Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
13/701827-18 (A) + 13/220424-17 (TUL) en 13/033653-18 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 25-jarige man die op 21 mei 2018 twee meisjes van zeven en negen jaar in een speeltuin in Nieuw-West mishandelde, daarna de agent die hem aanhield in het gezicht sloeg en vervolgens zijn cel vernielde, is veroordeeld tot negen maanden cel, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/701827-18 (A) + 13/220424-17 (TUL) en 13/033653-18 (B)

Datum uitspraak: 22 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 mei 2019 en 8 oktober 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

ten aanzien van zaak A:

1. bedreiging;

2. mishandeling;

4. mishandeling van een ambtenaar in functie;

5. belediging van een ambtenaar in functie;

6. vernieling

8. vernieling;

9. vernieling.

ten aanzien van zaak B:

1. ontucht;

2. belediging;

3. vernieling.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw

De officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van de bedreiging van [naam 1] (feit 1 onder zaak A) en de belediging van [naam 2] (feit 2 onder zaak B).

De raadsvrouw

De raadsvrouw deelt het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de bedreiging van [naam 1] en de belediging van [naam 2] . De aangifte van [naam 1] staat op zichzelf en omdat het gaat om de verklaring van een jong meisje dient hier voorzichtig mee te worden omgegaan. De aangifte van mevrouw [naam 2] wordt niet door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund. Verdachte dient van deze twee feiten te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de overige feiten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.

De beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de bedreiging van [naam 1] en de belediging van [naam 2] . De aangiftes van [naam 1] en [naam 2] worden niet door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund.

De rechtbank komt ten aanzien van de overige feiten tot een bewezenverklaring. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 13/701827-18 (zaak A):

feit 2:

op 21 mei 2018 te Amsterdam, [naam 3] en [naam 4] heeft mishandeld door:

- voornoemde [naam 3] (met kracht) bij haar schouder te grijpen en

- voornoemde [naam 4] in de buik en in het been te knijpen en (van een schommel) op de grond te duwen en op (de benen) van voornoemde [naam 4] te zitten.

feit 4:

op 21 mei 2018 te Amsterdam, een ambtenaar, [naam 5] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door voornoemde [naam 5] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht te stompen.

feit 5:

op 21 mei 2018 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, [naam 6] , brigadier van politie eenheid Amsterdam, gedurende rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door haar in het gezicht te bespugen.

feit 6:

op 21 mei 2018 te Amsterdam, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk

- een deur en raam geheel toebehorende aan woningcorporatie Stadgenoot heeft vernield en

- een (observatie)cel, geheel toebehorende aan Politie eenheid Amsterdam onbruikbaar heeft gemaakt.

feit 8:

op januari 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand geheel

toebehorende aan Motel One heeft vernield door een (zwaar) voorwerp tegen die ruit te gooien.

feit 9:

op 14 februari 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een scooter (type Piaggio Vespa)

geheel toebehorende aan [naam 7] heeft beschadigd.

Ten aanzien van parketnummer 13/033653-18 (B):

feit 1:

op 28 november 2017 te Amsterdam, door een feitelijkheid, te weten het vastpakken van de (linker)borst van die [naam 8] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het (onverhoeds) vastpakken van de (linker)borst van die [naam 8] .

feit 2:

op 28 november 2017 in Amsterdam opzettelijk [naam 9] in het openbaar heeft beledigd door die [naam 9] in het gezicht te spugen.

feit 3:

op 28 november 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een matras en een stoel en beddengoed geheel aan de politie Amsterdam toebehorende, heeft vernield door voornoemde

goederen met vuur in aanraking te laten komen.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw

De officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 2, 4, 5, 6, 8 en 9 (zaak A) en 1, 2 en 3 (zaak B) bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, klinische opname in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), ambulante behandeling en het meewerken aan dagbesteding. Met betrekking tot de klinische opname heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een maximale duur van één jaar passend is, omdat de duur in verhouding moet staan tot de ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten. De officier van justitie heeft verder de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

De raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden de klinische opname in FPA Heiloo voor de duur van maximaal één jaar en de overige bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsvrouw is van mening dat dadelijke uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is, omdat verdachte opgenomen wil worden en er naar verwachting geen hoger beroep komt, maar de raadsvrouw refereert zich wat dit betreft aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

De beoordeling door de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in een periode van minder dan een jaar negen strafbare feiten gepleegd. In het algemeen komt over hem het beeld naar voren van iemand die onder invloed van alcohol en cannabis continu schade en hinder voor de maatschappij veroorzaakt.

Zo heeft verdachte onder invloed van alcohol een voordeur ingetrapt, een ruit vernield en een scooter omver geduwd, waardoor schade is ontstaan. Verder heeft hij uit ‘verveling en frustratie’ goederen in zijn cel in brand gestoken en op een ander moment zijn cel met poep besmeurd. Deze handelingen hebben niet alleen schade (en een potentieel brandgevaar) veroorzaakt, maar zijn buitengewoon overlastgevend geweest voor diegenen die de cel van verdachte hebben moeten schoonmaken. Door echter ook mensen te bespugen en te mishandelen, heeft verdachte als het ware nóg een grens overschreden. Wat de rechtbank verdachte het meest kwalijk neemt is dat hij in een speeltuin jonge meisjes van zeven en negen jaar heeft lastiggevallen en twee van hen heeft mishandeld. Dit werkt strafverzwarend bij het bepalen van de strafmaat. Het handelen van verdachte heeft veel impact op de meisjes gehad. Zij waren op dat moment erg bang en hadden last van nachtmerries. Tenslotte heeft verdachte vanuit het niets een jonge vrouw op straat bij haar borst vastgegrepen. Het is schokkend dat verdachte onder invloed van alcohol ook seksueel overschrijdend gedrag pleegt.

Strafverzwarend is ook dat uit zijn strafblad volgt dat verdachte in het verleden al eerder voor meerdere geweldsdelicten is veroordeeld. Er is dan ook sprake van recidive: verdachte gaat keer op keer de fout in. Juist omdat verdachte al een flink strafblad heeft, baart het de rechtbank zorgen dat hij in de periode van mei 2018 tot en met februari 2019 zo veel nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Hierbij komt nog eens dat op de zitting van 8 oktober 2019 naar voren is gekomen dat verdachte ervan wordt verdacht dat hij recent wederom drie mishandelingen heeft gepleegd waar hij nog voor vervolgd zal worden.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van 26 juli 2018, opgesteld door klinisch psycholoog M.C. Schipper. Hieruit blijkt dat bij verdachte onder andere sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis en een forse alcoholproblematiek. De psycholoog heeft geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de strafbare feiten in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, in principe een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, alleen al om de maatschappij voor enige tijd tegen verdachte te beschermen. Omdat verdachte echter verminderd toerekeningsvatbaar is en verdachte nog een lang en intensief verplicht behandeltraject te wachten staat, acht de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de periode die hij in voorarrest heeft gezeten, niet passend. De rechtbank zal, gelet op de voortdurende overlast die verdachte veroorzaakt, wel een stevige voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden opleggen. Met betrekking tot die bijzondere voorwaarden is het volgende van belang.

De rechtbank heeft kennis genomen van de reclasseringsrapportages van 11 en 24 juli 2019, waarin naast een deels voorwaardelijke straf, een klinische opname voor de duur van mimimaal één jaar op een FPA geadviseerd wordt. Dit geeft de FPA de mogelijkheid om een behandeling op te starten en met succes af te ronden. Binnen een ambulant kader is het verdachte namelijk niet gelukt om tot structurele gedragsverandering en recidivebeperking te komen.

Na de klinische behandeling zou verdachte volgens de reclassering alsnog een ambulante behandeling moeten ondergaan. Dit houdt in dat verdachte begeleid zal moeten wonen en indien de reclassering dit nodig acht, een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie zal ondergaan. Uit het reclasseringsrapport van 23 september 2019 blijkt dat verdachte is aangemeld bij de FPA Heiloo en daar op 7 november 2019 kan worden opgenomen. Verdachte heeft op de zitting verklaard hier positief tegenover te staan. De rechtbank zal daarom als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte meewerkt aan opname op de FPA Heiloo, en koppelt daar de maximale duur van één jaar aan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank namelijk van oordeel dat de duur van de klinische opname in verhouding tot de bewezenverklaarde strafbare feiten moet staan. De rechtbank zal ook de andere bijzondere voorwaarden opleggen die door de reclassering zijn geadviseerd: meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf een proeftijd verbinden van drie jaren. De rechtbank acht een proeftijd van drie jaren nodig gelet op het strafblad van verdachte en de omstandigheid dat het noodzakelijke behandel- en resocialisatietraject naar verwachting een lange periode in beslag zal nemen.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen beveelt de rechtbank , gelet op artikel 14e, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte zo spoedig mogelijk voor zijn problematiek wordt behandeld om te voorkomen dat hij weer strafbare feiten gaat plegen.

9. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregelen

9.1.

Standpunten van de partijen

De officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ingediende vorderingen, met uitzondering van die van [naam 1] , dienen te worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij van [naam 3] en [naam 4] verweer gevoerd. Volgens de raadsvrouw is het logischer hen hetzelfde bedrag toe te wijzen. Ook stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de vordering van [naam 6] gematigd dient te worden. Verder heeft zij de rechtbank verzocht om een lager aantal dagen vervangende hechtenis op te leggen dan dat gebruikelijk is. Gelet op zijn inkomen is het nog maar de vraag in hoeverre verdachte aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Het is niet wenselijk dat zijn klinische opname zou worden onderbroken omdat verdachte een aantal dagen voorlopige hechtenis moet uitzitten.

9.2.

De vordering [naam 4]

, vertegenwoordigd door haar moeder [naam moeder 1] , vordert een bedrag van € 400,- aan immateriële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel van € 200,- niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank begroot de schade van [naam 4] op hetzelfde bedrag als de schade van [naam 3] omdat de gebeurtenissen in elkaars aanwezigheid hebben plaatsgevonden.

In het belang van [naam 4] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.3.

De vorderingen van [naam 1] en [naam 3]

De zussen [naam 1] en [naam 3] hebben, vertegenwoordigd door hun moeder [naam moeder 2] , een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend. [naam 1] vordert een bedrag van € 300,- en [naam 3] een bedrag van € 200,-

De benadeelde partij [naam 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 in zaak A.

Vast staat dat aan de benadeelde partij [naam 3] door het onder feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding van € 200,- komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

In het belang van [naam 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.4.

De vordering van [naam 6]

De benadeelde partij [naam 6] vordert een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 5 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht doordat zij in haar eer en goede naam is aangetast. Verdachte heeft [naam 6] , terwijl zij gewoon haar werk deed, in haar gezicht gespuugd. . Kijken naar wat over het algemeen aan schadevergoeding voor een dergelijke daad wordt toegekend, acht de rechtbank een schadevergoeding van redelijk. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

In het belang van [naam 6] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.5.

De vordering de Nationale Politie, eenheid Amsterdam

De Nationale Politie, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] , heeft een vordering van € 58,08 wegens vergoeding van materiële schade ingediend.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 6 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen omdat zij dit niet passend acht bij een professionele organisatie als de politie. De benadeelde partij is zelf in staat om de vordering bij verdachte te innen.

9.6.

De vordering van [naam 7]

De benadeelde partij [naam 7] vordert € 907,50 aan materiële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 9 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is met stukken onderbouwd en niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

In het belang van [naam 7] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.7.

De vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet bij het bepalen van het aantal dagen vervangende hechtenis in het kader van de schadevergoedingsmaatregel geen reden om af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Wel acht de rechtbank het van belang dat verdachte van het CJIB de tijd krijgt om de toegewezen bedragen naar draagkracht in delen te betalen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 24 mei 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/220424-17 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 15 maart 2018 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet aanleiding de proeftijd van deze voorwaardelijke straf met één jaar te verlengen, omdat de rechtbank de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf op dit moment niet wenselijk acht in verband met de klinische opname die op 7 november 2019 gepland staat.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 246, 266, 267, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 (zaak A) ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2 in zaak A:

mishandeling, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 4 in zaak A:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

ten aanzien van feit 5 in zaak A:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

ten aanzien van feit 6 in zaak A:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 8 in zaak A en feit 3 in zaak B:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 9 in zaak A:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen

ten aanzien van feit 1 in zaak B:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

ten aanzien van feit 2 in zaak B:

eenvoudige belediging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, van 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd de volgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen.

De algemene voorwaarden houden in dat veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De bijzondere voorwaarden houden in dat veroordeelde:

1. zich blijft melden bij Inforsa reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. zich op 7 november 2019 laat opnemen op de Forensische Psychiatrische Afdeling te Heiloo of een soortgelijke instelling. De opname duurt maximaal één (1) jaar of zoveel korter als de behandelende kliniek in samenspraak met de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling, ook als dit het innemen van medicijnen inhoudt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. zich indien de reclassering dit noodzakelijk acht laat behandelen door Inforsa FACT of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit het innemen van medicijnen inhoudt. Indien de reclassering en/of de behandelaar dat noodzakelijk acht, dan werkt veroordeelde mee aan een kortdurende klinische opname van maximaal 7 weken voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. De ambulante behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

4. meewerkt aan het opnieuw verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, waarbij hij zich zal houden aan de gegeven aanwijzingen;

5. gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 4] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] toe tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro) ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 4] het toegewezen bedrag te betalen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 4] , te betalen de som van € 200,- (tweehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 1] :

Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 3] toe, te weten € 200,- (tweehonderd euro) ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 3] het toegewezen bedrag te betalen.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 3] , te betalen de som van € 200,- (tweehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 6] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 6] toe tot een bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 6] het toegewezen bedrag te betalen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 6] , te betalen de som van € 150,- (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie, eenheid Amsterdam:

Wijst de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie, eenheid Amsterdam toe tot een bedrag van € 58,08 (achtenvijftig euro en acht eurocent) ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 mei 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan Nationale Politie, eenheid Amsterdam, het toegewezen bedrag te betalen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 7] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7] toe tot een bedrag van € 907,50 (negenhonderdzeven euro en vijftig eurocent) ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 februari 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 7] , te betalen de som van € 907,50 (negenhonderdzeven euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 februari 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam d.d. 15 maart 2018 opgelegde voorwaardelijke straf met één jaar.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.C.M. Oude Hengel, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2018.