Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7991

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
13/680157-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen diefstal door middel van braak en inklimming, verduistering, herkenning op basis van camerabeelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680157-18 (Promis)

Datum uitspraak: 24 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,

laatst opgegeven verblijfadres: [adres] ,

gedetineerd uit andere hoofde in de [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.A. de Back, en van de gemachtigde raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. het medeplegen van diefstal met braak en/of verbreking en/of inklimming van een kluis van het bedrijf [naam B.V.] . in Amsterdam op 2 augustus 2018, terwijl tijdens het plegen van dat misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.het medeplegen van heling van een rijbewijs ten name van [naam] in Amsterdam op 2 oktober 2018, subsidiair ten laste gelegd als verduistering; en,

3. het medeplegen van heling van een ID- kaart en/of een ziekenfonds/verzekeringspas en/of een bankpas en/of een credit-cardpas en/of een Bahncard op naam van [naam 2] in Amsterdam op 2 oktober 2018, subsidiair ten laste gelegd als verduistering.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat er wettig en overtuigend bewijs is, nu er een aangifte ligt en in het dossier zich afbeeldingen (stills) van de camerabeelden van het bedrijf [naam B.V.] . van 2 augustus 2018 bevinden, op grond waarvan herkenning van verdachte door twee verbalisanten heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de goederen in de woning van verdachte zijn aangetroffen en verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij het rijbewijs (feit 2) ooit gevonden heeft op straat en dat hij niet meer wist waar en wanneer dat was. Over feit 3 heeft verdachte verklaard dat hij niet meer weet of hij de spullen heeft gevonden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenning van verdachte op de camerabeelden onbetrouwbaar is en om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Verbalisant [verbalisant 1] die de herkenning heeft gedaan, heeft erna gerelateerd dat tijdens het onderzoek naar de mobiele telefoons van verdachte enkele foto’s van hem zijn aangetroffen en dat verdachte op deze foto dezelfde bril draagt als de persoon op de camerabeelden van [naam B.V.] . Ook heeft verbalisant [verbalisant 1] gerelateerd dat verdachte op een van de foto’s een trainingsjas draagt, die gelijkenissen vertoont met de trainingsjas die de persoon op de camerabeelden van [naam B.V.] draagt. Dit duidt op vooringenomenheid bij verbalisant [verbalisant 1] . Het gaat overigens niet om een vergelijkbare trainingsjas, omdat op de camerabeelden van [naam B.V.] de strepen van het Adidas trainingsjas niet te zien zijn en verder is de bril van verdachte niet uniek. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij verdachte verder heeft herkend aan zijn donkere en dikke wenkbrauwen, maar ook deze kenmerken zijn niet uniek. Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij verdachte heeft herkend aan zijn ogen, mond en zijn postuur. Dit zijn geen persoonsonderscheidende kenmerken. Een contra-indicatie dat verdachte de persoon op de camerabeelden is, is dat verdachte een baard en een snor heeft. Ook heeft verdachte langer haar, dikkere lippen en een minder spitse neus dan de persoon op de camerabeelden. De raadsman heeft verder aangevoerd dat volgens vaste rechtspraak behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht ervan. Dit geldt te meer indien de herkenning het enige bewijsmiddel is.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman ook bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier geen aangiftes bevat, waardoor heling niet bewezen kan worden verklaard. Verder heeft verdachte verklaard dat hij het rijbewijs op naam van [naam] (feit 2) heeft gevonden en er verder niets mee heeft gedaan en dat hij niet meer weet of hij de passen ten name van [naam 2] (feit 3) heeft gevonden of iemand anders. De passen ten name van [naam 2] zijn overigens in de woonkamer aangetroffen. Het staat niet vast dat verdachte wist dat de spullen daar lagen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met ander aan het onder 1 ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt.

Van de inbraak van 2 augustus 2018 bevinden zich stills van die camerabeelden in het dossier op grond waarvan herkenning van verdachte door verbalisanten heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte een van de twee personen is die op de camerabeelden van [naam B.V.] . te zien zijn bij het wegnemen van de kluis. De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft de rechtbank, aan de hand van het bekijken van de stills in het dossier, beoordeeld of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, en of er voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte heeft de rechtbank bezien of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de camerabeelden, op basis van de stills daarvan, van [naam B.V.] . van 2 augustus 2018 van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren. Het gaat om duidelijke en heldere beelden, waarop de persoon soms volledig in beeld is en in verschillende houdingen te zien is. Ook het gezicht is duidelijk zichtbaar. De verbalisanten hebben verder specifieke kenmerken genoemd waaraan ze verdachte herkennen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte aan de vorm van zijn gezicht, zijn smal wat langwerpige hoofd, aan de bril die hij droeg, aan zijn donkere en dikke wenkbrauwen en de vorm van zijn lippen herkend. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte herkend op basis van onder meer zijn ogen en wenkbrauwen, maar ook aan zijn postuur, bril en aan zijn gezichtsuitdrukkingen. Nu twee verbalisanten hun eigen proces-verbaal op de eigen ambtsbelofte hebben opgemaakt en verklaren dat hen geen informatie over de identiteit van de persoon op de beelden was verstrekt, is sprake van twee afzonderlijke herkenningen. De rechtbank acht de herkenningen overtuigend. Zij betrekt hierbij dat de verbalisanten voorafgaand aan hun afzonderlijke herkenningen met verdachte bekend waren. Verbalisant [verbalisant 1] heeft tijdens zijn werkzaamheden in het jaar 2017 en 2018 de jeugdproblematiek op de Oostelijke Eilanden in kaart gebracht. Hierbij werden meerdere controles uitgevoerd en hebben er meerdere observaties plaatsgevonden, waarbij hij betrokken is geweest. Verbalisant [verbalisant 1] heeft hierbij meerdere malen contact gehad met de jongeren van de Oostelijke Eilanden, dit betrof onder andere verdachte. Verbalisant had tijdens het opsporingsonderzoek voor meerdere woning- en bedrijfsinbraken, waarvoor verdachte in 2016 is aangehouden, meerdere foto’s en camerabeelden bekeken waarop verdachte te zien was. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte eveneens herkend en heeft verklaard dat hij verdachte regelmatig tegenkwam binnen het gebied van Team Amstel tijdens zijn werkzaamheden. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verder verklaard dat hij afgelopen zomer nog een confrontatie met verdachte heeft gehad op straat en dat hij dit enkele weken daarna op straat met hem besproken en uitgepraat heeft. Op 9 september 2018 heeft de verbalisant verdachte nog gezien en gesproken. Van feiten of omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken is niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen van de verbalisanten.

De rechtbank acht de bril van de persoon op de beelden ook van belang voor de herkenning, omdat verdachte tijdens zijn aanhouding een bril op had, die grote gelijkenissen vertoonde met de bril op de camerabeelden. De bril heeft geen montuur, enkele losse glazen en heeft twee donkerkleurige poten.

De enkele ontkenning van verdachte dat hij er niets mee te maken heeft, acht de rechtbank, onvoldoende om de redengevendheid van al het voorgaande te ontkrachten.

Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank bewezen dat verdachte heeft ingebroken bij [naam B.V.] . Uit de camerabeelden komt bovendien naar voren dat hij dit samen met een ander gedaan heeft.

3.3.2.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 primair ten laste gelegde heling van het rijbewijs niet is bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het rijbewijs door misdrijf verkregen was.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt.

Het rijbewijs ten name van [naam] is op 2 oktober 2018 in de slaapkamer van verdachte gevonden. Op 3 oktober 2018 deed verbalisant [verbalisant 1] onderzoek naar het rijbewijs en daaruit bleek dat het goed in de politiesystemen gesignaleerd stond.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het rijbewijs ooit gevonden heeft op straat en dat hij niet meer weet waar en wanneer dat was. Verdachte heeft verder verklaard dat hij het eerder een paar jaar geleden heeft gevonden dan een paar dagen geleden. Hij wilde het rijbewijs naar de politie brengen, maar dat was hij vergeten. Gelet op het feit dat verdachte het rijbewijs al een aantal jaren in zijn bezit heeft gehad, acht de rechtbank het scenario van verdachte dat hij het naar de politie wilde brengen onaannemelijk, en is bewezen dat verdachte zich als vinder de pasjes wederrechtelijk heeft toegeëigend.

3.3.4.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen is, nu het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit blijkt dat verdachte wist dat de pasjes zich in de woning bevonden. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte de spullen heeft verworven of voorhanden had. De pasjes zijn aangetroffen in het televisiedressoir in de woonkamer, in de woning van de moeder van verdachte, terwijl destijds de moeder van verdachte, verdachte en zijn twee broers daar verbleven.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 2 augustus 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis toebehorend aan het bedrijf [naam B.V.] . ( [vestiging] ), waarbij verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot dat bedrijf hebben verschaft en die weg te nemen kluis onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van een raam van voornoemd bedrijf en door middel van inklimming, door met behulp van ladders via een raam in voornoemd bedrijf te klimmen en te gaan, zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde:

op 2 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk een rijbewijs toebehorende aan [naam] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, als de rechtbank tot een veroordeling komt, rekening te houden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen en een voorwaardelijke gevangenisstaf.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich op 2 augustus 2018 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een bedrijfsinbraak. Daarbij hebben ze de kluis, die bij de diefstal is weggenomen, onder hun bereik gebracht door middel van braak en door middel van inklimming via een raam in het bedrijf. Dit is een ernstig feit dat materiële schade veroorzaakt. Het handelen van verdachte draagt ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft bij het plegen van het strafbaar feit kennelijk alleen gedacht aan de mogelijkheid er zelf financieel beter van te worden en heeft geen enkele rekening gehouden met de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte een rijbewijs van een ander verduisterd. Dat is een hinderlijk feit, wat voor de benadeelde ook financiële schade en overlast veroorzaakt.

Wat de persoon van verdachte en zijn persoonlijk omstandigheden betreft heeft de rechtbank allereerst gelet op een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 18 september 2019, waaruit blijkt dat verdachte vanaf 2015 meermalen is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de voortgangsverslagen van Reclassering Nederland van 31 januari 2019 en 4 oktober 2019, opgemaakt door S. Liong A Jin. Uit de rapporten blijkt – kort gezegd – onder meer het volgende. Verdachte behoort tot de groepsaanpak van de Oostelijke Eilanden. De groep wordt in verband gebracht met overlast. Verdachte is op dit moment gedetineerd in verband met een nieuwe verdenking. Dat is de reden waarom het toezicht is opgeschort. Het doel van een reclasseringstoezicht is het terugdringen van recidivegevaar. Daarbij wil de reclassering dat verdachte een inkomen verwerft, dat verdachte meewerkt aan begeleid wonen en dat hij open staat voor budgetbeheer. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een verplichting tot het houden aan de aanwijzingen, de verplichting tot het hebben van een inkomen en/of tot het meewerken met het werk of dagbestedingstraject van de Gemeente Amsterdam, de verplichting tot het meewerken aan begeleid wonen en de verplichting tot het aanmelden voor schuldhulpverlening dan wel budgetbeheer.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor een inbraak in een bedrijfspand, is het oriëntatiepunt in geval van veelvuldige recidive een gevangenisstraf van 4 maanden. De rechtbank houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat het gaat om een diefstal gepleegd door twee personen. Bovendien heeft verdachte naast de inbraak ook een rijbewijs verduisterd. De rechtbank houdt bij de straftoemeting anderzijds ook rekening met de toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht omdat verdachte op 15 november 2018 is veroordeeld voor het plegen van een ander misdrijf.

Alles overziend en afwegend ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden.

De rechtbank begrijpt dat verdachte hulp kan gebruiken op meerdere leefgebieden, maar zal echter geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, omdat verdachte in het kader van de strafzaak met parketnummer 13/680353-16 al tot juni 2022 in een proeftijd loopt van een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

8 Benadeelde partij

De benadeelde partij [naam B.V.] . vordert als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde € 4.350,72 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende de vertegenwoordigingsbevoegdheid en een volmacht ontbreken, zodat niet vaststaat dat [gemachtigde B.V.] , die de vordering heeft ingediend, daartoe gemachtigd is. Dat laat onverlet dat de benadeelde partij de schadevordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. 1.00 STK Zaktelefoon Kl:zwart

HUAWEI

5638731

2. 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA

5638748.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de teruggave van de inbeslaggenomen telefoons aan verdachte moet worden gelast.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 43a, 57, 63, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair en 3 laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

verduistering.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart de benadeelde partij [naam B.V.] . niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1. 1.00 STK Zaktelefoon Kl:zwart

HUAWEI

5638731

2. 1.00 STK Zaktelefoon

NOKIA

5638748.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2019.