Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
04-11-2019
Zaaknummer
13/845236-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het niet melden van ongebruikelijke transacties en het niet verrichten van cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845236-17

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[rechtspersoon] ,

gevestigd op het [vestigingsadres rechtspersoon] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Kattouw, en van wat de indirect bestuurder van de vennootschap, [naam indirect bestuurder] , en haar raadslieden mr. M.H.W.N. Lammers en K.M.T. Helwegen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging op de zitting, – kort samengevat – tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. het in de periode van 26 februari 2013 tot en met 8 april 2015 niet voldoen aan de meldplicht van ongebruikelijke transacties zoals beschreven in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft).

2. het in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek van de Wwft

en/of

het in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 niet danwel onvolledig op toegankelijke wijze bewaren van de gegevens van de cliënt gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie als verplicht in de Wwft.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Geldigheid van de dagvaarding

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van beide feiten partieel nietig is, omdat onduidelijk is op welke transacties wordt gedoeld in de tenlastelegging door het opnemen van de woorden “onder meer”. De tenlastelegging voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het onderdeel van de tenlastelegging “onder meer” moet daarom ten aanzien van beide feiten nietig worden verklaard.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen. Vaak wordt het verwijt gemaakt dat een tenlastelegging waar alle transacties op staan te lang is. De meest duidelijke transacties zijn daarom met de naam van bedrijf opgenomen op de tenlastelegging. Uit het strafdossier blijkt met voldoende duidelijkheid welke andere transacties worden beoogd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding gaat het om de vraag of het gemaakte verwijt voor de verdachte en de rechtbank te begrijpen is. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de tenlastelegging in combinatie met het onderliggende dossier voldoende duidelijk heeft gemaakt waartegen de verdachte zich heeft moeten verdedigen. Verdachte is tijdens zijn verhoor geconfronteerd met het rapport van Bureau Toezicht Wwft (hierna het Rapport). Volgens het Rapport zouden bij zeven verschillende transacties omissies zijn onderkend en zijn 75 transacties van tenminste € 25.000,- niet gemeld bij de Financial Intelligence Unit - Nederland (FIU). Uit het dossier blijkt dan ook voldoende duidelijk welke transacties het betreft. Dat er in de tenlastelegging slechts een aantal transacties is gespecifieerd doet aan de duidelijkheid niet aan af. Het verweer wordt daarom verworpen. Dat de verdediging heeft begrepen waartegen zij zich moet verweren blijkt ook uit de omstandigheid dat ook ten aanzien van de overige transacties gedetailleerd, zij het ook voorwaardelijk, verweer is gevoerd

4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1

Fiscale vergrijpboete

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat sprake is van schending van het una via beginsel. Aan verdachte is door de Belastingdienst in de fiscale procedure reeds een vergrijpboete opgelegd waardoor verdachte in beginsel voor datzelfde feit niet meer strafrechtelijk vervolgd kan worden.

4.1.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadslieden dient te worden verworpen. Uit het rapport van de Belastingdienst blijkt dat de naheffingen en vergrijpboetes zijn opgelegd vanwege onjuiste aangiften van de omzetbelasting maar niet vanwege overtredingen van de Wwft.

4.1.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Het ‘una via’ beginsel strekt tot voorkoming van de cumulatie van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sanctionering voor hetzelfde feit. De vergrijpboetes die de Belastingdienst aan verdachte heeft opgelegd zien op het doen van onjuiste belastingaangiften in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016. De rechtbank overweegt dat het niet voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Belastingwet een fiscaal feit betreft. Het onderhavige tenlastegelegde feit ziet op een economisch feit, namelijk het handelen in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wwft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de juridische aard van de feiten verschilt en dat de vergrijpboete naast een strafrechtelijke vervolging op grond van de Wwft in dit geval geen schending oplevert van het ‘una via’ beginsel. Dat sommige regelingen in de Belastingwet en de Wwft parallel met elkaar lopen doet daar niet aan af.

4.2

Verjaring

4.2.1

Het standpunt van de verdediging

Voor de tenlastegelegde gedragingen die vallen voor 10 juli 2013 geldt dat het recht tot strafvervolging wel bestond maar teniet is gedaan, omdat deze zijn verjaard. Uit artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden geconcludeerd dat een verjaringstermijn van zes jaren geldt voor deze misdrijven en uit artikel 71 Sr dat die termijn begint op de dag nadat het feit is gepleegd. Door het uitbrengen van de dagvaarding is de verjaring gestuit op 10 juli 2019. De officier dient ten aanzien van deze feiten in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij zich in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Wwft waarvoor blijkens artikel 6, eerste lid, onder 2 van de Wet op de Economische Delicten een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Ingevolge hetgeen is bepaald in artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr, vervalt voor de misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld, het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren. De verjaring wordt op grond van artikel 72 Sr gestuit door een daad van vervolging.

Uit het dossier is gebleken dat de rechter-commissaris op 11 oktober 2017 ten laste van verdachte een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft verleend. De vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris kan worden aangemerkt als een daad van vervolging waardoor de verjaring ten aanzien van verdachte is gestuit, waardoor recht tot strafvordering niet is verjaard.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het vormverzuim

5.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier en het controlerapport van de toezichthouder niet volgt dat door de toezichthouders de cautie is verleend aan de vertegenwoordiger van verdachte voorafgaand aan de vragen die hem zijn gesteld. Het niet verlenen van de cautie levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv en het bewijs dat hieruit voortvloeit, vloeit rechtstreeks voort uit het verzuim. De betreffende verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte moet daarom worden uitgesloten van het bewijs.

5.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De vragen die werden gesteld door de toezichthouder waren in het kader van de Wwft-controle. Aan de vertegenwoordiger van verdachte hoefde daarom op dat moment niet de cautie te worden verleend.

5.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal voor het bewijs geen acht slaan op de verklaring die de vertegenwoordiger van verdachte heeft afgelegd in het kader van de Wwft-controle. Nu het belang bij dit verweer hierdoor komt te vervallen, laat de rechtbank aan dit verweer onbesproken.

5.2

De bewijsoverweging

5.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Uit het Rapport van Bureau Toezicht Wwft blijkt dat er geen melding is gedaan bij de FIU van 75 contante transacties van tenminste € 25.000,- met 13 verschillende (rechts)personen. Daarnaast is er geen of onvoldoende informatie vergaard en/of vastgelegd en bewaard met betrekking tot clientèle die contante transacties van € 15.000,00 of meer heeft gedaan met de vennootschap. Nadat werd geconstateerd dat deze transacties niet waren gemeld, is verdachte de transacties alsnog gaan melden bij de FIU. Dit neemt echter niet weg dat de transacties niet onverwijld zijn gemeld.

Ten aanzien van het cliëntenonderzoek heeft de vertegenwoordiger van verdachte ter zitting verklaard dat hij wel gegevens van de cliënten heeft opgevraagd in het kader van de tenaamstelling van de voertuigen maar dat hij deze heeft bewaard in een andere administratie welke niet in beslag is genomen. Op grond van artikel 33 Wwft moeten de cliëntgegevens echter op een dusdanige manier worden vastgelegd dat het kan worden opgevraagd bij een controle. Daarvan was in dit geval geen sprake. Daar komt bij dat de vereiste gegevens ook niet op een later moment zijn overgelegd.

5.2.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging in zijn geheel niet kan worden bewezen, vanwege de omstandigheid dat niet kan worden gesteld dat verdachte in zijn geheel geen meldingen heeft gedaan. Uit het toezichtonderzoek volgt dat verdachte wel degelijk meldingen heeft gemaakt van de transacties waarbij de betaling € 25.000,- of meer bedroeg.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de transactie onder het vijfde gedachtestreepje geldt dat uit het toezichtonderzoek van de FIU niet volgt dat een transactie met [naam B.V. 1] heeft plaatsgevonden op of omstreeks 13 november 2014. De informatie in het dossier is innerlijk tegenstrijdig, waarbij meerdere mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar verenigbaar zijn. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken voor deze transactie.

Ten aanzien van de transacties 1, 19, 26, 48, 49, 63 tot en met 67 en 70 tot en met 75 geldt dat geen bewezenverklaring mogelijk is omdat de transacties buiten de tenlastegelegde periode vallen. Voor deze transacties moet verdachte worden vrijgesproken.

Voor transactie 62 met datum 25 februari 2015 geldt dat dit een bedrag van € 24.100,- betreft. Nu deze transactie onder de objectieve drempel valt van € 25.000,- moet verdachte voor deze transactie worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de transacties die niet in de tenlastelegging zijn benoemd bestaat onduidelijkheid om welke transacties het precies gaat, gelet op de verschillende data in het dossier die aan dezelfde transacties kunnen worden gekoppeld. Dit betekent dat voor de transacties 16 tot en met 18 geen bewezenverklaring kan volgen.

Feit 2

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte van alle transacties moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het cliëntenonderzoek en het vastleggen daarvan naar [naam B.V. 2] geldt dat een verificatie heeft plaatsgevonden en dat relevante gegevens zijn vastgelegd. Er zou in dit kader geen geldig uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna KvK) zijn aangetroffen in de administratie, maar uit de Leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Richtlijnen voor Verkopers van goederen, gepubliceerd door de Belastingdienst (Leidraad Wwft 2013) volgt echter niet dat een uittreksel uit het handelsregister van de KvK verplicht aanwezig moet zijn. De administratie bevatte wel een kopie van het identiteitsbewijs van de heer [bestuurder B.V. 2] . Uit het dossier kan dan ook niet worden afgeleid dat verdachte heeft nagelaten om cliëntenonderzoek te verrichten en/of de gegevens van [naam B.V. 2] niet op toegankelijke wijze heeft vastgelegd.

Ten aanzien van het cliëntenonderzoek en het vastleggen daarvan naar [bedrijf 1] geldt dat uit het controlerapport van de Belastingdienst blijkt dat er een uittreksel uit het handelsregister van Slovenië en een kopie van het identiteitsbewijs van de eigenaar zijn aangeleverd. Uit het dossier kan derhalve niet volgen dat dat geen cliënten onderzoek is verricht en/of is vastgelegd.

Ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] geldt dat uit het dossier volgt dat in zijn geheel geen gegevens zijn vastgelegd. Bovendien is het zo dat de identiteitsbewijzen van deze particulieren zijn ingezien omdat dit een benodigd stuk is voor het op naam stellen van de auto bij de RDW.

Ten aanzien van de transactie met [bedrijf 2] geldt dat de vertegenwoordiger van verdachte de bestuurder, de heer [bedrijf 2] , persoonlijk kent. Daarbij komt bij dat ook in dit geval een identiteitsbewijs is ingezien vanwege het op naam stellen van de auto bij de RDW

Ten aanzien van [bedrijf 8] volgt uit DOC-010 dat de gegevens ten aanzien van deze afnemer zijn opgenomen. Uit het dossier volgt niet dat geen cliëntenonderzoek is verricht dan wel is vastgesteld.

Ten aanzien [naam 3] geldt dat uit het controlerapport volgt dat geen uittreksel uit het handelsregister van de KvK is aangetroffen, maar uit de Leidraad Wwft 2013 volgt niet dat een uittreksel uit het handelsregister van de KvK verplicht aanwezig moet zijn.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, voor zover de rechtbank vaststelt dat ten aanzien van de transacties geen cliëntenonderzoek is gedaan, verdachte vrij te spreken van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

5.2.3

Het oordeel van de rechtbank

5.2.3.1 Gedeeltelijke vrijspraak van feit 1

In het Rapport van Bureau Toezicht Wwft staat onder nummer 17 een transactie van € 28.250,00 op 13 november 2014 met [naam B.V. 1] Uit het overzicht dat als bijlage bij het Rapport van Bureau Toezicht Wwft is gevoegd, blijkt echter niet dat deze transactie met [naam B.V. 1] heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Nu de conclusie die wordt getrokken in het Rapport dat er op 13 november 2014 een transactie heeft plaatsgevonden met [naam B.V. 1] , niet wordt ondersteund door het bijgevoegde overzicht, acht de rechtbank de onder het vijfde gedachtestreepje tenlastegelegde transactie niet bewezen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

5.2.3.2 Het oordeel over de overige tenlastegelegde feiten

Feit 1

Vaststaat dat verdachte op grond van artikel 1 lid 1 sub a onder 15° Wwft een instelling is in de zin van de Wwft. Op een instelling in voormelde zin rust op grond van artikel 16 Wwft de verplichting om een ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan de FIU. In het Uitvoeringsbesluit Wwft is daarbij de objectieve meldindicator opgenomen dat er sprake is van een ongebruikelijke transactie (en dat daarom een meldplicht bestaat) als er sprake is van een contante transactie met een waarde van € 25.000,- of meer. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat zij niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 16 Wwft op haar rustende meldplicht.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat door verdachte in de tenlastegelegde periode ten minste 59 transacties zijn verricht, waarbij telkens contante betalingen van € 25.000, - of meer in ontvangst zijn genomen. Daarmee is sprake van een objectieve indicator als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Wwft, op grond waarvan verdachte deze transacties als ongebruikelijke transacties onverwijld had moeten melden aan de FIU. Voorts blijkt uit het Rapport van Bureau Toezicht Wwft dat verdachte heeft nagelaten om dit te doen. Dat de transacties na de Wwft-controle door het Bureau Toezicht Wwft alsnog zijn gemeld, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Verdachte had deze transacties op grond van artikel 16 Wwft namelijk onverwijld moeten melden.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de in het Rapport genoemde transacties 1, 19, 26, 48, 49, 63 tot en met 67 en 70 tot en met 75 buiten de tenlastegelegde periode vallen. Ook is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat transactie 62 met datum 25 februari 2015 onder de objectieve drempel valt van € 25.000,-. Voor deze transacties kan daarom geen bewezenverklaring volgen.

De rechtbank overweegt voorts dat dit niet melden van ongebruikelijke transacties redelijkerwijs aan verdachte moet worden toegerekend, omdat sprake is van een gedraging die tot de normale taakuitoefening van de rechtspersoon behoorde en de rechtspersoon erover kon beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd heeft gehandeld met de in artikel 16 Wwft bedoelde meldplicht.

Feit 2:

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is verdachte een instelling in de zin van de Wwft. Op grond van artikel 3 Wwft rust op een dergelijke instelling ook de verplichting om cliëntenonderzoek te doen, onder meer indien zij in of vanuit Nederland een incidentele transactie verricht ten behoeve van de cliënt van ten minste € 15.000, -, of twee of meer transacties verricht waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste € 15.000, -.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode in of vanuit Nederland zeven transacties heeft verricht van ten minste € 15.000,-, zodat verdachte gehouden was om cliëntenonderzoek te doen. Uit het dossier is gebleken dat verdachte heeft nagelaten om dit te doen. De rechtbank baseert dit oordeel op de omissies die zijn beschreven in het Rapport van Bureau Toezicht Wwft.

Ten aanzien van het standpunt van verdediging dat volgens de Leidraad Wwft 2013 uit de wet niet volgt dat een uittreksel uit het handelsregister van de KvK verplicht aanwezig moet zijn, overweegt de rechtbank als volgt. In de dagvaarding is niet het verwijt gemaakt dat geen uittreksel uit de kamer van koophandel aanwezig was, maar dat zo’n uittreksel niet was aangevraagd en/of gecontroleerd. De verplichting is de identiteit van de rechtspersoon te verifieren. Uit artikel 11 lid 2 Wwft volgt dat de identiteit van een rechtspersoon kan worden geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Voorts noemt artikel 4 lid 2 van de Uitvoeringsregeling Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme als document op basis waarvan kan worden voldaan aan artikel 11, tweede lid, eerste volzin, van de wet, onder sub a een uittreksel uit het handelsregister. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat uit de wet volgt dat een uittreksel uit het handelsregister van de KvK een document is waarmee de identiteit van een rechtspersoon kan worden geverifieerd. Dat dit niet zo in de Leidraad Wwft 2013 staat, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet daar niet aan af.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat verdachte in het kader van de tenaamstelling van de voertuigen wel gegevens van bepaalde cliënten, zoals [naam 1] en [naam 2] heeft opgevraagd, maar dat zij deze heeft bewaard in een andere administratie die niet in beslag is genomen. Deze documentatie heeft de vertegenwoordiger van verdachte echter niet ter onderbouwing van zijn stelling meegenomen en aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank acht de enkele stelling van de vertegenwoordiger van verdachte dat er wél cliëntenonderzoek zou zijn verricht en gegevens zouden zijn bewaard in het licht van de stukken in het dossier echter onvoldoende.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van het cliëntenonderzoek naar [bedrijf 1] geldt dat uit het controlerapport van de Belastingdienst blijkt dat er een uittreksel uit het handelsregister van Slovenië en een kopie van het identiteitsbewijs van de eigenaar zijn aangeleverd. Ook ten aanzien van de transactie met [bedrijf 8] zou volgens de verdediging uit het dossier volgen dat gegevens van deze afnemer zijn opgenomen. Tijdens de Wwft-controle op 4 april 2016, welke op 23 maart 2016 was aangekondigd, was verdachte niet in staat om de vereiste documenten te tonen. Dat verdachte op andere momenten wel documenten van haar cliënten zou hebben gehad, maakt die constatering niet anders.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 33 Wwft opgenomen verplichting om de gegevens van cliënten op een toegankelijke wijze vast te leggen en te bewaren, een zelfstandige verplichting betreft. Door het niet voldoen aan de verplichting om cliëntenonderzoek te doen, is ook niet voldaan aan de verplichting om de gegevens op een toegankelijke wijze vast te leggen en te bewaren. Verdachte heeft daarmee de verplichtingen van zowel artikel 3 als van artikel 33 Wwft geschonden.

De rechtbank overweegt dat dit handelen redelijkerwijs aan verdachte moet worden toegerekend, omdat sprake is van een gedraging die tot de normale taakuitoefening van de rechtspersoon behoorde en de rechtspersoon kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 26 februari 2013 tot en met 8 april 2015 in Nederland,

als bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer,

opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijk transacties, niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft zij opzettelijk geen melding gedaan van onder meer:

- een op 26 februari 2013 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 3] , te contante betalingen van in totaal 41.000,00 euro en

- een op of omstreeks 28 maart 2013 verrichte ongebruikelijke transactie met [bedrijf 4] , te weten een contante betalingen van in totaal 31.500,00 euro en

- een op of omstreeks 9 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transacties met [bedrijf 6] , te weten contante betalingen van in totaal 119.000,00 euro en

- een op of omstreeks 14 januari 2014 verrichte ongebruikelijke transacties met [bedrijf 7] , te weten contante betalingen van in totaal 32.200,00 euro en

- een op 17 november 2014 verrichte ongebruikelijke transacties met [bedrijf 6] , te weten een contante betaling van 35.500,00 euro en

- een op 24 maart 2015 verrichte ongebruikelijke transactie met [naam 3] , te weten contante betalingen van in totaal 32.250,00 euro.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 te Woerden

als bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht,

immers heeft zij opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of niet vastgesteld wat de relatie was tussen een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en de handelsonderneming(en) en/of rechtsperso(o)n(en) namens wie zij optraden en/of geen identiteit vastgesteld/gecontroleerd van de uiteindelijk belanghebbende van die rechtspersonen,

bij onder meer de volgende transacties:

- een op of omstreeks 20 maart 2013 met [naam B.V. 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 17.000,- euro en

- een op 18 februari 2014 met [bedrijf 1] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 18.700,- euro en

- een op of omstreeks 22 juli 2014 met [naam 1] , verrichte transactie, te weten (een) contante betaling van minstens 15.000,- euro en

- een op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 15.500,- euro en

- op of omstreeks 9 januari 2015 met [naam 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 23.500,- euro,

en

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 te Woerden

als bedrijfsmatig handelende verkoper van voertuigen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- euro of meer, opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, niet danwel onvolledig, de gegevens van de cliënt op toegankelijke wijze bewaard gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beëindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie

bij onder meer de volgende transacties:

- een op of omstreeks 20 maart 2013 met [naam B.V. 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 17.000,- euro en

- een op 18 februari 2014 met [bedrijf 1] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 18.700,- euro en

- een op of omstreeks 22 juli 2014 met [naam 1] , verrichte transactie, te weten (een) contante betaling van minstens 15.000,- euro en

- een op of omstreeks 2 januari 2015 met [bedrijf 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 15.500,- euro en

- op of omstreeks 9 januari 2015 met [naam 2] , verrichte transactie, te weten contante betaling van 23.500,- euro.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van

€ 120.000,-.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van verdachte hebben verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van één of meer feiten, bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte mee te nemen dat na het onderzoek wel alle transacties zijn gemeld bij de FIU. Daarnaast dient er rekening mee te worden gehouden dat [rechtspersoon] jaarlijks ongeveer 500 klanten bedient en 4000 auto’s per jaar verhandelt. Het aantal transacties en omissies moeten dan ook in perspectief worden geplaatst. Voorts dient in het voordeel mee te worden gewogen dat er eerder al naheffingsaanslagen en vergrijpboetes zijn opgelegd en met de omstandigheid dat zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon mogelijk worden bestraft.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000,-. Hierbij zijn de volgende omstandigheden meegewogen.

Verdachte heeft nagelaten 59 ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wwft te melden bij het daartoe bestemde meldpunt en ten aanzien van zeven transacties cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft te verrichten. Zij heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te verkrijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. Gelet daarop, en gezien de strafafdoening in soortgelijke zaken, moet in beginsel een aanzienlijke geldboete aan verdachte worden opgelegd.

De rechtbank heeft verder ten nadele van verdachte rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 30 augustus 2019. Hieruit blijkt dat verdachte eerder een voorwaardelijke geldboete opgelegd heeft gekregen voor het niet voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet MOT.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte vanaf het begin is meegewerkt aan het Wwft-onderzoek. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger van verdachte aannemelijk gemaakt dat de situatie nu is verbeterd doordat er een controleur is aangesteld en doordat de procedures binnen het bedrijf inmiddels zijn aangepast. De rechtbank weegt dit ook in de strafmaat mee.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen

23, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten

3, 16 en 33 van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd

en

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [rechtspersoon], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000,- (honderdduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2019.