Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7979

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
13/751519-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland. overlevering toegestaan. evenredigheidsverweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751519-19 (EAB II)

RK nummer: 19/3534

Datum uitspraak: 15 oktober 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juni 2019 door de Arrondissementsrechtbank Aken (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. van Gaal, advocaat te Wijchen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 3 december 2018 uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtbank Aken met referentienummer 64 KLs 104 Js 22/14 11/15.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Leitende Oberstaatanwalt in Aken heeft bij brief van 11 juni 2019 de volgende garantie gegeven:

Er wordt verzekerd, dat de vervolgde persoon voor het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van de kaderbeslissing 2008/909/JI van de raad van 27.11.2008 over de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning van oordelen in strafzaken, waardoor een de vrijheid ontnemende straf of maatregel wordt opgelegd, voor het doeleinde van de executie in de Europese Unie (ambtelijk blad L 327 van 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere strafexecutie naar Nederland wordt overgebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 3, aanhef, onder A en B van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in Duitsland gestart;

  • -

    het bewijs bevindt zich in Duitsland;

  • -

    de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Onevenredigheid van de overlevering

Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering niet kan worden toegestaan omdat het EAB oneigenlijk is gebruikt. Het EAB is ingezet om de opgeëiste persoon via de achterdeur in detentie te krijgen. In 2014 is al een EAB tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigd en toen is de overlevering toegestaan. De huidige beschuldiging is exact hetzelfde.

Daarnaast dient de overlevering te worden geweigerd omdat overlevering van de opgeëiste persoon onevenredig zou zijn. Hiertoe is aangevoerd de ouderdom van de feiten, dat de voorlopige hechtenis na de overlevering in 2014 is opgeheven zonder voorwaarden, dat de opgeëiste persoon de zitting in 2018 niet kon bijwonen vanwege medische redenen en dat de vervolging van de medeverdachten achterwege is gelaten.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen gesteld moeten worden omtrent het bijzondere procesverloop. De volgende vragen moeten worden gesteld:

  • -

    Wanneer en met welke reden is de opgeëiste persoon na overlevering ontslagen uit voorarrest?

  • -

    Is er een verklaring voor het tijdsverloop?

  • -

    Wanneer wordt de zaak op zitting aangebracht?

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het systeem van de Overleveringswet niet in de weg staat aan het herhaald inzetten van een verzoek tot overlevering. Zij heeft verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2018:7664. Punten met betrekking tot de duur van het proces, de ernst van de feiten en het bewijs moeten in het proces in Duitsland aan de orde komen. Het Openbaar Ministerie heeft contact gehad met de officier van justitie in Duitsland en daaruit bleek dat er nog geen datum is voor het proces en dat de overlevering nog steeds gewenst is.

Overlevering van de opgeëiste persoon is nodig om de doelstelling van het kaderbesluit te bewerkstelligen. Vervolging van de opgeëiste persoon in Duitsland kan niet anders dan door het uitvaardigen van een EAB. Daarmee is overlevering niet onevenredig.

Hetgeen door de raadsman is aangevoerd vormt geen grond tot weigering van de overlevering. Het verzoek tot stellen van vragen dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt de verweren van de raadsman zo dat deze beide zien op de evenredigheid van de overlevering.

Het systeem van de OLW staat er niet aan de in de weg dat de Duitse autoriteiten in een geval zoals zich dat hier voordoet opnieuw om overlevering verzoeken. Na de overlevering in 2014 is een nieuw nationaal arrestatiebevel uitgevaardigd en een nieuw EAB uitgebracht, hetgeen er op duidt dat de overlevering nog wordt nagestreefd. Van gronden voor weigering van de overlevering is in dit verband niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat het tweede verweer moet worden gepasseerd.

In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Dit neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden slagen.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet slaagt. De door de opgeëiste persoon genoemde omstandigheden zijn niet dusdanig dat maakt dat zij onevenredig bezwarend zijn. De opgeëiste persoon dient de aangevoerde omstandigheden voor de Duitse strafrechter, die immers beschikt over het zaaksdossier, naar voren te brengen.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Arrondissementsrechtbank Aken (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 oktober 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.