsel heeft opgelopen, namelijk verwondingen in zijn buik en hand. Aangever heeft daarover verklaard dat hij naar aanleiding van een ruzie over een hond met verdachte in gevecht raakte. Daarbij zijn over en weer klappen gevallen. Op enig moment pakte verdachte iets en stak hem daarmee in zijn buik. Vervolgens probeerde hij zich af te weren en werd hij door verdachte in zijn hand gestoken, aldus aangever. De politie heeft ter plaatse geconstateerd dat aangever een snee in zijn onderbuik had en dat zijn hand bloedde. Uit de letselverklaring volgt dat sprake is van een oppervlakkige steekwond in de buik en een diepe steekverwonding in de rechterhand met gedeeltelijk buigpeesletsel van wijs- en middelvinger. Die omstandigheden wijzen alle in de richting van het scenario dat verdachte aangever heeft gestoken.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het, door de verdediging aangevoerde, alternatieve scenario. Zo is uit het dossier niet gebleken van scherven of kapotte terracotta potten ter plaatse. Bovendien wordt door zowel aangever als de getuigen niets verklaard over een val tijdens het gevecht en/of terracotta potten die daarbij zijn gebroken. De alternatieve lezing van verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden. Ook ligt het minder voor de hand dat het letsel, zoals daarvan blijkt uit de letselverklaring, het gevolg is geweest van scherven afkomstig van terracottapotten. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het verdachte is geweest die het letsel heeft toegebracht bij aangever. Het is niet duidelijk geworden met welk voorwerp er precies is gestoken, daarom zal de rechtbank uitgaan van een scherp voorwerp.

De volgende vraag is hoe deze gedraging moet worden gekwalificeerd. Nu onvoldoende duidelijk is welk voorwerp er precies is gebruikt door verdachte en met welke kracht en gerichtheid hij de aangever met het scherpe voorwerp in de buik heeft geraakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken en/of snijden zou komen te overlijden. Ook de informatie over de buikwond in de letstelverklaring biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging doodslag. Datzelfde geldt voor het subsidiair tenlastegelegde. Uit de letselverklaring volgt dat de genezing van de hand ongeveer zes weken zal duren. Uit die beschrijving van het letsel kan dus niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het procesdossier bevat verder foto’s van de hand van aangever waaruit blijkt dat het om een ernstige verwonding ging en hij heeft ter zitting verklaard dat hij veel last en beperkingen heeft ondervonden door de gevolgen van die verwonding. Maar concrete en op schrift gestelde gegevens over de aard, duur en frequentie van het medisch ingrijpen en over eventuele blijvende beperkingen in de motoriek van zijn hand als gevolg van (met name) het peesletsel alsmede over ontsierende littekens, ontbreken. Daarom zal verdachte ook van de zware mishandeling worden vrijgesproken.

Dat is anders voor de poging tot zware mishandeling. Door aangever met een scherp voorwerp in zijn hand te steken acht de rechtbank bewezen dat de kans aanmerkelijk is geweest dat ernstig en/of blijvend letsel had kunnen ontstaan aan de hand - mede gelet op de aanwezigheid van pezen en zenuwen een zeer kwetsbaar deel van het lichaam - van aangever. Verdachte heeft die kans ook willens en wetens aanvaard. Daarom zal de poging tot zware mishandeling, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd, bewezen worden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

meer subsidiair:

op 7 juli 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de buik en een hand heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem meer subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Verder vordert hij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten: een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling en een verplichting tot begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De officier van justitie eist dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft een moeilijke jeugd gehad en heeft hulp nodig om zijn problemen aan te pakken. De laatste veroordelingen zijn van een lange tijd geleden. Het feit kan verminderd aan verdachte worden toegerekend. Daarom verzoekt de raadsvrouw om een gevangenisstraf op te leggen conform het voorarrest en een voorwaardelijk deel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een scherp voorwerp in zijn buik en hand te steken en/of te snijden. Uit de toelichting op de schadevordering blijkt dat het steekincident grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt. Hij was bang dat hij verdachte weer zou tegenkomen of dat een ander willekeurig persoon hem zomaar zou steken met een mes. Die angst heeft een grote impact op zijn dagelijkse leven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ervoor gekozen heeft om een ruzie op deze manier te laten escaleren. Bovendien had het incident veel ernstiger kunnen aflopen, dat dit niet is gebeurd is niet aan het handelen van verdachte te wijten.

Bij het bepalen van de strafmaat is ook rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte van 16 september 2019. Verdachte is weliswaar veelvuldig in het verleden onherroepelijk veroordeeld, maar in de afgelopen vijf jaar niet voor een soortgelijk feit.

Verder is acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 22 augustus 2019. De psycholoog concludeert dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis. Wel is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de geestesvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Verder heeft verdachte een stoornis in het gebruik van cannabis. Van voornoemde beperking en stoornissen was ook sprake ten tijde ven het tenlastegelegde. De feiten kunnen dan ook verminderd aan verdachte worden toegerekend. Daarnaast schat de psycholoog de risico’s op herhaling hoog in. Geadviseerd wordt om hem begeleid te laten wonen. Ook is van belang dat verdachte een training volgt die is gericht op het versterken van de impulscontrole en de agressieregulatie. Deze bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook de reclassering schat de kans op recidive hoog in, zo blijkt uit haar rapport van 9 oktober 2019. De reclassering adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank onderschrijft de conclusies van de psycholoog en de reclassering en zal deze overnemen.

Ook is gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Bij het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Bij een poging is gebruikelijk dat de straf met een derde wordt verminderd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend is. Ook zal de rechtbank, net als door de officier van justitie is geëist, een proeftijd opleggen voor de duur van 3 jaar met de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. De rechtbank beoogt dat de strafdreiging die uitgaat van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, verdachte er in de toekomst van weerhoudt opnieuw strafbare feiten te plegen. Verder zijn de bijzondere voorwaarden erop gericht dat de verdachte zijn leven weer op orde krijgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarmee hij de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander heeft geschonden. Gelet op het hiervoor overwogene, waarbij in het bijzonder wordt verwezen naar het door de psycholoog en de reclassering ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.016,80 aan materiële schadevergoeding en € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadevergoeding geheel moet worden toegewezen. Wat betreft de immateriële schade heeft hij aangevoerd dat deze moet worden gematigd naar een bedrag van € 5.000,- en voor het overige moet worden afgewezen. Verder vordert hij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de schadepost met betrekking tot de mantelzorg onvoldoende is onderbouwd. Het dossier wekt de indruk dat de benadeelde al voor het incident hulp kreeg, zodat niet duidelijk is welke hulp hij nu meer nodig heeft. Daarom verzoekt de raadsvrouw om matiging van die post. Verder heeft zij ten aanzien van de immateriële schadevordering ook verzocht deze te matigen, zodat deze meer aansluit bij soortgelijke zaken. Tot slot verzoekt zij om rekening te houden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van de materiële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Hij is in het ziekenhuis opgenomen na het incident. De gevorderde daggeldvergoeding wordt dan ook toegewezen. Ook is voldoende gebleken dat de kleding en schoenen van benadeelde waren beschadigd door het incident. Die schadepost wordt ook volledig toegewezen. Verder is door de handtherapeut een rapportage opgesteld waarvan de kosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Dat geldt niet voor de gevorderde schade met betrekking tot de mantelzorg. Het lag op de weg van de benadeelde partij om concreet te maken en te onderbouwen dat hij zijn buurvrouw daadwerkelijk voor haar hulp en bijstand heeft betaald, te meer nu, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, er voorafgaand aan het delict al een vriendschappelijke verhouding tussen hem en de buurvrouw bestond. Daarom is onvoldoende vast komen te staan dat de benadeelde daadwerkelijk schade heeft geleden doordat hij zijn huishoudelijke werkzaamheden niet meer (volledig) kon verrichten. In zoverre is de vordering in deze procedure dan ook niet toewijsbaar. De materiële schade wordt in totaal vastgesteld op een bedrag van € 194,80 euro.

Daarnaast staat vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij de begroting daarvan wordt rekening gehouden met de gestelde omstandigheden. Uit het dossier volgt dat de benadeelde door het incident verwondingen in zijn buik en hand heeft opgelopen. De benadeelde is aan zijn hand geopereerd en heeft handtherapie ondergaan. De beperkingen die het handletsel met zich meebrengen hebben invloed gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde. Verder blijkt uit de toelichting bij de vordering dat de benadeelde last heeft van angsten, hij was als gevolg van de grote hoeveelheid bloedverlies bang dat hij dood zou gaan. Daarnaast was hij bang om verdachte op straat tegen te komen en durfde hij niet zonder begeleiding naar buiten. De rechtbank dient bij de begroting van schade ook rekening te houden met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. De rechtbank vindt, een en ander in aanmerking genomen, het gevorderde bedrag te hoog. De rechtbank acht een lager bedrag passend en begroot de immateriële schade naar billijkheid op € 2.500,-.

De benadeelde partij zal in de niet toegewezen delen van zijn vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan deze onderdelen van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De vervangende hechtenis wordt vastgesteld op één dag. De vervangende hechtenis is bedoeld als dwangmiddel op het moment dat sprake is van betalingsonwil. Verdachte staat onder bewind. Dat betekent dat de bewindvoerder de financiën van verdachte beheert en zal zorgen dat het toegewezen bedrag wordt voldaan. Dit dwangmiddel is daarom niet nodig. Omdat de wet verplicht tot het opleggen van vervangende hechtenis bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel volstaat de rechtbank met één dag.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd moet melden bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • -

    deelneemt aan de gedragsinterventie Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

  • -

    zich laat behandelen door forensische ambulante zorg (FAZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start alleen op het moment dat veroordeelde vervalt in het gebruik van harddrugs. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De reclassering kan, in het geval van een grote kans op risicovolle situaties, een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Op het moment dat een kortdurende klinische opname geïndiceerd is, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht;

  • -

    moet verblijven binnen [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft aan genoemde instellingen de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht , dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van [slachtoffer], wonende te [woonplaats slachtoffer] , gedeeltelijk toe tot € 2.694,80 (tweeduizendzeshonderdvierennegentig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 juli 2019) tot aan de dag van de betaling.

Voormeld bedrag bestaat uit € 194,80 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade.

Veroordeelt veroordeelde tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt veroordeelde verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer], € 2.694,80 (tweeduizendzeshonderdvierennegentig euro en tachtig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 juli 2019) tot aan de dag van betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 (één) dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. H.J. Fehmers en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.N. Greeven en L. van Breukelen, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2019.