Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
13/702818-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse toetsing ISD. Voortzetten ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESLISSING

Parketnummer: 13/702818-18 (tussentijdse toets ISD-maatregel)

De rechtbank Amsterdam heeft op 19 maart 2019 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van één jaar opgelegd aan:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2019;

  • -

    een uittreksel Justitiële Documentatie van veroordeelde van 1 september 2019;

- de stand van uitvoering van het verblijfsplan van 27 augustus 2019.

De rechtbank heeft op 1 oktober 2019 de officier van justitie, mr. R. Bosman, veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. K.A. Kieft, advocaat te Amsterdam, en de deskundige, A. Looij, senior casemanager bij de ISD afdeling van het [detentieplaats] , ter zitting gehoord.

2 Beoordeling

Het vonnis van 19 maart 2019

Uit het vonnis van 19 maart 2019 is gebleken dat de ISD-maatregel die aan veroordeelde is opgelegd alleen gericht is op het terugkeren naar [land van herkomst] , zijnde het land van herkomst. Veroordeelde kan namelijk niet resocialiseren in Nederland omdat zijn verblijfsrechten zijn ingetrokken. Een forensisch kader is daardoor, en doordat verdachte niet spreekt, niet haalbaar. Veroordeelde heeft indertijd zelf ook aangegeven zo snel mogelijk terug te willen naar [land van herkomst] . De rechtbank heeft daarom bepaald dat uiterlijk zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging de noodzaak bestaat om de ISD-maatregel te toetsen zodat informatie kan worden gegeven over de stand van uitvoering van de maatregel en de mogelijkheden tot het terugkeren naar [land van herkomst] .

Het voortgangsverslag

Uit het voortgangsverslag van de ISD maatregel van 27 augustus 2019, genaamd ‘stand van uitvoering van het verblijfsplan,’ komt het volgende naar voren. Veroordeelde is in mei 2019 opgenomen binnen het PPC van [detentieplaats] zodat nadere diagnostiek kon worden toegepast. Ook hier heeft hij – net als bij het opstellen van het trajectconsult eerder in 2019 - het contact grotendeels afgehouden en communiceerde hij door oogcontact en hoofdbewegingen. Af en toe communiceerde hij via een geschreven bericht.

Er zijn zorgen geweest met betrekking tot de fysieke gesteldheid van veroordeelde. Hij verloor veel gewicht en beantwoordde de vraag hoe het met hem ging met: “I feel like a coffin on wheels.” In de maanden daarna heeft een verbetering plaatsgevonden en is veroordeelde aangekomen en is zijn gewicht stabiel gebleven. In de laatste weken heeft hij agressief gedrag getoond naar spullen op zijn cel, met als gevolg dat hij daardoor op een grotendeels lege cel is geplaatst zonder huishoudelijke apparatuur.

Het risico op recidive werd ten tijde van de zitting van 19 maart 2019 door de reclassering ingeschat als hoog. Dit risico blijft onveranderd hoog, ook al is er geen nieuwe risicotaxatie afgenomen. Het afnemen van een nieuwe risicotaxatie is niet gelukt omdat veroordeelde niet spreekt. Daardoor is enkel door middel van observaties naar veroordeelde gekeken en op die manier is er geprobeerd om een band met hem op te bouwen. In eerste instantie heeft hij ingestemd met een medicamenteuze behandeling, maar vervolgens weigerde hij de medicatie in te nemen.

Omdat veroordeelde geen verblijfsstatus heeft, is hij aangemeld voor [naam PPC 2] en staat hij daar op de wachtlijst. Bij [naam PPC 2] is men gespecialiseerd in het bevorderen en begeleiden van de terugkeer van mensen naar het land van herkomst. In juli 2019 stond hij op de achtste plaats van de wachtlijst, waardoor het PPC meent dat overplaatsing naar het [naam PPC 2] nog wel even op zich laat wachten.

Vanuit het [naam PPC 1] wordt daarom geadviseerd om de maatregel voort te zetten, zodat Dienst Terugkeer en Vertrek zich bezig kan houden met de terugkeer van veroordeelde naar [land van herkomst] .

De verklaring van de deskundige ter zitting

Mevrouw Looij heeft, ter terechtzitting van 1 oktober 2019 gehoord als deskundige, voornoemd advies bevestigd. Het is niet duidelijk wanneer veroordeelde geplaatst zou kunnen worden in [naam PPC 2] en of dit überhaupt gaat lukken voor het einde van de ISD-maatregel. Veroordeelde spreekt inmiddels, waardoor Dienst Terugkeer en Vertrek met hem kan gaan werken aan zijn terugkeer. Dat kan eventueel ook vanuit het [naam PPC 1] . Veroordeelde beschikt niet meer over zijn reisdocumenten, maar dit kan worden opgelost door het aanvragen van een laissez-passer bij de ambassade. Vanuit de observaties is daarnaast gebleken dat dwangbehandeling nodig is voor het gedrag van veroordeelde. Deze dwangbehandeling bestaat uit het innemen van medicatie. Wanneer deze medicatie nodig blijft, zal Dienst Terugkeer en Vertrek moeten regelen dat deze medicatie ook beschikbaar is voor veroordeelde in [land van herkomst] . Dit maakt een terugkeer naar [land van herkomst] wel lastiger. Het voorgaande neemt volgens de deskundige echter niet weg dat de voorkeur blijft bestaan om veroordeelde over te plaatsen naar [naam PPC 2] omdat men daar gespecialiseerd is in dit soort zaken en de specialisten daar ook permanent aanwezig zijn, terwijl deze specialisten bij het [naam PPC 1] alleen op afspraak kunnen verschijnen.

3 Standpunten van de officier van justitie en van de veroordeelde

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel dient te worden voortgezet. Hoewel het proces om veroordeelde terug te laten keren naar [land van herkomst] ingewikkeld is, blijft de noodzaak dat hij terugkeert bestaan. Dat nu nog niet duidelijk is wanneer die terugkeer kan plaatsvinden, maakt dit niet anders. Er is onvoldoende vertrouwen dat, wanneer de maatregel wordt stopgezet, veroordeelde zelfstandig in staat zal zijn om terug te keren naar [land van herkomst] . Daarnaast zullen, bij het wegvallen van de druk van de maatregel, criminogene factoren weer een rol gaan spelen waardoor de kans op recidive hoog is. De maatregel blijft daardoor dienen ter bescherming van de maatschappij en ter voorkoming van recidive.

Primair dient de maatregel te worden voortgezet. Subsidiair zou er over drie maanden weer een toetsing kunnen plaatsvinden.

Veroordeelde verzoekt om opheffing van de ISD-maatregel en voert hiertoe aan dat voortzetting niet langer noodzakelijk is omdat verbetering mogelijk is zonder de maatregel. Wanneer de maatregel wordt opgeheven, gaat hij zelf met het vliegtuig terug naar [land van herkomst] . Hij heeft contact met zijn familie in [land van herkomst] en is welkom om bij hen te verblijven. Wanneer hij is teruggekeerd naar [land van herkomst] verwacht hij dat het makkelijk zal zijn om terug te keren in de maatschappij en dat zijn familie hem daarbij zal helpen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vraag of de maatregel moet worden voortgezet of moet worden opgeheven, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw begrijpt dat veroordeelde wil dat de maatregel wordt opgeheven zodat hij zijn eigen terugkeer kan regelen, omdat hij een akelige periode heeft doorgemaakt en een groot deel van de maatregel in de isoleercel heeft doorgebracht. Veroordeelde heeft een positieve verandering doorgemaakt en deze stijgende lijn is zeer te prijzen. Dit neemt niet weg dat het om een kwetsbaar persoon gaat. Wanneer de maatregel wordt voortgezet, is van belang dat het voor veroordeelde lastig is om om te gaan met veranderingen. Daarom is het beter als veroordeelde niet wordt overgeplaatst naar [naam PPC 2] , maar dat de terugkeer naar [land van herkomst] door Dienst Terugkeer en Vertrek vanuit het [naam PPC 1] wordt geregeld. Veroordeelde staat momenteel op de vijfde plaats op de wachtlijst en het is niet duidelijk of hij voor het einde van de ISD überhaupt terecht kan bij [naam PPC 2] . Het is wenselijk dat er over drie maanden opnieuw getoetst gaat worden zodat er dan kan worden beoordeeld welke stappen er zijn gemaakt.

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel dient te worden voortgezet. De rechtbank ziet de positieve verandering van veroordeelde en is verheugd dat het beter met hem gaat. Hierdoor, en met name doordat veroordeelde nu spreekt, heeft de rechtbank een goed beeld van de situatie van veroordeelde kunnen krijgen. Het is fijn dat veroordeelde zijn medicatie inneemt. Ook is het positief dat veroordeelde gemotiveerd is om terug te keren naar [land van herkomst] en dat hij daar terecht kan bij zijn familie. Desondanks heeft de rechtbank niet de overtuiging dat veroordeelde in staat is om zelfstandig zijn terugkeer naar [land van herkomst] te regelen. Omdat het niet duidelijk is wanneer veroordeelde eventueel geplaatst zou kunnen worden in [naam PPC 2] , is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de positieve instelling van veroordeelde, het van belang is dat er voortvarend wordt gehandeld en dat de mogelijkheden die op dit moment vanuit [naam PPC 1] beschikbaar zijn om de terugkeer naar [land van herkomst] te realiseren zullen worden in- en voortgezet. De rechtbank ziet geen noodzaak om de ISD-maatregel over drie maanden te toetsen, omdat veroordeelde nu gemotiveerd is om mee te werken aan zijn terugkeer naar [land van herkomst] en er daarnaast op dit moment nog geen zicht is op een plaatsing bij [naam PPC 2] en die plaatsing over drie maanden wellicht niet meer nodig is.

5 Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven en uitgesproken op 1 oktober 2019 op de openbare terechtzitting van deze rechtbank door

mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter,

mrs. G.P.C. Janssen en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier.