Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7867

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
7892692 CV EXPL 19-14776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Examenadviesburo, een bedrijf dat is gespecialiseerd in examenafname en examenontwikkeling, moet de onterecht ontvangen kosten van een dagvaardings- en incassoprocedure volledig terugbetalen aan een klant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7892692 CV EXPL 19-14776

vonnis van: 21 oktober 2019

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[oppasant] ,

wonende te [woonplaats] ,

opposant,

nader te noemen: [oppasant] ,

gemachtigde: J.P. Boender,

t e g e n

de besloten vennootschap EXAMENADVIESBURO B.V.,

gevestigd te Naarden,

geopposeerde,

nader te noemen: Examenadviesburo,

gemachtigde: Centraal Incasso Buro Nederland (CIBN).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de oorspronkelijke dagvaarding van 20 maart 2019, met producties;

  • -

    het verstekvonnis van 6 mei 2019;

  • -

    de dagvaarding in verzet van 15 juni 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het verzet, met producties;

  • -

    de schriftelijke conclusie van repliek in het verzet, met producties en de mondelinge aanvulling, weergegeven in een proces-verbaal;

  • -

    de akte wijziging van de oorspronkelijke eis van Examenadviesburo.


Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

Op 30 november 2018 heeft [oppasant] twee bestellingen bij Examenadviesburo gedaan.

1.2.

Voor de eerste bestelling heeft Examenadviesburo op 1 december 2018 een factuur van € 31,46 aangemaakt en verstuurd, met nummer 19302828.

1.3.

Voor de tweede bestelling heeft Examenadviesburo op 3 december 2018 een factuur van € 31,46 aangemaakt en verstuurd, met nummer 19302961.

1.4.

Op 10 en 14 december 2018 heeft Examenadviesburo betalingsherinneringen aan [oppasant] gestuurd, onder andere ten aanzien van deze twee genoemde facturen.

1.5.

Examenadviesburo heeft [oppasant] in december, januari en februari 2019 aangemaand tot betaling. In die aanmaningen heeft Examenadviesburo niet steeds voor al haar vorderingen tezamen aangemaand, maar wisselend, eerst samen met nog een derde factuur van 29 november 2018 van €180,29. Op

7 februari 2019, na betaling van laatstgenoemd bedrag, afzonderlijk in twee

e-mails voor factuur 19302828 en factuur 19302961 en daarna voor deze beide facturen gezamenlijk.

1.6.

Op 20 maart 2019 heeft Examenadviesburo [oppasant] gedagvaard. In de dagvaarding wordt melding gemaakt van één onbetaalde factuur met nummer 19302828 van € 62,92. Als productie is een 14-dagenbrief, gedateerd op

17 december 2018 overgelegd, waarin Examenadviesburo [oppasant] heeft aangemaand tot betaling van een factuur met nummer 19302828 van € 62,92 binnen 14 dagen vanaf de dag nadat die brief bij haar was bezorgd. Daarbij is aangezegd dat als niet binnen de termijn zou worden betaald, een bedrag van

€ 40,00 incassokosten verschuldigd zou zijn.

1.7.

Bij verstekvonnis van 6 mei 2019 (kenmerk 7681634 CV EXPL 19-8222), is [oppasant] door de kantonrechter veroordeeld om aan Examenadviesburo

€ 62,92 aan hoofdsom te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 en € 40,00 buitengerechtelijke kosten. [oppasant] is daarnaast veroordeeld in de proceskosten, bestaande uit explootkosten, salaris gemachtigde, griffierecht en nakosten. De gevorderde contractuele rente is afgewezen vanwege het niet bij dagvaarding overleggen van de algemene voorwaarden.

1.8.

Bij e-mail aan Examenadviesburo van 22 mei 2019 heeft de vader van [oppasant] aangegeven dat de vordering niet klopt, omdat het genoemde factuurnummer in de dagvaarding niet correspondeert met het gevorderde bedrag. De gerechtsdeurwaarder heeft daarop namens Examenadviesburo gereageerd dat de vordering op de twee facturen van 1 en 3 december 2018 tezamen ziet.

1.9.

Op 6 augustus 2019 heeft [oppasant] € 513,82 onder protest aan Examenadviesburo betaald, omdat zij anders geen examen mocht doen.

Vordering

2. [oppasant] vordert dat het op 6 mei 2019 tussen partijen gewezen verstekvonnis wordt vernietigd en dat [oppasant] alleen wordt veroordeeld tot betaling van beide facturen zonder verdere kosten en Examenadviesburo wordt veroordeeld in de proceskosten van beide procedures.

3. Hiertoe stelt [oppasant] dat in de oorspronkelijke dagvaarding en de bijbehorende producties melding werd gemaakt van één factuur met nummer 19302828 van € 62,92. Dat is een onjuiste vordering. Factuur 19302828 bedraagt slechts € 31,46. Nadat het verstekvonnis is gewezen, is pas gebleken dat ook betaling van factuur 19302961 van

€ 31,46 werd gevorderd. Dit bleek niet uit de oorspronkelijke dagvaarding of de daarbij overgelegde 14-dagenbrief. De bij de oorspronkelijke dagvaarding overgelegde 14-dagenbrief stelt [oppasant] ook nooit ontvangen te hebben.


Verweer

4. Examenadviesburo voert aan dat [oppasant] in gebreke is gebleven met betaling van de facturen van 1 en 3 december 2018. Zij geeft toe dat in de oorspronkelijke dagvaarding en de overgelegde 14-dagenbrief slechts melding is gemaakt van één factuurnummer, maar het had voor [oppasant] voldoende duidelijk moeten zijn waar de vordering op zag. De 14-dagenbrief die bij de oorspronkelijke dagvaarding was gevoegd is “geen exacte kopie” van de 14-dagenbrief die op 17 december 2018 aan [oppasant] is verstuurd. Op de 14-dagenbrief die aan [oppasant] is verstuurd, stonden wel de juiste factuurnummers en bedragen. Bovendien is [oppasant] in betalingsherinneringen en aanmaningen meermaals op de hoogte gebracht van de openstaande vordering, waarbij ook beide factuurnummers en juiste bedragen zijn genoemd.

Beoordeling

5. Niet in debat is dat [oppasant] tijdig verzet heeft ingesteld. [oppasant] is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat [oppasant] twee facturen tot een totaalbedrag van

€ 62,92 ten onrechte onbetaald heeft gelaten aan Examenadviesburo. Zodoende is [oppasant] bij verstek op goede grond veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van

€ 62,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding. Tegen de afwijzing van de contractuele rente is geen bezwaar gemaakt. In zoverre kan het verstekvonnis in stand blijven.

7. Datzelfde kan niet gezegd worden over de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

8. De kantonrechter is van oordeel dat de wijze waarop het incassotraject door (de gemachtigde van) Examenadviesburo is gevolgd en is gedagvaard zeer onzorgvuldig is geweest. Examenadviesburo heeft in de verzetsprocedure twee inhoudelijk wezenlijk verschillende 14-dagenbrieven overgelegd die beiden zijn gedateerd op 17 december 2018. Eén van deze brieven is bij de oorspronkelijke dagvaarding overgelegd en één door [oppasant] en door Examenadviesburo in het verzet. Volgens Examenadviesburo is de 14-dagenbrief zoals die bij het antwoord in het verzet is overgelegd de ‘juiste’ brief, welke aan [oppasant] is verstuurd. Daarin wordt een bedrag van € 243,21 voor drie facturen gevorderd, waaronder de twee facturen van € 31,46 waar het achteraf gezien in deze procedure over blijkt te gaan. De 14-dagenbrief bij de oorspronkelijke dagvaarding is volgens Examenadviesburo “handmatig opgesteld aan de hand van de aangeleverde gegevens”. Deze is nooit verstuurd. Deze handelswijze van Examenadviesburo staat op gespannen voet met de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht. Het achteraf ten behoeve van een dagvaarding opstellen van een 14-dagenbrief en vervolgens stellen dat dit de brief is die in december 2018 aan een schuldenaar is gestuurd, is immers apert bezijden de waarheid.

9. Daarnaast blijkt uit de door Examenadviesburo bij conclusie van antwoord in het verzet overgelegde stukken dat [oppasant] door incassogemachtigde Centraal Incasso Buro Nederland op 7 februari 2019 is aangemaand tot betaling binnen drie dagen van de facturen van 1 en 3 december 2018. Dat heeft Examenadviesburo echter niet in één aanmaning gedaan, maar bij twee afzonderlijke aanmaningen van dezelfde datum waarbij [oppasant] per vordering tevens is gesommeerd tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 40,00. Feitelijk heeft Examenadviesburo, door haar aanmaningen op deze manier op te laten stellen, [oppasant] dus gesommeerd tot betaling van € 80,00 aan buitengerechtelijke kosten in plaats van € 40,00 en daarmee dubbele incassokosten in rekening gebracht. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 6:96 lid 7 BW, welk artikel bepaalt dat indien voor meer dan één vordering kan worden aangemaand, dit in één aanmaning dient te geschieden, waarbij voor de berekening van de vergoeding de hoofdsommen van de vorderingen bij elkaar op moeten worden geteld. Dat later nog weer een andere brief is verstuurd waarin niet twee keer € 40,00 werd gevorderd doet daar niet aan af. In ieder geval konden deze aanmaningen van 7 februari 2019 niet worden gebaseerd op de (juiste) 14-dagen brief van 17 december 2018. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [oppasant] niet gehouden kan worden tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en hier ten onrechte bij verstek toe is veroordeeld.

10. Ten aanzien van de proceskosten wordt overwogen dat deze alle voor rekening van Examenadviesburo dienen te komen. Hiervoor is vastgesteld dat (de gemachtigde van) Examenadviesburo in vergaande mate onzorgvuldig te werk is gegaan bij het opstellen van de oorspronkelijke dagvaarding. Zij heeft gesteld dat betaling werd gevorderd van één factuur (met nummer 19302828) van € 62,92. Deze vordering is onjuist, nu deze factuur slechts € 31,46 bedraagt. Dat er nog een andere factuur voor hetzelfde bedrag openstond doet daar niet aan af. Daar komt bij dat Examenadviesburo ten bewijze van haar vordering heeft verwezen naar een achteraf gefabriceerde 14-dagenbrief die nooit aan [oppasant] is verstuurd en een verkeerd bedrag vermeldt. Mogelijk is het daardoor voor [oppasant] onduidelijk geweest op welke bedragen en facturen de oorspronkelijke dagvaarding daadwerkelijk zag. Daarnaast is belangrijk dat de kantonrechter er op moet kunnen vertrouwen dat een vordering naar waarheid wordt ingediend, toegelicht en onderbouwd. Daarin is Examenadviesburo in dit geval schromelijk tekortgeschoten. Zowel het verschuldigd zijn van de hoofdsom als ook van buitengerechtelijke incassokosten dient op zijn juistheid te kunnen worden beoordeeld. Een onderdeel van die toets is of de tekst van de 14-dagen brief aan de wet en rechtspraak voldoet. Dat is bij een verstekzaak zinloos als de tekst en inhoud op deze wijze “handmatig wordt aangepast”. De kantonrechter acht het onder deze omstandigheden achteraf bezien niet terecht dat [oppasant] bij verstek is veroordeeld tot het betalen van de proceskosten en zal het verstekvonnis op dit punt dan ook vernietigen. Dit betekent onder meer dat de oorspronkelijke explootkosten en het griffierecht voor rekening van Examenadviesburo behoren te blijven.

11. Een en ander leidt ertoe dat [oppasant] slechts de hoofdsom van € 62,92 met de wettelijke rente is verschuldigd. De wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 (de dag der dagvaarding) tot 6 augustus 2019 bedraagt een bedrag van € 0,48. In totaal heeft [oppasant] op

6 augustus 2019 een bedrag van € 513,82 aan Examenadviesburo betaald. De hoofdsom met rente heeft [oppasant] dus volledig voldaan, zodat deze niet meer zullen worden toegewezen. Het verstekvonnis kan op dit punt in stand blijven.

12. Slotsom is dat Examenadviesburo zal worden veroordeeld in alle proceskosten, waaronder die in het verzet, welke verzetskosten worden begroot op de kosten van de verzetsdagvaarding. Dit ondanks dat de hoofdsom wel terecht is toegewezen. Gelet op de onzorgvuldige werkwijze van Examenadviesburo in de oorspronkelijke procedure, kan het niet aan [oppasant] worden tegengeworpen dat zij niet op de inleidende dagvaarding heeft gereageerd. Voor het overige is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, nu [oppasant] niet heeft geprocedeerd met bijstand van een professioneel gemachtigde.

12. [oppasant] heeft de oorspronkelijke proceskosten, de buitengerechtelijke kosten en mogelijk ook andere kosten al betaald. Dat was gezien het voorgaande veel te veel. De vordering van [oppasant] wordt aldus begrepen dat zij terugbetaling van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten wenst en (voor zover nodig) daartoe een eis in reconventie heeft ingesteld. Dat is toewijsbaar. Voor de kantonrechter is echter niet inzichtelijk hoe het door [oppasant] betaalde bedrag van € 513,82 precies is opgebouwd. Daarom zullen geen concrete bedragen worden genoemd in de beslissing. De kantonrechter gaat er gezien de inhoud van dit vonnis vanuit dat Examenadviesburo het teveel betaalde uit eigen beweging aan [oppasant] terugbetaald. Daarnaast kan [oppasant] overgaan tot verrekening met eventuele andere vordering(en) van Examencommissie.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart het verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis (met kenmerk 7681634 CV EXPL 19-8222) dat op 6 mei 2019 tussen partijen gewezen is, voor zover het de veroordeling onder I. betreft tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en daarnaast de veroordelingen onder II. en III.;

veroordeelt Examenadviesburo in de proceskosten van de procedures in verstek en verzet en veroordeelt Examenadviesburo tot terugbetaling aan [oppasant] van de in het verstekvonnis onder II. en III. vermelde en door haar betaalde proceskosten, nakosten en betekeningskosten, alsmede de kosten in de verstekprocedure, tot op heden aan de zijde van [oppasant] begroot op € 99,01 aan explootkosten, voor zover van toepassing, inclusief BTW;

verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.