Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8011

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
Parketnummers: 13/155832-19 en 23/004200-16 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negentien maanden gevangenisstraf wegens drie woninginbraken en een poging tot brandstichting. Toewijzing tul.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/155832-19 en 23/004200-16 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 25 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.J. van der Woude naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1:

medeplegen van diefstal met braak uit een woning waarbij een MacBook is weggenomen, gepleegd op 29 juni 2019 in Amsterdam;

Feit 2:

medeplegen van diefstal met braak uit een woning waarbij onder andere een laptop (merk: Dell) en een mediabox (merk: UPC) zijn weggenomen, gepleegd op 29 juni 2019 in Amsterdam;

Feit 3:

diefstal met braak uit een woning waarbij onder andere verschillende zilveren sieraden en een iPhone zijn weggenomen, gepleegd op 14 juni 2019 in Amsterdam;

Feit 4:

primair: opzettelijke brandstichting waardoor gevaar voor personen en goederen is ontstaan, gepleegd op 29 juni 2019 in Amsterdam;

subsidiair: poging tot opzettelijke brandstichting waardoor gevaar voor personen en goederen is ontstaan, gepleegd op 29 juni 2019 in Amsterdam;

meer subsidiair: vernieling van een kussen op 29 juni 2019 in Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Oordeel van de rechtbank

4.1.1.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Verbalisanten waren op 29 juni 2019 op de Marnixstraat in Amsterdam in burger gekleed en belast met hun werkzaamheden in het kader van de aanpak van personen opgenomen in de top600. Rond 20:00 uur zagen zij verdachte – die hen in dat kader ambtshalve bekend voorkwam en waarvan het vermoeden bestond dat hij zich recent bezig hield met woninginbraken – met een andere man door Amsterdam fietsen. Verbalisanten hebben hen daarom een tijdje gevolgd en zagen toen hoe verdachte en – naar later bleek – medeverdachte [naam ] verschillende keren bij een woning stopten. Hierbij probeerde verdachte deuren van woningen te openen, terwijl medeverdachte [naam ] op de uitkijk leek te staan. Ook zagen verbalisanten dat verdachte de portiekdeur van een woning aan de Anjelierstraat open ‘flipperde’ en – terwijl medeverdachte [naam ] op straat op de uitkijk stond – het portiek in ging. Vervolgens zagen zij dat verdachte het portiek verliet en dat hij een deurmat tussen het kozijn en de deur had geplaatst, zodat de portiekdeur open bleef staan. Op basis van onderzoek in het portiek bleken er meerdere schoenvegen op de onderzijde van de – afgesloten – deur van een woning op de eerste verdieping van dat gebouw te zitten, waarbij het leek alsof iemand met kracht tegen de deur had getrapt.

Na dit voorval zagen verbalisanten dat verdachte en medeverdachte [naam ] weer doorfietsten, tot ze ter hoogte van het Haarlemmerplein [nummer 1] afstapten. Zij zagen dat verdachte naar de gevel liep, waarbij hij – door de positie van de verbalisanten – niet meer zichtbaar was. Wel vernamen zij medeverdachte [naam ] , die heen en weer liep en “druk om zich heen keek”. Na enkele minuten zagen de verbalisanten dat de portiekdeur openging en dat medeverdachte [naam ] naar de geopende deur van perceel [nummer 1] liep en het pand betrad. Hierop positioneerden verbalisanten zich bij de portiekdeur. Na ongeveer 5 à 10 minuten zagen zij dat de deur werd geopend en dat medeverdachte [naam ] met twee rode plastic tassen naar buiten kwam. Zij zagen dat de tassen waren gevuld met onder andere laptops, waarna zij medeverdachte [naam ] op heterdaad hebben aangehouden. Vervolgens zijn verbalisanten via de portiekdeur de trap opgelopen, waar zij verdachte uit de woning op de eerste verdieping zagen komen. De deur van deze woning bleek met geweld te zijn opengebroken. Daarop is ook verdachte op heterdaad aangehouden.

Uit onderzoek bleek vervolgens dat ook de deur van de woning op de tweede verdieping was opengebroken. Ook bleek dat de rode plastic tassen die medeverdachte [naam ] naar buiten droeg, zowel goederen bevatten die afkomstig waren uit de woning op de eerste verdieping als uit de woning op de tweede verdieping.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij – tezamen met medeverdachte [naam ] – naar de woning aan het Haarlemmerplein is gegaan. Verdachte heeft de deur van de woning op de eerste verdieping – het onder 1 ten laste gelegde feit – ingetrapt en een laptop weggenomen. Deze laptop heeft hij aan medeverdachte [naam ] gegeven die hem in een van de rode tassen heeft gestopt. Ook heeft verdachte verklaard dat hij steeds samen met medeverdachte [naam ] is geweest.

Echter, verdachte heeft ontkend dat hij iets met de inbraak in de woning op de tweede verdieping – het onder 2 ten laste gelegde feit – te maken heeft gehad. Verdachte heeft verklaard niet in deze woning te zijn geweest. Ook verklaart hij niet gezien of gemerkt te hebben dat medeverdachte [naam ] wel in de woning op de tweede verdieping is geweest.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsman – medeplegen van diefstal met braak uit een woning waarbij een MacBook is weggenomen bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – ook het medeplegen van diefstal met braak uit de woning op de tweede verdieping bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien de verklaring van verdachte, dat hij niet in de woning op de tweede verdieping is geweest, zou worden gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat medeplegen van de woninginbraak bewezen is.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De hiervoor omschreven handelingen van zowel verdachte als medeverdachte [naam ] – in het bijzonder: het samen aankomen bij het gezamenlijke portiek van de woningen, waarna één op de uitkijk staat en wacht tot de ander de portiekdeur voor hem opent die toegang geeft tot beide woningen, waarna beide verdachten hier naar binnen gaan en na afloop de goederen uit beide woningen in dezelfde tassen worden aangetroffen – maken naar het oordeel van de rechtbank dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [naam ] is komen vast te staan. Ook als de verklaring van verdachte, dat hij zelf niet in de woning op de tweede verdieping is geweest, zou worden gevolgd is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

4.1.2.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de persoon op de stills van de camerabeelden op hem lijkt, maar dat hij wel eens een deur openmaakt om een slaapplaats te zoeken. De rechtbank schuift deze verklaring terzijde, nu uit de (screenshots van) van de camerabeelden volgt dat verdachte omstreeks 16:42 uur de toegangsdeur aan de Jacob van Lennepkade [nummer 2] binnengaat, waarna hij rond 16:55 uur alweer vertrekt. Gelet op deze zeer korte tijdspanne acht de rechtbank de verklaring van verdachte onaannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit diezelfde screenshots blijkt dat verdachte de deur met lege handen binnengaat, terwijl hij met een gevulde rode tas naar buiten gaat.

Aldus acht de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman – diefstal met braak uit een woning aan de Jacob van Lennepkade, waarbij onder andere verschillende zilveren sieraden en een iPhone zijn weggenomen, bewezen. De rechtbank baseert zich hierbij onder andere op de screenshots van de (zeer scherpe) camerabeelden uit het appartementencomplex en de herkenningen van verdachte als gedaan door zes verbalisanten.

4.1.3.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Verbalisant [naam verbalisant] was op 29 juni 2019 werkzaam in het cellencomplex aan het hoofdbureau in Amsterdam, toen hij het brandalarm hoorde afgaan. Het brandalarm zou komen uit cel 203. Nadat hij de deur van die cel had geopend, zag hij dat de arrestant – naar later bleek verdachte – op het bed zat. De verbalisant zag dat verdachte met zijn linkerhand een kussen vasthad en met zijn rechterhand een aansteker bij dit kussen hield. Hierbij zag hij dat het vlammetje tegen het kussen werd gehouden. Ook zag en rook hij dat er rook vrijkwam.

Daarnaast heeft de verbalisant verklaard dat tijdens het incident achttien arrestanten vastzaten in het cellencomplex, waarbij (onder andere) cel 202 en cel 204 bezet waren. Bovendien bevatte de cel van verdachte – naast het betreffende kussen – een matras en een lakenpakket van papier.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij boos was, de politie wilde pesten en daarom de aansteker heeft gebruikt om een stukje van het kussen te verbranden.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde – de opzettelijke brandstichting waardoor gevaar voor personen en goederen is ontstaan.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet is gebleken dat daadwerkelijk brand is ontstaan.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – het subsidiair ten laste gelegde – poging tot opzettelijke brandstichting waardoor gevaar voor personen en goederen is ontstaan – bewezen. Hiertoe overweegt zij als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het stichten van brand – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is van oordeel dat een persoon die opzettelijk een brandende aansteker bij een kussen houdt, terwijl hij is omringd door personen – waaronder medegedetineerden die niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen – en goederen – waaronder een papieren lakenpakket – willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat brand zou ontstaan waarbij gevaar voor personen (alleen al door de mogelijke rookontwikkeling) en goederen te duchten is. Het subsidiair ten laste gelegde feit is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 29 juni 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, uit een woning, gelegen aan het Haarlemmerplein [nummer 3] , een MacBook, computer, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak door een deur van voornoemde woning in te trappen;

2.

op 29 juni 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, uit een woning, gelegen aan het Haarlemmerplein [nummer 4] , een Dell laptop en een bril met koker en twee adapters en een speaker en een horlogeband met 2 schroevendraaiers en twee wire pull smokers en een UPC mediabox en een t-shirt, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak door een deur van voornoemde woning te forceren;

3.

op 14 juni 2019 te Amsterdam uit een woning, gelegen aan de Jacob van Lennepkade [nummer 2] , zilveren oorbellen en een zilveren ketting en een zilveren armband en een horloge en een ketting van amber en een ketting en een iPhone en parfum en een pot met kleingeld en een portemonnee en een speaker en diverse kettingen, toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en een valse sleutel door een deur van de centrale toegangshal tot voornoemde woning met een stuk plastic open te flipperen en een deur van voornoemde woning in te trappen;

4.

op 29 juni 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een cel, nr. 203, van het cellencomplex aan het hoofdbureau van politie, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was, met dat opzet, in voornoemde cel, een brandende aansteker heeft gebracht bij en gehouden tegen een kussen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van éénentwintig maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zich op het standpunt gesteld dat voor de door hem bewezen geachte twee woninginbraken en een vernieling een gevangenisstraf voor de duur van zes tot acht maanden passend is.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken, waaronder twee in vereniging, waarbij veel (persoonlijke) goederen zijn buitgemaakt. Daarnaast hebben de bewoners schade opgelopen doordat verdachte en de medeverdachte (toegangs)deuren hebben ingetrapt. Een woninginbraak is een ernstig strafbaar feit, omdat hiermee het gevoel van veiligheid van de bewoners in het bijzonder en van de maatschappij in het algemeen wordt aangetast. Iedereen hoort zich veilig te voelen in zijn of haar woning. Daarnaast heeft verdachte met zijn gedrag geen respect getoond voor andermans eigendommen.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot opzettelijke brandstichting. Dat het voorval met een sisser is afgelopen, is niet het gevolg van verdachte’s handelen.

Daarbij komt dat verdachte slechts gedeeltelijk verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank heeft het strafblad van verdachte van 12 september 2019 bekeken, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor verschillende vermogensdelicten, waaronder een aantal woninginbraken. De rechtbank weegt deze omstandigheid als strafverzwarend mee.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van de reclassering van 9 mei 2018. In dit rapport wordt geadviseerd verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte heeft de status van ongewenst vreemdeling in Nederland. Dit heeft tot gevolg dat hij geen stabiel leven kan opbouwen, omdat hij wegens zijn status niet in aanmerking komt voor reguliere huisvesting, werk en een inkomen. Bovendien komt verdachte niet in aanmerking voor hulpverlening. Hij leeft op straat en pleegt vermogensdelicten om in zijn levensonderhoud (en mogelijk middelengebruik) te kunnen voorzien. Daarnaast volgt uit het rapport dat verdachte niet kan terugkeren naar [geboorteland] , omdat hij hier onvoldoende medewerking aan verleent. Verdachte is – onder meer – niet bereid zijn officiële naam op te geven.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren met betrekking tot woninginbraken. Voor een afzonderlijke woninginbraak waarbij sprake is van recidive wordt in beginsel een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opgelegd. Verdachte heeft de twee woninginbraken op 29 juni 2019 tezamen met een ander gepleegd. Daarnaast zijn de goederen die verdachte bij de woninginbraak op 14 juni 2019 heeft buitgemaakt, niet teruggevonden. De rechtbank is van oordeel dat dit in die zaak bijzonder wrang is, nu onder meer verschillende zilveren sieraden zijn weggenomen en deze doorgaans een emotionele waarde vertegenwoordigen. Bovendien heeft verdachte – door deuren in te trappen en te forceren – schade veroorzaakt aan de woningen. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat de rechtbank ten aanzien van de drie woninginbraken steeds naar boven afwijkt van het oriëntatiepunt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank voor de twee woninginbraken op 29 juni 2019 samen een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden passend. Voor de woninginbraak op 14 juni 2019 komt zij tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Met betrekking tot de poging tot brandstichting heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor dit feit een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend is.

De rechtbank acht – alles afwegende – een gevangenisstraf voor de duur van negentien maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Amsterdam

De benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Amsterdam vordert een bedrag van € 58,08, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde schoonmaakkosten hangen samen met een feit dat niet in de tenlastelegging is opgenomen. Aldus is geen sprake van een causaal verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (TUL)

Bij de stukken bevindt zich de op 20 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23-004200-16, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 16 maart 2017 van het gerechtshof te Amsterdam en het arrest van 20 februari 2018 van de Hoge Raad der Nederlanden, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 207 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 4:

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) maanden

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart de benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Amsterdam niet-ontvankelijk in haar vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd arrest van 16 maart 2017 (en bekrachtigd bij arrest 20 februari 2018), namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. J.W.P van Heusden en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2019.

Bijlage [.]

[.]

[.]

[.]

[.]

[.]

[.]

1 [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]

  • -

    [.]