Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8205

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
13/7751928-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB / Duitsland / vervolging / eendaadse samenloop en lijstfeit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/7751928-19

RK nummer: 19/5640

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2019 door Amtsgericht Dortmund (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K. Hansen-Löve, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van Amtsgericht Dortmund van 23 januari 2019 (referentienummer: 765 Ls - 801 Js 931/17 - 57/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onduidelijk is of het overleveringsverzoek mede ziet op het opzettelijk rijden zonder rijvergunning omdat dit niet valt onder het aangekruiste lijstfeit en in onderdeel sectie II van onderdeel e) van het EAB niet is vermeld. Voor zover het verzoek mede ziet op het opzettelijk rijden zonder rijvergunning, verzoekt de verdediging om aanhouding van de zaak om hierover, met het oog op de naleving van het specialiteitsbeginsel, nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het overleveringsverzoek gelet op het aangekruiste lijstfeit alleen ziet op illegale handel in verdovende middelen en dat het rijden zonder rijvergunning in onderdeel e) kennelijk alleen is vermeld als aanleiding voor de staandehouding.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Onderdeel e) van het EAB vermeldt:

“Dit bevel heeft betrekking op in totaal één strafbaar feit.

(…)

Feiten: De beklaagde voerde, zonder over de vereiste rijvergunning te beschikken, op 18.10.2017 in zijn voertuig 3270 gram marihuana bij zich. De verdovende middelen wilde hij met winst verkopen.

(…)

Rechterlijke waardering van het/de feit(en): Handel met verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid in eendaadse samenloop met opzettelijk rijden zonder rijvergunning.”

Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, betreft de vermelding van het rijden zonder rijvergunning naar het oordeel van de rechtbank niet slechts de aanleiding tot de aanhouding, maar wensen de Duitse autoriteiten hem mede daarvoor te vervolgen. Uit de hierboven weergegeven bewoordingen blijkt immers dat het overleveringsverzoek ziet op één feit(encomplex) dat bestaat uit de – eendaadse samenloop van – handel in verdovende middelen terwijl wordt gereden zonder rijvergunning.

De rechtbank acht de feitsomschrijving genoegzaam en wijst het verzoek om aanhouding daarom af.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in rubriek e) onder II geen feit aangeduid waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid wel geldt. Onder e) zijn de toepasselijke Duitse wetsbepalingen vermeld. Naast paragraaf 29a lid 1 nummer 2 van de Duitse Wet over Verdovende Middelen vermeldt het EAB de paragrafen 21 lid 1 van de Duitse Wegenwet en 52 van het Duitse Wetboek van Strafrecht.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat naar Duits recht bij eendaadse samenloop - evenals naar Nederlands recht - de zwaarste hoofdstraf van de twee strafbepalingen als maximum geldt.

Gelet hierop betreft de overtreding van paragraf 21 lid 1 van de Duitse Wegenwet geen afzonderlijk feit waarvan de rechtbank de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid moet vaststellen.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Leitende Oberstaatsanwalt in Dortmund heeft bij schrijven van 1 oktober 2019 de volgende garantie gegeven:

Er wordt verzekerd, dat de vervolgde persoon in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van het Kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie voor de verdere executie naar Nederland terug wordt overgebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, of C van de Opiumwet gegeven verbod

en

overtreding van artikel 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd: het onderzoek is in Duitsland aangevangen, de bewijsmiddelen zich bevinden in Duitsland, de verdovende middelen zijn in beslag genomen in Duitsland en de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 55 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet, 107 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Dortmund (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en A.R.P.J. Davids, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.