Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
13/994057-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van (professioneel) vuurwerk, een boksbeugel, een vlindermes en pepperspray. OVAR voor het voorbereiden/bevorderen van het opslaan van professioneel vuurwerk en het rijden in een voertuig met geheime bergplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994057-18

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 9 oktober 2019 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. Daarnaast was als raadsvrouw van verdachte aanwezig mr. M.N. de Bruijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het opslaan en/of voorhanden hebben van professioneel vuurwerk;

2. het opslaan en/of voorhanden hebben van 270 kilogram vuurwerk buiten een voor de opslag van vuurwerk toegelaten inrichting;

3. het voorbereiden en/of bevorderen van handelingen zoals strafbaar gesteld in artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit, te weten het binnen Nederland brengen, opslaan en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk;

4. voorhanden hebben van een boksbeugel en een vlindermes;

5. voorhanden hebben van tien busjes pepperspray;

6. rijden met een voertuig terwijl dat voertuig niet deugdelijk van bouw of inrichting was, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeerde en/of niet voldeed aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van hoofdstuk vijf van de Regeling voertuigen doordat een geheime bergplaats in het voertuig was gecreëerd.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, kort samengevat, naar voren gebracht dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4 en 5:

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, waaronder de bekennende verklaringen van verdachte, blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Medeplegen

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Op 14 december 2018 is 240 kilogram vuurwerk aangetroffen in de schuur op het erf van de woning van [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ). Verdachte heeft verklaard dat het vuurwerk voor hemzelf en zijn vriendengroep was bestemd. Vervolgens heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte aan hem had gevraag of hij het vuurwerk in zijn schuur mocht opslaan en dat [medeverdachte] daarmee akkoord is gegaan. Daarna hebben zij, blijkens de verklaring van [medeverdachte] , samen het vuurwerk in zijn schuur gezet. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden maken dat het feit gezamenlijk is uitgevoerd en dat zowel [medeverdachte] als verdachte beschikkingsmacht hadden over het vuurwerk, waardoor bewezen kan worden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen van dat feit.

ten aanzien van feit 6

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 6 tenlastegelegde kan worden bewezen nu vaststaat dat de verborgen ruimte is aangetroffen in het voertuig en verdachte hier ook van wist. Dat verdachte wetenschap had van de verborgen ruimte leidt de officier van justitie af uit het feit dat verdachte al langere tijd in de Volkswagen Transporter reed en dus bekend was met het voertuig.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde feit omdat een verborgen ruimte de deugdelijkheid van de auto niet aantast en omdat geen onderzoek is gedaan naar de veiligheid van het voertuig.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte de onder 6 tenlastegelegde overtreding heeft begaan. Op 18 oktober 2018 is door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gezien dat verdachte in de betreffende Volkswagen Transporter reed. Vervolgens is de Volkswagen Transporter op 26 december 2018 onder verdachte in beslaggenomen. Verdachte heeft ook niet ontkend dat hij in de Volkswagen Transporter heeft gereden in de tenlastegelegde periode. Ter zitting heeft hij verklaard dat de Volkswagen Transporter vlak voor 18 oktober 2018 op zijn naam is overgeschreven. Uit het Rapport van de Douane blijkt vervolgens dat er een geheime bergplaats is gecreëerd onder de achterbank van het voertuig. De rechtbank laat daarbij in het midden in hoeverre verdachte wetenschap had van de verborgen ruimte, nu het gaat om een overtreding en opzet dan wel schuld geen onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving. De vraag of de verdachte wetenschap had kan wel een rol spelen bij de vraag of er sprake is van strafbaarheid van de verdachte. De rechtbank passeert het verweer van de raadsvrouw nu de vraag of een verborgen ruimte de deugdelijkheid van de auto aantast, niet ziet op de bewezenverklaring maar op de strafbaarheid van het feit. De rechtbank zal de strafbaarheid van het feit hieronder in rubriek 5 bespreken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 18 oktober 2018 tot en met 26 december 2018 te Urk opzettelijk,

in een loods aan de [adres]

- 99 stuks Cobra 6 en

- 1200 stuks knalvuurwerk

en

in een schuur gelegen aan de [BRP-adres verdachte] en in een Volkswagen Transporter met kenteken [nummer]

-een hoeveelheid van meer stuks Cobra 6, en;

-een hoeveelheid van meer stuks Shells,

professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 18 oktober 2018 tot en met 26 december 2018 te Urk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk,

meer dan 25 kilogram vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit,

immers hebben verdachte en zijn mededader voorhanden gehad

-270 kilogram vuurwerk, in een schuur gelegen aan [adres 2] ;

ten aanzien van feit 3:

in de periode 26 oktober 2018 tot en met 24 november 2018 te Urk

teneinde handelingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, te weten:

-professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik voorhanden te hebben of op te slaan of aan een ander ter beschikking stellen (lid 1) en;

-aan een ander dan en een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk op te slaan of voorhanden te hebben (lid 2) of;

-als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te hebben (lid 3) en;

-vuurwerk gebruik voorhanden te hebben of op te slaan of aan een ander ter beschikking stellen (lid 4),

voor te bereiden en te bevorderen,

-heeft getracht een ander, te weten [persoon] te bewegen om die handelingen te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, en/of om daarbij behulpzaam te zijn, en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft verdachte via WhatsAppberichten Cobra 6 en Shells, althans professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik te koop aangeboden;

ten aanzien van feit 4:

op 18 oktober 2018 te Urk

-een vlindermes, een wapen van categorie I onder 1 van de Wet wapens en munitie en

-een boksbeugel, een wapen van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 5:

op 18 oktober 2018 te Urk

10 busjes pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 6:

in de periode 18 oktober 2018 tot en met 26 december 2018 te Urk

als bestuurder en eigenaar of houder van een voertuig Volkswagen Transporter met het kenteken [nummer] , als vermeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, met voormeld voertuig heeft gereden of daarmee heeft laten rijden over één of meerdere wegen, terwijl dat voertuig niet deugdelijk van bouw of inrichting was, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeerde en niet voldeed aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen, ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, immers was door het plaatsen van twee hydraulische armen, het dichtmaken van de doorvoeringen in de tussenwand, het plaatsen van 2 reedcontacten in het dashboard en het aanbrengen van extra bedrading ten behoeve van de bediening er een geheime bergplaats in het voertuig gecreëerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

ten aanzien van feit 3:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 januari 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:150). In die uitspraak wordt uiteengezet dat gelaagde regelgeving kenmerkend is voor en in overeenstemming is met de wettelijke systematiek van het economisch strafrecht. De voorbereidingshandelingen zijn daarom wel strafbaar, aldus de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 3 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2185) en heeft aangevoerd dat uit dit arrest blijkt dat artikel 2.1.1, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit in strijd is met artikel 46 en 91 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De strafbaarheid van de voorbereidingshandelingen in het Vuurwerkbesluit wordt aanzienlijk uitgebreid ten opzichte van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank acht het onder 3 bewezene niet strafbaar en overweegt daartoe, overeenkomstig het arrest van het Gerechtshof van 28 juni 2019, als volgt.

Ingevolge het in artikel 1 Sr neergelegde legaliteitsbeginsel dient strafbaarstelling van overtreding van het in artikel 2.1.1, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit neergelegde verbod te berusten op een wettelijke basis. Het Vuurwerkbesluit zelf is een Algemene maatregel van bestuur en geen wet in formele zin. De in de leden 1 tot en met 4 van het Vuurwerkbesluit bedoelde handelingen zijn strafbaar krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, wel een wet in formele zin.

In artikel 46, eerste lid, Sr zijn voorbereidingshandelingen strafbaar gesteld van misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Dit artikel is ingevolge artikel 91 Sr ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten dan het Wetboek van Strafrecht straf is gesteld.

De in de leden 1 tot en met 4 van het Vuurwerkbesluit bedoelde handelingen zijn, krachtens de toepasselijke bepalingen van de WED, misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan, waarop een strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf is gesteld. Gelet op de in artikel 46, eerste lid, Sr genoemde drempel van acht jaren gevangenisstraf, is de bewezenverklaarde gedraging niet strafbaar op grond van artikel 46, eerste lid, Sr.

Vervolgens zal het hof beoordelen of artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit kan dienen als strafbaarstelling van de onder 1 bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen.

Bij de invoering van artikel 46, eerste lid, Sr, is overwogen dat het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, waarin het artikel is opgenomen, de grondprincipes van de strafrechtelijke aansprakelijkheidsleer formuleert en dat de bijzondere strafwetgeving daarvan niet dan in uiterste noodzaak mag afwijken (Memorie van Toelichting, TK 1990-1991, 22 268 nr. 3, blz 20). Dit brengt mee dat bij de beoordeling van de vraag, of artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer de mogelijkheid opent om in een lagere regeling voorbereidingshandelingen te verbieden, terughoudendheid past.

Artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer geeft de bevoegdheid tot het vaststellen van een Algemene maatregel van bestuur - zoals het Vuurwerkbesluit - waarin regels worden gesteld. Artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer noemt de onderwerpen waarover regels kunnen worden gesteld. Dit artikel noemt echter, noch in lid 1, noch in lid 2, voorbereidingshandelingen met betrekking tot de daar bedoelde stoffen, mengsels of organismen. Ook de wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de wetgever met dit artikel de mogelijkheid heeft willen scheppen bij lagere regeling voorbereidingshandelingen te verbieden. Dit leidt tot de conclusie dat dit artikel geen wettelijke basis verschaft aan het bepaalde in artikel 2.1.1., vijfde lid van het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank concludeert dat het bewezene, bij gebreke van enige andere wettelijke regeling, die overtreding van het bepaalde in artikel 2.1.1 vijfde lid van het Vuurwerkbesluit met straf bedreigt, niet strafbaar is en dat de verdachte ter zake van feit 3 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

ten aanzien van feit 6:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert nu in artikel 5.1.1. lid 1 van de Regeling voertuigen staat dat een voertuig deugdelijk van inrichting moet zijn. De Volkswagen Transporter van verdachte voldoet niet aan de algemene eisen van dit artikel en is niet deugdelijk van bouw en inrichting, omdat door de niet professionele aanpassingen aan de achterbank in het geval van een aanrijding de veiligheid van de passagiers niet kan worden gewaarborgd.

De raadsvrouw heeft zich, zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld, op het standpunt gesteld dat een verborgen ruimte de deugdelijkheid van de auto niet aantast en dat verder onderzoek naar de veiligheid van het voertuig ontbreekt.

De rechtbank constateert dat in het onderzoek van de Douane niet is aangegeven waarom de Volkswagen Transporter niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 5.1.1. van de Regeling voertuigen. Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat het voertuig waar verdachte in reed, niet deugdelijk van bouw of inrichting was, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeerde of dat het voertuig niet voldeed aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen. Het bewezen verklaarde valt derhalve niet als een strafbaar feit te kwalificeren, zodat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten:

Het onder 1, 2, 4 en 5 bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Nu de rechtbank ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde heeft geoordeeld dat het feit niet strafbaar is behoeft niet te worden onderzocht of de verdachte strafbaar is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte voor de bewezenverklaarde en strafbaar geoordeelde feiten uitsluit. Verdachte is daarvoor dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur. Hierbij zijn de volgende omstandigheden meegewogen.

Verdachte heeft meermalen een aanzienlijke hoeveelheid (professioneel) vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in ruimtes die daarvoor niet waren ingericht. Het voorhanden hebben en de opslag van (professioneel) vuurwerk is extreem gevaarzettend. Voor het vervoer en de opslag van dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is gespecialiseerde kennis vereist. Het vuurwerk van verdachte is aangetroffen in de schuur bij het huis van zijn ouders, in de schuur bij het huis van zijn vriend en in zijn geparkeerde auto. Daarnaast is er ook vuurwerk aangetroffen in een loods van verdachte die tevens fungeerde als café. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij enorme risico’s heeft genomen met het opslaan van grote hoeveelheden vuurwerk op locaties waar veel mensen in de buurt wonen of langskomen.

Afgezien van de brandgevaarlijkheid bij de opslag, brengt het tot ontbranding brengen van (professioneel) vuurwerk risico’s met zich, niet slechts voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, maar ook voor eventuele omstanders. Te denken valt aan gehoorbeschadiging, oogletsel, verminking van ledematen of erger. Verdachte is met deze risico’s veel te gemakzuchtig omgesprongen en heeft kennelijk niet of in onvoldoende mate stilgestaan bij de mogelijke – in potentie levensgevaarlijke – gevolgen van een ontijdige explosie.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij blijkens zijn strafblad van 30 augustus 2019 al eens eerder is veroordeeld vanwege overtreding van het Vuurwerkbesluit. Verdachte was dus een gewaarschuwd mens. De rechtbank neemt het verdachte bovendien kwalijk dat hij na de eerste doorzoeking in zijn loods op 18 oktober 2018 niet is gestopt met het opslaan en verkopen van vuurwerk. Verdachte bleef tot 26 december 2018 doorgaan met het opslaan van grote hoeveelheden (professioneel) vuurwerk. Om dit patroon te doorbreken en om verdachte van de ernst van zijn handelen te doen doordringen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval noodzakelijk is. Daarnaast acht de rechtbank een flinke stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke straf van groot belang om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank verder in aanmerking een advies van Reclassering Nederland van 3 oktober 2019 betreffende verdachte. Uit dit rapport blijkt dat verdachte zijn leven meer ‘op de rit’ heeft en de consequenties van zijn handelen lijkt in te zien.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- Volkswagen Transporter ( [nummer] )

- 17,00 kilogram vuurwerk (ongeveer 90 st Cobra 6 en ongeveer 14 Kg nitrate)

- boksbeugel

- vlindermes

- 2 lanceerbuizen

- 10 pepperspray

- 200,00 kilogram vuurwerk (o.a. cobra 6)

Nu met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht.

1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten

9.2.2.1 Wet milieubeheer

1.2.2 en 1.2.4 Vuurwerkbesluit

13, 26 en 55 Wet wapens en munitie

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 3 en 6 bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie I, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot vier (4) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- Volkswagen Transporter ( [nummer] )

- 17.00 kilogram vuurwerk (ongeveer 90 st Cobra 6 en ongeveer 14 Kg nitrate)

- boksbeugel

- vlindermes

- 2 lanceerbuizen

- 10 pepperspray

- 200.00 kilogram vuurwerk (o.a. cobra 6)

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2019.