Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8025

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
13/751177-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de Litouwse officier van justitie voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit" in de zin van artikel 6, lid 1, van het Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751177-19

RK nummer: 19/3099

Datum uitspraak: 24 oktober 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2019 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van the ruling issued by a pre-trial judge at District Court of Klaipéda, Chamber of Klaipéda on 6 February 2019.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee, naar Litouws recht, strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) heeft in het arrest van 27 mei 2019 in de zaak C-509/18 (PF) bij de beantwoording van de vraag van de Ierse rechter of de officier van justitie van de Republiek Litouwen een rechterlijke autoriteit is als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (Kaderbesluit), het volgende overwogen:

“56. In het licht van het voorgaande kan de procureur-generaal van Litouwen worden aangemerkt als „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584, aangezien (…) zijn status in deze lidstaat niet alleen de objectiviteit van zijn taak verzekert, maar tevens zijn onafhankelijkheid waarborgt ten opzichte van de uitvoerende macht in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Uit de elementen in het dossier waarover het Hof beschikt kan echter niet worden opgemaakt of de beslissingen van de procureur-generaal om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd.”

Naar aanleiding van bovenstaande vraag heeft the Chief Prosecutor bij brief van 27 juni 2019 het volgende meegedeeld:

“Furthermore, according to Article 69 of the Code of Criminal Procedure of the Republic of Lithuania (CCP) the Prosecutor General’s Office issues the European arrest warrant only upon receipt of the court’s order on arrest (arrest warrant) of the person in question. The coercive measure — arrest shall be imposed only by order of pre-trial investigation judge or court (Article 121 of CCP). This order may be appealed against to the higher court (Article 130 of CCP).

In addition, Article 63 of the CCP stipulates that persons participating in the proceedings may appeal against actions or decisions taken by prosecutor to the superior prosecutor. In cases where the superior prosecutor declines to grant the appeal rendering an order, this order may be appealed against to the pre-trial judge.

Therefore, the requirements inherent in effective judicial protection in the procedure of issuing European Arrest Warrant are satisfied in full and the protection of the person’s procedural rights and fundamental rights is guaranteed on both levels.”

Uit de eerste alinea van de hiervoor aangehaalde brief leidt de rechtbank af dat het nationale arrestatiebevel wordt uitgevaardigd door een onderzoeksrechter en dat daartegen beroep openstaat bij een hogere rechter.

De rechtbank begrijpt de tweede alinea zo dat tegen alle bevelen van officieren van justitie beroep openstaat bij de hogere of hoogste officier van justitie (superior prosecutor), waartegen vervolgens weer beroep openstaat bij een onderzoeksrechter/rechter-commissaris.

In aanvulling op voornoemde brief van 27 juni 2019 heeft the Deputy Chief Prosecutor in een brief van 29 augustus 2019 meegedeeld:

“Having examined the decision taken by the judges of International Legal Aid Division of the Court of Amsterdam on 20 August 2019, we would like to further clarify with regard to the issues raised in paragraph 4 of this decision. In accordance with Article 63 of the Code of Criminal Procedure, the actions of Chief Prosecutor of Department for Prosecution of the Prosecutor General’s Office issuing the European arrest warrant may be appealed against to the superior prosecutor, i.e. Prosecutor General of the Republic of Lithuania (Deputy Prosecutor General). If the Prosecutor General of the Republic of Lithuania (his Deputy) refuses to uphold the complaint, such decision may be appealed against to the pre-trial judge.”

De rechtbank leidt hieruit af dat tegen de beslissing van procureurs-generaal tot uitvaardiging van een EAB beroep openstaat bij een hogere of hoogste procureur-generaal (Deputy Prosecutor General), waartegen vervolgens weer beroep openstaat bij een onderzoeksrechter/rechter-commissaris.

Gelet op het voornoemde is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat de Litouwse officier van justitie (the Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania) voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt.

5 Strafbaarheid

5.1.

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gekwalificeerd als ‘Illegal Possession of Narcotic or Psychotropic Substances with Intent of Distributing Them or Illegal Possession of Very Large Amount of Narcotic or Psychotropic Substances’ moet achterwege blijven, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit dit feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Litouws recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat zij kwalificeert als ‘Smuggling’ niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien wordt voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Uit de feitelijke omschrijving van het feit leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht samen met anderen vanuit Nederland MDMA, hasjiesj en cannabis te hebben ingevoerd in Litouwen. Het feit levert aldus naar Nederlands recht op:

eendaadse samenloop van medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Litouwse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    de bewijsmiddelen zijn in Litouwen;

  • -

    de verdovende middelen zijn in Litouwen ingevoerd;

  • -

    de verdovende middelen zijn in Litouwen in beslag genomen;

  • -

    het onderzoek is in Litouwen aangevangen;

  • -

    de medeverdachten hebben de Litouwse nationaliteit.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6202) geoordeeld dat het rapport van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) over Litouwen van
7 april 2017 bewijzen bevat dat – wegens de buitengewone niveaus van geld, intimidatie en uitbuiting – een reëel gevaar bestaat dat personen die in Litouwen worden gedetineerd in de detentie instellingen Alytus Correction Home, Marijampolė Correction Home en Pravieniškės Correction Home, onmenselijk of vernederd worden behandeld.

Samen met de raadsvrouw acht de rechtbank met het oog hierop van belang dat wordt nagegaan waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, of dit één van de drie hiervoor genoemde instellingen betreft en zo ja, hoe de omstandigheden van de opgeëiste persoon daar zijn. Om die reden zal de rechtbank het onderzoek dan ook heropenen teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

8 Artikel 6, vijfde lid, van de OLW, gelijkstelling met een Nederlander

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gelijkstelling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. de opgeëiste persoon heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Ad 1) De rechtbank heeft de eerste voorwaarde volgens vaste rechtspraak zo uitgelegd dat aangetoond moet worden dat de onderdaan van een andere lidstaat vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Om dat verblijf in Nederland aan te tonen is een inschrijving in de Basisregistratie Personen in beginsel leidend. De opgeëiste persoon staat sinds 7 juli 2008 ingeschreven in dit register. Uit de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland een eigen bedrijf heeft. Voor de toetsing van de rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland als economisch zelfstandige is van belang dat in het Unierecht een zelfstandige iemand is die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. De rechtbank heeft in dit verband aansluiting gezocht bij het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens dit beleid in ieder geval sprake als:

  • -

    de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm of

  • -

    de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon tot nu toe onvoldoende onderbouwd dat hij rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen aanleiding het ter zitting gesloten onderzoek te heropenen. Dit geeft de opgeëiste persoon gelegenheid zijn beroep op gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW nader te onderbouwen, in het bijzonder wat betreft het door hem in 2015 en 2018 genoten inkomen dan wel wanneer de arbeid marginaal en bijkomstig is, of hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Deze onderbouwing dient ten minste een week voor de volgende zitting door de rechtbank en het Openbaar Ministerie te zijn ontvangen.

9 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te gaan waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, of dit de detentie instelling Alytus Correction Home, Marijampolė Correction Home of Pravieniškės Correction Home betreft en zo ja, hoe de omstandigheden van de opgeëiste persoon daar zullen zijn.

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon.

Aldus gedaan door

mr. C.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 oktober 2019.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.