Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8095

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
13/994049-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het organiseren van vijf hondengevechten, het aanwezig zijn bij vijf hondengevechten en dierenmishandeling. Verder heeft zij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verboden diergeneesmiddelen. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde een houdverbod voor het houden van honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994049-16 (Promis)

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzittingen

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 26, 27 en 28 augustus 2019 (inhoudelijke behandeling) en 31 oktober 2019 (sluiting). Verdachte is aanwezig geweest bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.C.A. Plantenga en H.H.M. Beune (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en haar raadsman mr. R. van Veen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er samengevat van beschuldigd dat zij zich in de periode 2014 tot en met 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan

1.het (opzettelijk) fokken van honden op/met vechtkenmerken en/of met agressieve karaktereigenschappen;
2. het (opzettelijk) verkopen, voor de verkoop in voorraad hebben, afleveren, houden voor opvang en/of fokken voor verkoop van honden in niet aangemelde inrichtingen en/of zonder deugdelijke administratie en/of zonder erkend vakbekwaamheidsbewijs;
3. het organiseren van hondengevechten en/of het honden aan hondengevechten laten deelnemen;
4. het aanwezig zijn bij hondengevechten;

5.het (opzettelijk) verrichten van een lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] door de poot te hechten met een hechtpistool;

6.het veroorzaken van pijn/letsel bij een dier of het benadelen van de gezondheid/welzijn van een dier;

7.het (opzettelijk) in Nederland brengen, ontvangen, voorhanden hebben en/of in voorraad hebben van diergeneesmiddelen;

8.het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op onder andere het organiseren van hondengevechten en het fokken van vechthonden.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman vindt dat de tenlastelegging van feit 1 te algemeen en te onvoldoende gespecificeerd is en dat dit moet leiden tot gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding. Er is namelijk niet geconcretiseerd op welke specifieke manier het welzijn en de gezondheid van het ouderdier en/of de nakomelingen werd benadeeld en het is onduidelijk om welke nestjes het gaat.

Uit de wet en vaste rechtspraak op dit punt volgt dat de beschuldiging voldoende bepaald moet zijn zodat het voor verdachte duidelijk is waar zij tegen moet verdedigen. Hoewel feit 1 globaal is omschreven, volgt uit de manier waarop het dossier is samengesteld en de inhoud daarvan voldoende welke feitelijke gedragingen verdachte worden verweten. Verdachte heeft dus kunnen begrijpen wat haar wordt verweten. Het verweer wordt verworpen.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 4 juni 2016 treft een wijkagent een envelop in zijn postvak aan met daarin een USB-stick, met daarop videobeelden van een gevecht tussen twee pitbulls. Op de beelden zijn drie mannen te zien. Op 4 oktober 2016 komt de volgende Meld Misdaad Anoniem-melding binnen:

Er worden regelmatig hondengevechten georganiseerd met pitbulls op het adres [adres] ) in [plaats] . De bewoonster is een Nederlandse vrouw genaamd [naam vrouw] . Zij heeft een Turkse vriend. Deze vriend en zijn broer organiseren de gevechten. Op deze gevechten wordt veel gegokt. De minimale inzet is 500 euro en de maximale inzet is 3000 euro. Bekend is dat het eerst volgende gevecht op woensdag 5 oktober 2016 in de avond plaats zal vinden.”

Hierop is het onderzoek 03Duiker gestart, waarin verschillende verdachten in beeld zijn gekomen. De meeste verdachten wordt – kort samengevat – verweten dat zij in wisselende samenstelling gevechten met pitbull-achtige honden hebben georganiseerd en/of dat zij daarbij aanwezig waren. Verder wordt een aantal van hen verweten dat zij pijn en/of letsel bij die honden hebben veroorzaakt en dat zij honden hebben gefokt/getraind en in niet aangemelde inrichtingen hebben gehouden zonder vakbekwaamheidsbewijs. Daarnaast wordt verdachte en een medeverdachte verweten dat zij (dier)geneesmiddelen voorhanden hebben gehad. Tot slot zouden de verdachten een criminele organisatie hebben gevormd met als gezamenlijk doel het organiseren van hondengevechten en het fokken van (vecht)honden. Tegelijk met de zaak tegen verdachte zijn de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (de vriend van verdachte), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] behandeld. Ook in de zaken van de medeverdachten doet de rechtbank vandaag uitspraak.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de feiten bewezen kunnen worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Onder fokken valt ook het houden van één nest met honden. Dat de honden die bij verdachten in beslag zijn genomen gevaarlijke en agressieve karaktereigenschappen hadden volgt uit de assessmentrapporten van de Universiteit Utrecht en de bevindingen van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID). Negen van de twaalf pups, die van [medeverdachte 1] waren en bij verdachte in beslag zijn genomen, zijn afgemaakt wegens agressieve en/of antisociale karaktereigenschappen. Ook de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] , afkomstig uit een door verdachte gefokt nestje uit juli 2014, zijn afgemaakt wegens agressieve karaktereigenschappen. Feit 1 kan voor wat betreft de negen pups en de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] dan ook bewezen worden.

Bedrijfsmatig fokken en handelen in honden in strijd met de regels (feit 2)

Voor honden en katten geldt als richtsnoer dat iemand bedrijfsmatig handelt als hij in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten heeft verkocht, afgeleverd, gehouden voor opvang of gefokt voor de verkoop of aflevering. Verdachte en haar medeverdachten hebben in de periode van 13 september 2015 tot en met 13 september 2016 dertig honden gefokt en/of verhandeld. Ook hadden zij meerdere honden voor fok en/of verkoop onder zich of werden er honden bij anderen geplaatst waar dan een nest mee werd gefokt. Als bedrijfsmatig wordt gehandeld en gefokt moet worden voldaan aan de voorwaarden van §2 van het Besluit houders van dieren. Noch de kennel van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ( [naam kennel] )) noch de kennel van verdachte ( [naam kennel] )) stonden ingeschreven als bedrijfsinrichting. Door verdachte en haar medeverdachten zijn ook geen andere bedrijfsinrichtingen aangemeld. Er is geen deugdelijke administratie gevoerd en verdachte en haar medeverdachten waren niet in het bezit van een vakbekwaamheidsbewijs. Hiermee kan feit 2 bewezen worden. Op basis van het dossier kan tevens worden vastgesteld dat verdachte en haar medeverdachten dusdanig bewust en nauw hebben samenwerkt dat zij als medeplegers kunnen worden beschouwd.

Organiseren van en aanwezig zijn bij hondengevechten (feiten 3 en 4)

Uit elk zaaksdossier (hierna: ZD) dat ziet op een hondengevecht blijkt dat verdachte daar haar hond heeft laten deelnemen aan het gevecht en/of het gevecht bij haar thuis heeft laten plaatsvinden. Ook uit WhatsAppgesprekken blijkt dat verdachte betrokken was bij het organiseren van de ten laste gelegde gevechten. Bij alle gevechten is sprake van medeplegen, omdat een gevecht alleen kan plaatsvinden door het maken van afspraken.

Verrichten van een lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] (feit 5)

Hond [naam hond 3] is gewond aangetroffen in de woning van verdachte. In die woning lag een hechttang en werden bloedsporen in de wasbak gevonden. Verdachte heeft verklaard dat het hechtpistool van haar is en dat [medeverdachte 1] het heeft gebruikt om hond [naam hond 3] te hechten.

Dierenmishandeling (feit 6)

Op basis van de videobeelden, de WhatsAppgesprekken en de dierenartsverklaringen kan bewezen worden dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de honden pijn en letsel hebben toegebracht en hun gezondheid hebben benadeeld door de honden te laten vechten waarbij de honden verwondingen opliepen.

Diergeneesmiddelen (feit 7)

De bij verdachte thuis aangetroffen diergeneesmiddelen met een Turkstalig of Bulgaars etiket zijn niet toegestane diergeneesmiddelen omdat ze niet zijn voorzien van een Nederlandse registratie en etikettering. De andere diergeneesmiddelen die zijn aangetroffen mogen uitsluitend worden toegepast door een dierenarts en zijn daarom ook niet toegestane diergeneesmiddelen.

Criminele organisatie (feit 8)

Verdachte en haar medeverdachten hebben deelgenomen aan een organisatie die zich langere tijd bezig heeft gehouden met het illegaal bedrijfsmatig fokken en handelen in (vecht)honden, het organiseren van hondengevechten, het benadelen van de gezondheid van die honden en het illegaal gebruik van diergeneesmiddelen met als ultiem doel het fokken van en handelen in honden geschikt voor hondengevechten. Uit het onderzoek blijkt dat verdachte vaak diegene was die de honden verzorgde en telkens aanwezig was bij een gevecht om haar hond of de hond van [medeverdachte 1] te begeleiden en aan te moedigen. Uit het dossier blijkt verder dat de honden telkens tussen de deelnemers onderling werden uitgewisseld. Alle verdachten vormden gedurende langere tijd een schakel in de keten van de organisatie; zij hebben ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunden zij gedragingen die strekten tot of die rechtstreeks verband hielden met dat oogmerk van de organisatie. Zij hebben niets gedaan om de criminele handelingen te voorkomen of te (laten) stoppen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid hadden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd op de feiten die verdachte heeft bekend. Voor de overige feiten is te weinig bewijs en moet dus vrijspraak volgen.

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Dat zou zijn gefokt met honden met vechtkenmerken en/of agressieve karaktereigenschappen maakt niet dat de betreffende hond feitelijk agressief of gevaarlijk is. Een vechtkenmerk of agressieve eigenschap kan ook niet worden gezien als een ernstige gedragsafwijking. Dat het vechtkenmerk ook feitelijk werd overgedragen aan de nakomelingen kan niet worden bewezen. Bovendien is het fokken of doen voortplanten van een hond met een vechtkenmerk niet schadelijk voor het welzijn van de nakomelingen. Daarvan kan al helemaal niet worden gesproken als de moederhond zelf uiteindelijk op basis van het risico-assessment is herplaatst.

Bedrijfsmatig fokken en handelen in honden in strijd met de regels (feit 2)

Verdachte heeft nadrukkelijk ontkend dat zij honden heeft gefokt of verhandeld als vechthond bestemd voor hondengevechten. Verdachte heeft slechts drie nestjes gehad. In de ten laste gelegde periode heeft zij nooit meer dan 20 honden gehad in een aaneengesloten jaar, behalve in het ene jaar dat er 12 pups zijn geboren uit één nestje. Eén nestje met 12 pups is een unieke hoeveelheid. Dat er zoveel pups zijn geboren in een nestje was niet te voorzien en kan niet leiden tot de aanname dat sprake is van bedrijfsmatig handelen. Bovendien heeft zij pups alleen verkocht aan familie en vrienden zonder daar winst op te willen maken. Zij heeft ook geen dieren opgevangen tegen vergoeding. Via medeplegen kan ook niet tot een bewezenverklaring worden gekomen, want verdachte nam geen deel aan de WhatsAppgesprekken over welke honden zouden worden gefokt.

Diergeneesmiddelen (feit 7)

Het middel ‘K9 PawPad’ is geen diergeneesmiddel in de zit van de Wet dieren. Het is een verzorgingsmiddel dat ook in de winkel of online kan worden gekocht. Het middel Praziquantel wordt niet in de veterinaire verklaring genoemd, daarvan kan dus niet worden vastgesteld of het een diergeneesmiddel is. Voor de overige diergeneesmiddelen kan alleen bewezen worden dat verdachte ze voorhanden heeft gehad. Dat zij deze naar of buiten Nederland heeft gebracht, blijkt niet uit het dossier.

Criminele organisatie (feit 8)

Er was geen sprake van een duurzaam samenwerkingsverband, geen hiërarchische of gelijkwaardige verhoudingen en geen samenwerkingsverbanden. Verdachte heeft gevechten georganiseerd en was bij gevechten aanwezig, maar zij maakte geen deel uit van een crimineel netwerk. Voor een criminele organisatie is veel meer nodig dan het incidenteel organiseren van of aanwezig zijn bij een hondengevecht en het voorhanden hebben van diergeneesmiddelen. Niet bewezen kan worden dat zij honden ‘klaarstoomde’ voor gevechten, beslissingen nam over welke honden zouden deelnemen aan een gevecht of welke honden met elkaar zouden paren. Verdachte had ook zeker geen oogmerk om deel te nemen aan een organisatie die zich zou bezig houden met het organiseren van illegale hondengevechten.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Het organiseren van hondengevechten (feit 3)

De rechtbank beoordeelt hierna per gevecht of tot een bewezenverklaring van het organiseren daarvan kan worden gekomen. Alleen aanwezig zijn bij het hondengevecht, ook als scheidsrechter, is onvoldoende voor organiseren. Voor het tot stand brengen van een hondengevecht moeten meerdere dingen worden georganiseerd en afgesproken. Zo moet bijvoorbeeld een locatie worden geregeld, een datum en een tijdstip worden afgestemd, deelnemers worden uitgenodigd en een scheidsrechter worden geregeld. Als bewezen kan worden dat verdachte een aandeel heeft gehad in één van deze onderwerpen, dan vindt de rechtbank bewezen dat verdachte dat gevecht (mede) heeft georganiseerd. Omdat voor het maken van afspraken voor een gevecht altijd meerdere mensen nodig zijn, heeft de organisator ervan het gevecht altijd samen met één of meer anderen georganiseerd. Er is bij bewezen organiseren dus steeds sprake van medeplegen.

4.4.2

Dierenmishandeling (feit 6)

De rechtbank beoordeelt hierna per zaaksdossier of tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Als een hondengevecht wordt bewezen waarbij twee honden elkaar hebben gebeten is het een gegeven dat bij de betrokken honden pijn en/of letsel is veroorzaakt en het welzijn van het dier is benadeeld. De videobeelden van de gevechten leveren daarvoor voldoende bewijs. Als de betrokkenheid van verdachte bij de organisatie van een hondengevecht wordt bewezen, staat daarmee dus ook vast dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de benadeling van de gezondheid van de deelnemende honden. Net als bij de organisatie is ook hier steeds sprake van medeplegen van die benadeling, samen met de andere organisator(en).

4.4.3

De feiten die verdachte heeft bekend

De rechtbank volstaat ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6 met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin Sv.

4.4.4

Vrijspraken

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Wettelijk kader

In de Nota van toelichting is verwoord dat het uitgangspunt bij artikel 3.4 Besluit houders van dieren is dat het fokken van dieren op verantwoorde manier gebeurt, of dit nou bedrijfsmatig gebeurt of als hobby. Fokkers bepalen namelijk (voor een groot deel) de context waarin een hond leeft en zijn verantwoordelijk voor de socialisatie en opvoeding van het dier. Voorkomen moet worden dat ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan nakomelingen van dieren. Verder moet voorkomen worden dat het welzijn van nakomelingen ernstig wordt beïnvloed of de veiligheid van mensen of andere dieren in het geding wordt gebracht door het fokken met dieren met afwijkingen of met het fokken van dieren die een vergrote kans hebben op het ontstaan van ernstige gedragsafwijkingen.1

Het wettelijk kader toegepast op de huidige zaak

De honden waar het in deze zaak om draait zijn pitbulls of pitbullachtige honden (zoals Staffordshire terriërs). Het fokken met pitbulls of pitbullachtige honden is op zichzelf niet strafbaar. Het verwijt van de officier van justitie houdt in dat gefokt is op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen. De rechtbank moet de volgende vragen beantwoorden:

  • -

    Heeft verdachte honden gefokt op vechtkenmerken?

  • -

    Zijn vechtkenmerken aan te merken als ernstige gedragsafwijkingen zoals bedoeld in artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren?

Uit het dossier kan onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het maken van beslissingen over het kruisen/fokken van honden. De WhatsAppgesprekken over het fokken worden vooral gevoerd tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte neemt aan die gesprekken geen deel. Verdachte wordt vrijgesproken van dit feit.

Het bedrijfsmatig fokken en handelen in honden (feit 2)

Uit het dossier blijkt niet van een duidelijke rol van verdachte in het fokken en handelen. Zij komt maar weinig voor in de WhatsAppgesprekken over het (bedrijfsmatig) fokken. Dit is onvoldoende om vast te stellen dat zij bedrijfsmatig heeft gehandeld. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.

Diergeneesmiddelen (feit 7)

Voor een bewezenverklaring van de invoer of het voorhanden hebben van diergeneesmiddelen moet eerst worden vastgesteld of een bepaald middel een diergeneesmiddel is. In het dossier zit een veterinaire verklaring over welke van de bij verdachte aangetroffen middelen diergeneesmiddelen zijn. Omdat de middelen K9 PawPad en Praziquantel niet in deze verklaring wordt genoemd, kan de rechtbank niet vaststellen dat K9 PawPad en Praziquantel diergeneesmiddelen zijn. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de middelen ‘K9 PawPad’ en ‘Praziquantel’ in feit 7 op de tenlastelegging.

Tevens blijkt niet dat verdachte diergeneesmiddelen binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de zinsnede ‘in Nederland te brengen’.

Criminele organisatie (feit 8)

Onder organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake is van zo’n samenwerkingsverband. Het organiseren/ aanwezig zijn bij hondengevechten en/of (het voeren van gesprekken over) het fokken van honden gebeurde wel vaak, maar steeds in wisselende samenstelling en zonder vaste rollen. Weliswaar bestonden er vaste rollen binnen één hondengevecht – twee personen moedigen een hond aan, een ander is de scheidsrechter – maar wie welke rol vervulde, verschilde per gevecht. Ook buiten de hondengevechten om waren er geen vaste rollen.. De rechtbank stelt vast dat meerdere mensen uit een groep die elkaar allemaal kenden via de gemeenschappelijke interesse in (vecht)honden, soms samen met een of meer anderen uit die groep, misdrijven hebben gepleegd. Maar dat is onvoldoende om te spreken van een groep die als gemeenschappelijk doel het plegen van (die) misdrijven heeft. De rechtbank vindt dus niet bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.4.5

Bewijsoverwegingen

Lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] (feiten 5 en 6B, ZD 2)

Op 5 oktober 2016 werd hond [naam hond 3] gewond in het huis van verdachte aangetroffen. Op de poot van de hond zat een krammetje en bij doorzoeking van het huis van verdachte werden in de wastafel een hechttang en bloedsporen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat de hechttang van haar is en dat [medeverdachte 1] de tang heeft gebruikt om hond [naam hond 3] te hechten. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door WhatsAppgesprekken tussen haar en [medeverdachte 1] . Daaruit blijkt dat zij eerder een hond hebben gehecht met een hechtpistool en dat [medeverdachte 1] op 5 oktober 2016 – voordat het hondengevecht plaatsvindt – aan verdachte heeft gevraagd of zij een hechtpistool thuis heeft liggen. De rechtbank stelt op basis van dit bewijs vast dat verdachte, samen met [medeverdachte 1] , de poot van hond [naam hond 3] heeft gehecht met een hechtpistool. Verdachte heeft toestemming gegeven om haar hond te laten hechten en zij heeft het hechtpistool daarvoor aan [medeverdachte 1] ter beschikking gesteld.

Dierenmishandeling hond [naam hond 4] (feit 6A4, ZD 6)

In de telefoon van [medeverdachte 1] zijn WhatsAppberichten aangetroffen waarin hij foto’s van een verwonde hond heeft doorgestuurd. Op de computer van verdachte zijn foto’s gevonden in de map ‘ [naam hond 4] ’ met foto’s van een hond met littekens die overeenkomen met de verwondingen van de gewonde hond op de verstuurde foto’s. Uit de WhatsAppberichten blijkt dat [medeverdachte 1] kennis heeft van welke verwondingen de hond heeft opgelopen, hoe lang het gevecht duurde en in die gesprekken benoemt hij specifieke details van het gevecht. Hij zegt dat verdachte erbij was. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte en [medeverdachte 1] bij een gevecht zijn geweest waarbij hond [naam hond 4] gewond is geraakt. Verdachte heeft verklaard dat zij de eigenaresse is van de hond, maar uit het dossier blijkt dat ook [medeverdachte 1] zeggenschap had over de hond. De facturen van de dierenarts voor [naam hond 4] heeft hij betaald en zijn naam staat op de overeenkomst. Beiden hadden kennelijk beschikkingsmacht over de hond. Verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het hondengevecht door [naam hond 4] daaraan te laten deelnemen. Bij dit hondengevecht heeft [naam hond 4] letsel heeft opgelopen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

3.
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Emmen of Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, dierengevechten heeft georganiseerd en/of dieren aan dierengevechten heeft doen deelnemen, immers hebben zij en haar mededaders:

1. op 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 3] en hond [naam hond 5] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 02) en

2.in januari 2016 in de woning aan de [adres] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 6] en hond [naam hond 7] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 03) en

3. op 18 februari 2016 in een woning aan [adres 1] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 8] en hond [naam hond 7] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaaksdossier 04) en

4. op 20 september 2016 in de woning aan de [adres] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 9] en hond [naam hond 3] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 07) en

5. op 20 maart 2016 in de woning aan de [adres] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 2] en hond [naam hond 1] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 11);

4.

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Emmen of te Amersfoort, telkens bij hondengevechten aanwezig is geweest, namelijk:

1. een hondengevecht op omstreeks 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 02) en

2. een hondengevecht in januari 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 03) en

3. een hondengevecht op 18 februari 2016 in een woning aan [adres 1] (zaaksdossier 04) en

4. een hondengevecht op 20 september 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 07) en

5. een hondengevecht op 20 maart 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 11);

5.

op 5 oktober 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een lichamelijke ingreep heeft verricht, immers hebben zij en haar mededader de poot van hond [naam hond 3] gehecht met een hechtpistool (zaaksdossier 02);

6.

in de periode van 1 december 2015 tot en met 5 oktober 2016 te Amersfoort of te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, telkens bij een dier pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, immers hebben zij en haar mededaders:

A. honden deel laten nemen aan gevechten waarbij :

1. op 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 02)

  • -

    honden [naam hond 3] en [naam hond 5] veel bijtwonden opliepen en

  • -

    [naam hond 3] kreupel is geworden en

  • -

    [naam hond 5] kreupel is geworden

en

2. in januari 2016 in de woning aan de [adres] (zaaksdossier 03) hond [naam hond 6] een neuswond heeft opgelopen en

3. in de periode van 1 december 2015 tot en met 12 december 2015 in Nederland (zaaksdossier 06) hond [naam hond 4] / [naam] ernstige verwondingen heeft opgelopen en

4. op 20 september 2016 in de woning aan de [adres] (zaakdossier 07) hond [naam hond 9] ernstige verwondingen heeft opgelopen en

5. op 20 maart 2016 in een woning aan de [adres] (zaaksdossier 11) hond [naam hond 1] (kop)wonden heeft opgelopen

en

B. de poot van hond [naam hond 3] gehecht met een hechtpistool (zaaksdossier 02);

7.

op 5 oktober 2016 te Amersfoort, opzettelijk handelingen heeft verricht die ertoe strekten diergeneesmiddelen voorhanden te hebben, terwijl deze handeling niet was toegestaan krachtens een vergunning die is verstrekt ingevolge een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-rechtshandeling vastgesteld voorschrift of een bij ministeriële regeling aangewezen voorschrift van een EU-verordening inzake het in de handel brengen, vervaardiging, invoer, of het bezit van, handel in of verstrekken van een diergeneesmiddel, immers heeft zij een hoeveelheid diergeneesmiddelen waaronder:

- een aangebroken flesje Baytril met Turkstalig etiket en

- 2 gevulde injectiespuiten Eprex

voorhanden gehad in de woning aan de [adres] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar. Gedurende de proeftijd zou als bijzondere voorwaarde moeten gelden dat verdachte geen honden zal houden. Voor de overtredingen heeft zij telkens een geldboete van €250,00 gevorderd, bij niet betalen steeds te vervangen door 5 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke straf zou moeten worden opgelegd. Hij heeft verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol van verdachte in het geheel, de samenloopregeling en de overschrijding van de redelijke termijn. Ook is verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte – zij is gediagnosticeerd met PTSS – en het gegeven dat haar honden zijn geëuthanaseerd. Een gevangenisstraf zou betekenen dat het zoontje van verdachte uit huis zou worden geplaatst, wat een schending zou opleveren van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank merkt op dat de zaak van verdachte samenhangt met de zaken van de medeverdachten. Bij de strafmaat is bij elke verdachte het dierenleed, waaronder in ieder geval de hondengevechten en de dierenmishandeling worden geschaard, als uitgangspunt genomen, waarna per individu is bekeken welke straf passend is.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich langere periode schuldig gemaakt aan het organiseren van vijf hondengevechten en het aanwezig zijn bij vijf hondengevechten. Door haar betrokkenheid bij de hondengevechten heeft zij zich ook schuldig gemaakt aan dierenmishandeling. De honden liepen tijdens de gevechten ernstige (bijt)wonden op, zijn kreupel geworden en/of hebben hier littekens aan overgehouden. Een van de honden, [naam hond 3] , is dusdanig gewond geraakt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] haar poot hebben gehecht met een hechtpistool. Op de videobeelden van de hondengevechten, waarvan een selectie door de officier van justitie op de zitting is getoond, is duidelijk te horen hoe de honden janken als uiting van pijn en/of uitputting. Ook is te zien dat de gevechten redelijk lang duren en er soms ook opnieuw begonnen wordt als een hond al verzwakt is. Het is dan ook schrijnend om te zien hoeveel verschrikkelijk leed de honden is aangedaan. Mensen hebben ten opzichte van dieren een speciale verantwoordelijkheid. Dit houdt in dat in de omgang met dieren zorg moet worden gedragen voor het welzijn en de gezondheid van het dier en dat al het mogelijke wordt gedaan om de eigenheid en integriteit van een dier te respecteren. Door de honden zoveel leed aan te doen heeft verdachte de intrinsieke waarde van deze honden aangetast. Het leed wat deze honden door de hondengevechten werd aangedaan rechtvaardigt alleen al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alhoewel verdachte daar op zitting uitvoerig over is bevraagd, is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat het motief was voor verdachten om honden te laten vechten. Verdachte zou via andere hondenliefhebbers in aanraking zijn gekomen met hondengevechten en nieuwsgierig zijn geweest naar de capaciteiten van haar honden. Het blijft voor de rechtbank een raadsel hoe door verdachte en ook medeverdachte [medeverdachte 1] enerzijds gesproken wordt over de honden alsof het hun kindjes zijn/waren, en ze de honden anderzijds aan hondengevechten blootstelden, en daarna weer oplapten.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verboden diergeneesmiddelen. Hiermee heeft zij de (Europese) regelgeving ondermijnd, waardoor bedrijven en instellingen die wel de regelgeving naleven zijn benadeeld.

De schending van de redelijke termijn

Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij kan gedacht worden aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte of zijn advocaat op het procesverloop en de manier waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld. Dat was op 6 oktober 2016. Dit betekent dat, als zich geen bijzonderheden voor doen, de zaak in oktober 2018 afgerond had moeten zijn. Het dossier was op 12 oktober 2017 klaar, maar daarna heeft nog onderzoek bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Het onderzoek bij de rechter-commissaris heeft lang op zich laten wachten en was op 28 februari 2019 klaar. Ook de planning van de zittingsdagen heeft té lang op zich laten wachten. Hoewel sprake is van een groot onderzoek en veel verdachten, zijn de omstandigheden niet zó bijzonder dat voor deze zaak één jaar meer nodig zou zijn dan voor andere zaken. De rechtbank vindt dan ook dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, wat strafverminderend wordt meegewogen in de strafmaat.

Andere relevante omstandigheden

Ook is gekeken naar het strafblad van verdachte van 4 juli 2019, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Verder wordt in aanmerking gekomen dat uit het dossier het beeld rijst dat verdachte van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en achteraf lijkt ze zich bewust te zijn van het kwaad wat zij heeft aangericht. Ook is duidelijk geworden dat deze hele zaak en het uit huis plaatsen van haar honden grote impact op haar persoonlijke leven heeft gehad. Dit wordt dan ook strafverminderend meegewogen.

De rechtbank heeft voorts meegewogen dat verdachte zelf ter zitting heeft verteld dat deze zaak door de media-aandacht in haar privésfeer nare gevolgen heeft gehad.

De raadsman heeft bepleit dat de inbeslaggenomen pups ten onrechte zijn geëuthanaseerd. In 2017 is tegen het voornemen van de officier van justitie om de in beslag genomen honden te euthanaseren door de verdediging een kort geding aangespannen bij de rechtbank Den Haag. In zijn vonnis van 21 april 2017 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de machtiging tot euthanasie af te geven. De rechtbank sluit zich bij dat vonnis aan en vindt dan ook dat het euthanaseren van de inbeslaggenomen honden geen reden voor strafvermindering is.

De rechtbank is verder van oordeel dat bij feit 5 en 6B sprake is van eendaadse samenloop2, omdat het verrichten van een lichamelijke ingreep bij een hond automatisch inhoudt dat ook pijn en/of letsel bij die hond wordt veroorzaakt. Ten aanzien van feiten 3, 4 en 6 is sprake van meerdaadse samenloop.

De straffen

De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging. Verdachte wordt voor de misdrijven veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur (subsidiair 4 maanden vervangende hechtenis), met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren met de volgende bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt dat verdachte – gelet op de ernst van het dierenleed wat is aangedaan en het gegeven dat verdachte inmiddels weer een (pitbullachtige) hond heeft aangeschaft – gedurende de proeftijd ook geen honden mag houden. De rechtbank zal daarom als bijzondere voorwaarde een houdverbod voor het houden van honden opleggen. Daarmee wil de rechtbank voorkomen dat er weer hondengevechten gehouden gaan worden. Een periode van 3 jaar voor een verbod op het houden van honden vindt de rechtbank voldoende. Volgens artikel 14d Sr is het Openbaar Ministerie belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden. Gelet op de achtergrond van het feitencomplex is de LID de aangewezen instantie om onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie controles uit te oefenen. Om die reden zal tevens de bijzondere voorwaarde worden opgenomen dat verdachte moet meewerken aan controles op het houdverbod, uit te voeren door de LID.

Gezien het tijdsverloop van de zaak, vindt de rechtbank dat voor de overtredingen – naast de straffen die al voor de misdrijven worden opgelegd – geen straf of maatregel meer hoeft te volgen. De rechtbank zal voor de overtredingen dan ook volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Als er geen overschrijding was van de redelijke termijn had de rechtbank voor de overtredingen conform de eis van de officier van justitie straffen opgelegd.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    vier honden, pitbulterriër (teef);

  • -

    vijf honden, pitbulterriër (reu pups, ong. 4 weken oud);

  • -

    zeven honden, pitbulterriër (teef pups, ong. 4 weken oud).

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de herplaatste honden/pups, zijnde teef [naam hond 10] , reu pup [naam hond 11] en teef pups [naam hond 12] en [naam hond 13] , die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De overige inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de honden/pups die zijn geëuthanaseerd, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57 en 62 Sr, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2.1, 2.8, 2.14, 2.19, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 en 8 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Meerdaadse samenloop van

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.14 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.14 Wet dieren, viermaal gepleegd

en

ten aanzien van feit 6A1 tot en met 6A5:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.1 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.8 Wet dieren, opzettelijk begaan

en

ten aanzien van feit 6B:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.1 Wet dieren, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van feit 7:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.19 Wet dieren, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor de feiten 3, 5, 6 en 7 tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van deze straf in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.

Veroordeelt verdachte voor de feiten 3, 5, 6 en 7 tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen honden meer houdt, of door (een) ander(en) laat houden.

- gedurende de proeftijd meewerkt aan de controles op bovengenoemde voorwaarde door de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID).

Geeft aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt ten aanzien van het onder feit 4 bewezen verklaarde, voor elk van de overtredingen, dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart verbeurd:

  • -

    één hond, pitbulterriër (teef), genaamd [naam hond 10] ;

  • -

    één honden, pitbulterriër (reu pup, ong. 4 weken oud), genaamd [naam hond 11] ;

  • -

    twee honden, pitbulterriër (teef pups, ong. 4 weken oud), genaamd [naam hond 12] en [naam hond 13] .

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    drie honden, pitbulterriër (teef);

  • -

    vier honden, pitbulterriër (reu pups, ong. 4 weken oud);

  • -

    vijf honden, pitbulterriër (teef pups, ong. 4 weken oud).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2019.

1 Zie de Nota van Toelichting bij het besluit van 17 juni 2014, Stb. 2014, 232.

2 Van eendaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 Sr, is sprake wanneer hetzelfde feit door de omstandigheden waaronder het wordt gepleegd of waarvan het vergezeld gaat tevens een ander strafbaar feit oplevert.