Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
Parketnummer 13/751696-19
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Lijstfeit ten onrechte aangekruist, overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: : 13/751696-19 (EAB I)

RK nummer: 19/4466

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2019 door het Amtsgericht Würzburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De overlevering van de opgeëiste persoon is eerder, bij uitspraak van 31 januari 2019, toegestaan. Feitelijke overlevering heeft aanvankelijk echter niet plaatsgevonden, omdat de opgeëiste persoon gedetineerd was uit anderen hoofde. Op een later tijdstip heeft de omstandigheid dat het EAB destijds was uitgevaardigd door een Duitse officier van justitie daaraan in de weg gestaan. Het EAB dat thans aan de orde is, komt inhoudelijk overeen met dit eerdere EAB, met dien verstande dat het EAB van 12 juni 2019 is uitgevaardigd door een Duitse rechter.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 oktober 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een op 24 april 2018 door het Amtsgericht Würzburg uitgevaardigd arrestatiebevel met dossiernummer 1 Gs 1184/18.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat feit 2 in het EAB ongenoegzaam is nu de aanhef van onderdeel e) spreekt over een pleegperiode van
1 september 2017 tot en met 3 september 2017 en de feitomschrijving onder 2 als pleegperiode
2 september 2016 tot en met 3 september 2016 vermeldt. Het is daarom onduidelijk waarover het gaat, zodat de overlevering partieel dient te worden geweigerd, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft gesteld dat, nu in de aanhef wordt gesproken over 2017, sprake is van een kennelijke verschrijving. Zij acht de overlevering daarom toelaatbaar voor beide feiten. In geval van twijfel zou de zaak volgens haar moeten worden aangehouden teneinde daarover uitsluitsel te verkrijgen.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat evident sprake is van een kennelijke verschrijving in de aanduiding van het jaar waarin de feiten zouden zijn gepleegd. De rechtbank gaat er dus van uit dat beide feiten dateren van 2017.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Gelet op de omschrijving van de feiten is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de feitomschrijving en de aangekruiste categorie, zoals door de officier van justitie al ter zitting betoogd, zodat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen.

4.2.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De rechtbank is van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten niet in redelijkheid heeft aangeduid als (lijst)feiten, waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

en

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De public prosecutor in Würzburg heeft de volgende garantie gegeven:

it is hereby guaranteed that, in the event of a final conviction in the Federal Republic of Germany, [opgeëiste persoon] as person prosecuted will be returned to the Netherlands for further execution on the basis of the current version of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union (OJ L 327, 5.12.2008, p. 27).

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank blijkens overweging 4.2 voldaan.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Würzburg (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. R. Godthelp en T.B. Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 oktober 2019.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.