Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
C/13/666848 / HA RK 19-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG-verzoek tot verwijdering van BKR-registratie. Verzoek is afgewezen: de vooraankondiging is verstuurd en niet is gebleken dat deze niet door verzoeker is ontvangen. Registratie was terecht. Belang bij verwijdering registratie onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1301
JBP 2020/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/666848 / HA RK 19-181

Beschikking van 31 oktober 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. D. Rezaie te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PSA FINANCE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde mr. H.J.M. Hofman te Harderwijk.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en PSA Finance worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 mei 2019;

  • -

    de brief van mr. Rezaie met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2019;

  • -

    de tussenbeschikking van 18 juli 2019, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de op 2 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    de brief van mr. Hofman met één productie, ingekomen ter griffie op 7 oktober 2019.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben op 27 juli 2016 een Private Leaseovereenkomst gesloten, op grond waarvan PSA Finance gedurende 36 maanden een auto aan [verzoekster] in gebruik gaf tegen betaling van een maandelijkse vergoeding door [verzoekster] aan PSA Finance.

2.2.

Op 1 mei 2018 heeft PSA Finance geprobeerd om het aan [verzoekster] gefactureerde maandbedrag van € 319,60 voor de maand mei 2018 (factuurnummer [factuurnr. 3] , hierna: de openstaande factuur) automatisch te incasseren. Deze automatische incasso is niet gelukt.

2.3.

Nadat betaling van de openstaande factuur uitbleef, heeft PSA Finance op 18 mei 2018 per e-mail aan [verzoekster] verzocht om de factuur per omgaande te voldoen. [verzoekster] heeft aan dit verzoek niet voldaan.

2.4.

In het logboek van PSA Finance is op 24 mei 2018 melding gemaakt van de verzending van een brief met briefcode 13A aan [verzoekster] . De template die invulling geeft aan briefcode 13A luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

PSA Financial Services Nederland B.V. heeft de verplichting op zich genomen een achterstand in de betaling van meer dan 60 dagen te melden bij BKR. Dit betekent dat wanneer de achterstallige betaling(en) niet binnen 14 dagen alsnog zijn voldaan en er binnen die termijn evenmin anderszins een betalingsregeling is getroffen, PSA Financial Services Nederland B.V. verplicht is die betalingsachterstand bij BKR te melden. Melding van een betalingsachterstand kan gevolgen hebben voor iedere eventuele volgende financieringsaanvraag.

(…)”

2.5.

Op 3 augustus 2018 heeft PSA Finance bij Stichting Bureau Kredietregistratie (hierna: Stichting BKR) melding gedaan van een betalingsachterstand van [verzoekster] , waarna deze betalingsachterstand als Code A (Achterstand) in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) is geregistreerd.

2.6.

Op 16 november 2018 heeft [verzoekster] de openstaande factuur aan PSA Finance betaald. Met ingang van diezelfde dag heeft het BKR, na melding van de betaling door PSA Finance, in het CKI een Code H (Herstel) geregistreerd waaruit blijkt dat [verzoekster] haar betalingsachterstand heeft ingelopen.

2.7.

De verhouding tussen het BKR en haar zakelijke klanten, waaronder PSA Finance, is geregeld in het Algemeen Reglement CKI (hierna: AR), dat voor zover hier relevant luidt als volgt:

“(…)

Artikel 12

WANNEER WORDT EENACHTERSTAND BIJ STICHTING BKR GEMELD

(…)

1 g Bij een operational autoleaseovereenkomst geldt een termijn van twee (2) maanden na de vervaldatum.

(…)

3 b Wordt de overeenkomst na het ongedaan maken van de achterstand niet beëindigd, dan meldt de zakelijke klant een herstelcode (H).

(….)

Artikel 14

WANNEER WORDEN DE PERSOONSGEGEVENS VERWIJDERD

1. Gegevens van afgelopen overeenkomsten worden, tenzij hierna anders bepaald, vijf (5) jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst door Stichting BKR uit CKI verwijderd. (…)

(…)

10. Het is de zakelijke klant niet toegestaan om een contract, achterstand, herstelcode en/of bijzonderheidscodering uit CKI te verwijderen, tenzij er sprake is van:

a. een onterechte registratie;

b. een terechte registratie die na een zorgvuldige belangenafweging op basis van beschikbare gegevens over individuele omstandigheden, disproportioneel blijkt;

c. een uitspraak van een rechter of een geschillencommissie als de Geschillencommissie BKR of KiFiD, voor zover de uitspraak strekt tot verwijdering van het contract of aanpassing van de achterstand, herstelcode en/of bijzonderheid.

(…)

Artikel 37

VERPLICHTINGEN ZAKELIJKE KLANT

(…)

2 De zakelijke klant moet de consument, indien zich een achterstand dreigt voor te doen als bedoeld in artikel 12 lid 1 van dit Reglement van te voren schriftelijk waarschuwen dat het niet betalen leidt tot het melden van een achterstand bij Stichting BKR. De zakelijke klant stelt de consument hiervan tijdig in kennis. De zakelijke klant wijst de consument op de mogelijke consequenties van niet tijdige betaling.

3 De zakelijke klant kan de verzending van de vooraankondiging achterstandsmelding aantonen door het overleggen van de kopie van het bericht aan de consument dan wel door het overleggen van een print van het bericht uit zijn computersysteem.

(…)”

2.8.

In een brief van 25 februari 2019 heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen de registratie van de codes A en H en heeft zij verzocht om de verwijdering daarvan. Op 8 april 2019 heeft [verzoekster] deze brief nogmaals aan PSA Finance verstuurd met een verzoek om daarop te reageren. De brief van [verzoekster] luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

Ik heb vorig jaar op 18 mei 2018 een overzicht per mail ontvangen van 2 openstaande bedragen.

Het ging om de factuur [factuurnr. 1] en [factuurnr. 2] .

De periode toen ik deze mail ontving was ik in het buitenland. (dit kan ik bewijzen).

(…)

Mijn verwarring betreft de situatie heb ik destijds telefonisch aangegeven.

Ondanks deze verwarring en mijn financiële tekorten de betaling voldaan en per mail direct bevestigd aan Dhr. [betrokkene] .

Sindsdien had ik 1 maand achterstand voor de factuur [factuurnr. 3] maandelijks leasebedrag van €319,60.

3 maanden later heb ik de factuur [factuurnr. 3] betaald.

Het is begrijpelijk dat u zich afvraagt waarom ik de factuur niet eerder heb betaald.

Mijn antwoord hierop is dat ik in een moeilijke financiële periode zat. Ik studeerde aan het Hogeschool van Amsterdam en ik moest rondkomen met een contract van 8 uren per week. (…)

Uiteraard toen ik financieel beter zat, heb ik dit bedrag direct voldaan.

Ik weet sinds 22 november 2018 dat ik geregistreerd sta bij het Bureau Krediet Registratie. In die tussentijd heb ik nooit een brief van u ontvangen dat u mij zou registreren.

(…)”

2.9.

PSA Finance heeft in een e-mail op 11 april 2019 het verzoek van [verzoekster] om verwijdering van de BKR-registratie afgewezen. In deze e-mail wordt onder meer verwezen een e-mail aan [verzoekster] op 7 augustus 2017, waarin PSA Finance [verzoekster] heeft verzocht om de door [verzoekster] onbetaalde maandtermijnen van juli 2017 en augustus 2017 per direct te voldoen.

2.10.

Op 26 juli 2019 is de Private Leaseovereenkomst tussen partijen geëindigd en heeft [verzoekster] de auto bij PSA Finance ingeleverd.

2.11.

Op enig moment in de zomer van 2019 heeft [verzoekster] een gesprek gehad met ING Bank waarin de mogelijkheden zijn besproken om bij ING Bank een hypotheek af te sluiten. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verzoekster] op 5 augustus 2019 van ING Bank het volgende e-mailbericht ontvangen dat, voor zover hier relevant, luidt als volgt:

“(…) Ik heb een BKR check gedaan voorafgaand aan het gesprek en daar kwam ik een lease tegen die vorige jaar hersteld is en ook is sinds kort is beëindigd. Aan de hand van de BKR check die wij telefonisch hebben gedaan voor het hypotheekgesprek kan u nog niet het maximale bedrag lenen voor een hypotheek.

Zoals tijdens het gesprek besproken is de maximale hypotheek op basis van je inkomen dat je nu ontvangt: € 95.000,-. (…) Let wel op dat je inkomen dus flink zal moeten stijgen wil jij een hypotheek kunnen nemen van € 175.000,-. (…)”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking om PSA Finance te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de BKR-registratie in het CKI met contractnummer 231090, waaronder begrepen alle coderingen, te (doen laten) verwijderen, onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van PSA Finance in de kosten van het geding.

3.2.

[verzoekster] stelt – samengevat – dat niet is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan registratie van een achterstandscodering en een herstelcodering in het CKI, omdat zij slechts een betalingsachterstand van één maand heeft gehad en zij daarnaast niet door middel van een ‘vooraankondiging’ door PSA Finance is gewaarschuwd voor de aanstaande BKR-registratie. Zodra zij bekend werd met de BKR-registratie heeft zij de betalingsachterstand ingelopen. Verder stelt [verzoekster] dat de BKR-registratie haar verhindert om een woning in Amsterdam te kopen. Om die reden heeft zij een bijzonder persoonlijk belang bij verwijdering van de registratie en moet haar belang prevaleren boven het belang van PSA Finance bij instandhouding van de registratie, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.

PSA Finance voert verweer en betoogt – samengevat – dat de betalingsachterstand terecht en na verzending van een vooraankondiging is geregistreerd en dat [verzoekster] geen bijzonder persoonlijk belang heeft dat zou kunnen leiden tot de verwijdering van de coderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover nodig – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil betreft de vraag of de betalingsachterstand van [verzoekster] ten aanzien van de openstaande factuur terecht door PSA Finance aan het BKR is gemeld en, zo ja, of er een reden bestaat om de coderingen vervroegd uit het CKI te verwijderen.

4.2.

Op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (hierna: Wft) zijn operational autoleasemaatschappijen, zoals PSA Finance, verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel van de kredietregistratie is blijkens de wetsgeschiedenis tweeledig: enerzijds het beschermen van consumenten tegen overkreditering, anderzijds het beschermen van aanbieders van krediet tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst, worden in het CKI vermeld met bijzonderheidscoderingen, in het geval van [verzoekster] dus de coderingen A (achterstand) en H (herstel). Op de registratie door PSA Finance zijn de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (hierna: AVG) en van het hiervoor onder 2.7 genoemde AR van toepassing.

Was de registratie terecht?

4.3.

Tussen partijen in geschil is of PSA Finance terecht een betalingsachterstand van [verzoekster] aan het BKR heeft gemeld. [verzoekster] stelt dat zij slechts een betalingsachterstand van één maand had en dat zij die achterstand heeft ingelopen zodra zij die ontdekte. PSA Finance heeft daartegen aangevoerd dat de betalingsachterstand ten tijde van de melding aan het BKR al ruim drie maanden bestond en dat de betalingsachterstand terecht in het CKI is geregistreerd.

4.4.

In het geval van een operational leaseovereenkomst, waar in dit geval sprake van is, geldt volgens artikel 12 lid 1 sub g AR voor het doen van een achterstandsmelding aan het BKR een termijn van twee maanden na de vervaldatum van een openstaande factuur. In dit geval was de vervaldatum 1 mei 2018. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de achterstandscodering op 3 augustus 2018 in het CKI is geregistreerd. Dat betekent dat de registratie van de achterstandscodering ruim drie maanden na de vervaldatum van de openstaande factuur plaatsvond. Er is daarom voldaan aan de termijn die artikel 12 lid 1 sub g AR voorschrijft. De registratie van de betalingsachterstand van [verzoekster] was dus terecht.

4.5.

Voor zover het standpunt van [verzoekster] tevens inhoudt dat de achterstandscodering niet terecht is geregistreerd omdat zij zou zijn overgegaan tot betaling van de openstaande factuur zodra zij daarvan op de hoogte raakte, wordt opgemerkt dat het inlopen van een betalingsachterstand niet per direct leidt tot verwijdering van de achterstandscodering. Wel wordt in overeenstemming met artikel 12 lid 3 sub b AR een herstelcodering toegevoegd, waaruit blijkt dat de betalingsachterstand is ingelopen. Vervolgens worden de achterstands- en herstelcodering volgens artikel 14 AR na vijf jaren verwijderd. Nadat [verzoekster] op 16 november 2018 de openstaande factuur heeft betaald, is met ingang van diezelfde datum een herstelcodering in het CKI geregistreerd. Ook deze codering is dus terecht door PSA Finance in het CKI verwerkt. Van verwijdering van de geplaatste coderingen wegens het verstrijken van de vijfjaren-termijn is tot op heden nog geen sprake.

Is er een vooraankondiging verstuurd en ontvangen?

4.6.

Verder bestaat tussen partijen discussie of PSA Finance al dan niet een vooraankondiging naar [verzoekster] heeft verstuurd én of [verzoekster] deze vooraankondiging heeft ontvangen. Op grond van artikel 37 lid 2 AR was PSA Finance verplicht om [verzoekster] schriftelijk te waarschuwen dat er een betalingsachterstand dreigde te ontstaan, welke achterstand zou leiden tot het doen van een achterstandsmelding bij het BKR wanneer die niet zou worden ingelopen.

4.7.

De rechtbank acht het aannemelijk dat PSA Finance deze vooraankondiging aan [verzoekster] heeft verstuurd. Uit het door PSA Finance overgelegde logboek van het kredietdossier inzake de betalingen van [verzoekster] blijkt dat PSA Finance op 24 mei 2018 een brief met briefcode 13A heeft verzonden. Verder volgt uit de eveneens door PSA Finance overgelegde template van brief 13A dat in die brief nadrukkelijk wordt gewaarschuwd voor een achterstandsmelding bij het BKR indien een betalingsachterstand ontstaat van meer dan 60 dagen. Om die redenen volgt de rechtbank de stelling van [verzoekster] , dat PSA Finance geen vooraankondiging heeft verstuurd, niet.

4.8.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] , in het licht van het door PSA Finance gevoerde verweer, onvoldoende heeft toegelicht dat de vooraankondiging haar niet heeft bereikt. Niet is gesteld of gebleken dat de vooraankondiging naar een ander adres is verzonden dan de eerdere brieven die PSA Finance blijkens het logboek (op 12 en 30 april 2018) aan [verzoekster] heeft verstuurd. Evenmin heeft [verzoekster] gesteld dat zij die eerdere brieven niet heeft ontvangen of dat de brieven aan een onjuist adres zijn toegezonden. Er kan dus worden aangenomen dat PSA Finance de vooraankondiging naar het correcte adres van [verzoekster] heeft verzonden en dat [verzoekster] deze brief vervolgens heeft ontvangen. Voor zover [verzoekster] stelt dat zij de vooraankondiging niet heeft ontvangen doordat zij ten tijde van verzending in het buitenland verbleef, dient het risico dat de brief niet wordt ontvangen op grond van artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek voor haar eigen rekening te blijven. Het risico dat de brief [verzoekster] mogelijk niet zou bereiken bestaat dan immers als gevolg van haar eigen handelingen (namelijk: haar verblijf in het buitenland) die rechtvaardigen dat zij het nadeel daarvan draagt.

4.9.

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de betalingsachterstand van [verzoekster] terecht door het BKR in het CKI is geregistreerd met een achterstands- en herstelcodering en dat die registratie volgens de regels van het AR is uitgevoerd.

Belangenafweging

4.10.

De vraag die daarna voorligt is of er, ondanks het voorgaande, reden bestaat om de registratie te verwijderen. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een persoon (in dit geval [verzoekster] ) vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder (e of) f AVG. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen. De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (het tweeledige doel van de kredietregistratie) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene. Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene ( [verzoekster] ) niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). De van toepassing zijnde AVG beoogt hierin geen verandering te brengen. Ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan en de verwerker zich aan het AR heeft gehouden, betekent dit niet dat de belangenafweging achterwege kan blijven.

4.11.

In het kader van een verzoek op grond van artikel 21 AVG moet de verwerkingsverantwoordelijk (PSA Finance) ingaan op de door de betrokkene ( [verzoekster] ) aangedragen – en naar vermogen onderbouwde – met haar specifieke situatie verband houdende redenen voor bezwaar. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bezwaar in het geval van een achterstandscodering zijn bijvoorbeeld:

- de omvang van de schuld en/of de achterstand;

- of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;

- de reden voor (het ontstaan en voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid;

- de huidige financiële situatie van betrokkene (waaronder het inkomen) en als deze weer stabiel is: hoe lang al;

- of betrokkene andere schulden heeft;

- of sprake is geweest van ernstige (al dan niet structurele) wanbetaling;

- de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld voor de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);

- het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.

4.12.

Voor de beoordeling van het onderhavige geval zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.13.

PSA Finance heeft voldoende gesteld en onderbouwd welk belang zij heeft bij handhaving van de vijfjaarstermijn van de registratie. Naast het tweeledige doel dat al onder 4.2 is vermeld, is verder van belang dat [verzoekster] haar betalingsachterstand slechts één jaar geleden pas heeft ingelopen. Van tijdsverloop is dus nog maar beperkt sprake. Verder staat als onvoldoende weersproken vast dat [verzoekster] vaker facturen onbetaald liet. Uit de brief van PSA Finance d.d. 11 april 2018 en het daarin vermelde logboek blijkt dat in juli 2017 en augustus 2017 eveneens een betalingsachterstand was ontstaan. Het door [verzoekster] overgelegde betalingsoverzicht van haar betalingen in juni 2018 tot en met september 2018 doet daar niet aan af. Daarnaast heeft PSA Finance met stukken onderbouwd dat een achterstands- en herstelcodering op zichzelf niet in de weg staan aan de verkrijging van een hypotheek, maar dat banken in het geval van een dergelijke codering per individuele aanvraag zullen beoordelen of een hypotheek kan worden verstrekt. Dit blijkt onder meer uit overgelegde antwoord van de minister op kamervragen en uit publicaties van de Vereniging Eigen Huis en Rabobank.

4.14.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende heeft toegelicht dat zij een bijzonder persoonlijk belang heeft bij de verkrijging van die hypotheek. [verzoekster] heeft niet betwist dat banken in het geval van een BKR-registratie ‘maatwerk’ leveren. En uit de door haar overgelegde stukken – te weten de e-mail van ING Bank en de brief van Freo, een dochter van Rabobank die zich richt op de verstrekking van kredieten – kan de rechtbank niet afleiden dat [verzoekster] onmogelijk een hypotheek kan verkrijgen vanwege het feit dat zij een BKR-registratie heeft. De afwijzing van ING Bank spreekt immers van een tijdelijke beperking, namelijk dat zij aan [verzoekster] nog niet het maximale bedrag lenen voor een hypotheek” [onderstreping door de rechtbank]. Daarbij wordt ook aangegeven dat het op basis van het huidige inkomen van [verzoekster] niet mogelijk is om een hypotheek te verstrekken voor het bedrag dat [verzoekster] wenst te verkrijgen, maar wordt wel de deur op een kier gelaten voor een lagere hypotheek die is gebaseerd op het huidige inkomen van [verzoekster] . Uit de afwijzing van ING Bank blijkt dus niet dat een achterstandsmelding in de weg staat aan de verstrekking van een hypotheek. Ten aanzien van de afwijzing van Freo heeft PSA Finance terecht opgemerkt dat dit geen hypotheekaanvraag betrof, maar dat die zag op een kredietaanvraag. Om die reden kan de afwijzing van Freo verder buiten beschouwing worden gelaten.

4.15.

Naast hetgeen hiervoor reeds is besproken, heeft [verzoekster] geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaruit haar bijzonder persoonlijk belang bij verwijdering van haar BKR-registratie zou blijken. Handhaving van de registratie is dan, gelet op het algemene en gerechtvaardigde belang dat daarmee wordt gediend, niet disproportioneel. Daarbij komt dat niet gesteld noch gebleken is dat sprake is van schending van het subsidiariteitsbeginsel. Dat betekent dat PSA Finance in alle redelijkheid de verwijdering van de BKR-registratie kon weigeren.

4.16.

Het verzoek van [verzoekster] zal daarom worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PSA Finance worden begroot op:

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.725,00

De verzochte nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van PSA Finance tot op heden begroot op € 1.725,00,

5.3.

veroordeelt [verzoekster] in de na deze beschikking ontstane kosten, te begroten op een bedrag van € 157,00, te verhogen met een bedrag van € 82,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en [verzoekster] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan de beschikking heeft voldaan,

5.4.

verklaart deze beschikking voor wat de kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.