Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7800

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
13/654174-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Fraxinus. Veroordeling voor het schuldig maken aan het afleveren, verstrekken of vervoeren van harddrugs over een langere periode + het voorhanden hebben van een wapen. Gevangenisstraf 12 maanden waarvan 4 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654174-18 (Promis)

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 september en 18 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. S.M. Hoogerheide en G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2018 tot en met 8 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer)

- een Albert Heijn tas (zoals te zien op p. F111-F112 van het dossier) met daarin 895 + 201 gram van een materiaal bevattende cocaïne (p. H002) en/of

- een of meerdere (grote) hoeveelheden van een of meerdere middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder vermoedelijk een of meerdere (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2018 tot en met 8 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt of verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer)

- een Albert Heijn tas (zoals te zien op p. F111-F112 van het dossier) met daarin 895 + 201 gram van een materiaal bevattende cocaïne (p. H002) en/of

- een of meerdere (grote) hoeveelheden van een of meerdere middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder vermoedelijk een of meerdere (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 08 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, een vuurwapen van categorie III, te weten een BBM-pistool, model 315 auto, voorhanden heeft gehad;

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit ten aanzien van het tweede gedachtestreepje van feit 1 (zowel onder het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde als het tweede cumulatief/alternatief), omdat dit deel onvoldoende feitelijk bepaalbaar is. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:3124) inzake kinderporno waarin de Hoge Raad kort gezegd heeft bepaald dat een enkele verwijzing naar afbeeldingen zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken een nietige dagvaarding tot gevolg kan hebben. Hij stelt zich op het standpunt dat die overwegingen van de Hoge Raad ook in onderhavige zaak toepasbaar zijn.

De rechtbank overweegt dat het betwiste gedeelte van de tenlastelegging geen twijfel oproept met betrekking tot de vraag welke specifieke gedragingen verdachte worden verweten, nu verdachte - gelet op de inhoud van het dossier en het geheel van de tenlastelegging in onderlinge samenhang bezien - in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen en te weten waartegen hij zich dient te verweren. De omschrijving van het feit is bezien tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk en feitelijk. De dagvaarding voldoet daarmee aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. De dagvaarding is geldig en het verweer wordt zal worden verworpen.

3.2.

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Inleiding

Het opsporingsonderzoek 13Fraxinus is gestart naar aanleiding van een afschermproces-verbaal van 30 augustus 2019 uit het onderzoek 13Zomergem. In het kader van het onderzoek 13Fraxinus naar internationale handel in verdovende middelen door West-Afrikaanse criminele netwerken in Amsterdam Zuid-Oost zijn op 8 november 2018 meerdere verdachten aangehouden, waaronder verdachte (hierna: [verdachte] ) en twee medeverdachten te weten:

  • -

    [medeverdachte 1] (parketnummer 13/654173-18) (hierna: [medeverdachte 1] )

  • -

    [medeverdachte 2] (parketnummer 13/654175-18) (hierna: [medeverdachte 2] )

De zaken van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn door de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 kan het voorhanden hebben van de drugs in de oranje Albert Heijn tas bewezen worden. [verdachte] brengt de tas, [medeverdachte 1] neemt hem in ontvangst en [medeverdachte 2] komt het ophalen. In de oranje Albert Heijn tas is cocaïne aangetroffen. De verdachten hebben, blijkens de tapgesprekken, alle drie beschikkingsmacht over de tas met inhoud. Dat er sprake is van (verlengde) uitvoer van deze goederen kan in onderlinge samenhang worden geconcludeerd uit de gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] die te linken zijn aan internationale handel, de goederen aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , de netten aangetroffen in de woning van [verdachte] en de goederen aangetroffen in de woning aan de [adres 1] , waar [medeverdachte 2] staat ingeschreven. De samenwerking beperkt zich niet tot 8 november maar is al veel langer gaande. Uit de telefoongesprekken wordt duidelijk dat verdachten zich bezighouden met internationale drugshandel en hierbij zowel onderling samenwerken/handelen als met anderen. Eveneens kan worden bewezen dat [verdachte] een wapen voorhanden heeft gehad, nu in zijn woning een vuurwapen is aangetroffen. [verdachte] bekent dat hij wist dat er een wapen in de woning lag.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. Vaststaat dat [verdachte] een oranje Albert Heijn tas heeft afgegeven aan [medeverdachte 1] , maar onvoldoende staat vast wat er in de tas zat. De telefoontaps bieden op dat punt ook geen duidelijkheid. Daarmee kan niet bewezen worden dat [verdachte] harddrugs heeft afgeleverd en dient vrijspraak te volgen. Ten aanzien van de telefoongesprekken stelt de raadsman zich op het standpunt dat onvoldoende duidelijk is dat de gesprekken gaan over cocaïne/harddrugs. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor uitvoer van harddrugs. Hetzelfde geldt voor medeplegen. Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Het onderzoek 13Fraxinus richtte zich in eerste instantie op [medeverdachte 1] . Uit onderzoek komt naar voren dat [medeverdachte 1] gebruikt maakt van (onder andere) het telefoonnummer [nummer] (* [nummer] ) en later, van het telefoonnummer [nummer] (* [nummer] ). Vanaf 12 september 2018 worden de telefoongesprekken van [medeverdachte 1] opgenomen en afgeluisterd. Ook vinden er verschillende observaties plaats. Naar aanleiding van de tapgesprekken en observaties komen [verdachte] en [medeverdachte 2] in beeld. Uit onderzoek naar de telefoonnummers blijkt dat [verdachte] gebruik maakt van het telefoonnummer [nummer] (* [nummer] ) en [medeverdachte 2] van het telefoonnummer [nummer] (* [nummer] ). Uit de observaties komt verder naar voren dat [medeverdachte 1] rijdt in een Volvo V40 met kenteken [kenteken] en dat hij verblijft respectievelijk de beschikking heeft over de woningen [adres 2] en [adres 3] te [plaats] .

Uit de tapgesprekken van 7 november 2018 tussen de telefoonnummers * [nummer] , * [nummer] en * [nummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , volgt dat zij een afspraak maken voor de volgende dag, 8 november 2018. Deze gesprekken zijn aanleiding om op 8 november 2018 een observatie te starten in de omgeving van [adres 2] / [adres 3] . Gezien wordt dat [verdachte] in de richting van deze flat loopt met een oranje plastic tas in zijn hand. Naar aanleiding van de observatie en de live beluisterde telefoongesprekken wordt [verdachte] , nadat hij de torenflat heeft verlaten en wegrijdt, aangehouden. Kort daarop wordt binnengetreden in de woning [adres 3] . Daar is [medeverdachte 1] aangehouden. Na zijn aanhouding wordt hij op zijn telefoon * [nummer] gebeld door * [nummer] en verschijnt er een man, [medeverdachte 2] , bij het bellenbord van [adres 2] toren [nummer] . Ook hij wordt aangehouden.

In de woningen [adres 2] en [adres 3] en de woningen waar [verdachte] en [medeverdachte 2] stonden ingeschreven, respectievelijk [adres 4] en [adres 1] hebben diezelfde dag nog doorzoekingen plaatsgevonden. Hierbij zijn onder andere (lijst I) verdovende middelen, versnijdingsmiddelen, verpakkingsmateriaal en een vuurwapen aangetroffen. Tevens zijn in de woning aan de [adres 1] zes andere verdachten aangehouden.

Ten aanzien van feit 1:

Inhoud oranje Albert Heijn tas

De rechtbank stelt in dit kader het volgende vast. [verdachte] heeft op 8 november 2018 een oranje Albert Heijn tas aan [medeverdachte 1] op het adres [adres 3] afgegeven. Vervolgens heeft [verdachte] de woning verlaten zonder deze tas en tijdens zijn aanhouding is deze tas ook niet in zijn auto aangetroffen. De rechtbank leidt hieruit af dat de oranje Albert Heijn tas die in de woning is aangetroffen door [verdachte] is afgegeven.

Bij de doorzoeking op het adres [adres 3] is een oranje Albert Heijn tas met daarin een blauwe Albert Heijn tas aangetroffen. Ook is er een andere, blauwe, Albert Heijn tas aangetroffen. De inhoud van beide tassen is onderzocht. De inhoud van de ene tas is positief getest op cocaïne en de inhoud van de andere tas heeft een negatief resultaat opgeleverd.

De rechtbank ziet zich vanwege hierna te benoemen ontstane verwarring, gesteld voor de vraag of er cocaïne zat in de op 8 november 2018 in beslag genomen oranje Albert Heijn tas, met daarin een blauwe Albert Heijn tas.

Uit zowel het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [adres 3] van 8 november 2018 (pagina E009) als het proces-verbaal van bevindingen overzicht aangetroffen drugs per woning van 12 december (pagina H002) volgt dat een Albert Heijn tas met inhoud (goednummer 5659156) is aangetroffen op het aanrecht en een andere Albert Heijn tas met inhoud (goednummer 5659171) is aangetroffen in het keukenkastje onder het aanrecht. De tas met goednummer 5659156 is negatief getest. De tas met goednummer 5659171 is positief getest, namelijk op cocaïne.

Blijkens de tekst van de processen-verbaal is de oranje tas aangetroffen in het keukenkastje onder het aanrecht maar uit de foto’s in het dossier leidt de rechtbank af dat de oranje tas op het aanrecht stond. De officier van justitie stelt zich, desgevraagd, onder verwijzing naar het aanvullend proces-verbaal van 18 september 2019 op het standpunt dat er verwarring is ontstaan doordat het goednummer 5659171 en de inhoud van de oranje Albert Heijn tas (5660008 en 5660009) op pagina H002 ten onrechte wordt toegeschreven aan de plastic tas onder de wasbak. Dit betreft volgens de officier van justitie een evidente fout.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier op dit punt zodanige tegenstrijdigheden bevat dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat in de oranje tas die [verdachte] heeft afgeleverd ook daadwerkelijk cocaïne zat. Het blijft te onduidelijk waar de oranje tas is aangetroffen.

Daar komt bij dat de termen ‘gele brokjes’, ‘gele vlokken’ en ‘crème brokjes’ de verwarring in deze vergroten. Het ter zitting overgelegde proces-verbaal van 18 september 2019 legt weliswaar uit waar volgens de politie de vergissing zit maar deze conclusie is niet (kenbaar) gebaseerd op waarnemingen van verbalisanten gedaan op 8 november 2018. De verklaring van [verdachte] ter zitting heeft in deze ook geen opheldering verschaft. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] daadwerkelijk op 8 november 2018 cocaïne aan [medeverdachte 1] heeft afgeleverd en daarom dient hij van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

De omstandigheid dat de rechtbank niet bewezen acht dat [verdachte] op 8 november 2018 cocaïne heeft afgeleverd aan [medeverdachte 1] brengt niet automatisch met zich mee dat zijn betrokkenheid bij drugshandel in het geheel niet bewezen kan worden.

Versluierd taalgebruik

Het dossier bevat vanaf 13 september 2018 een grote hoeveelheid tapgesprekken tussen telefoonnummer * [nummer] van [medeverdachte 1] en telefoonnummer * [nummer] . Dit laatste nummer is, zoals door [verdachte] zelf ter zitting heeft verklaard, bij hem in gebruik. Ook zijn er tapgesprekken * [nummer] van [medeverdachte 1] en * [nummer] op 7 en 8 november 2018. In totaal vinden er vanaf 28 september 2018 337 tapregistraties plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . In de gesprekken worden onder andere de volgende termen gebruikt; hoeveel vingers, ding, losse, preparen, gekookt, slechte kwaliteit, met geur, 27, 28, 33, hoe hoger de prijs des te beter de kwaliteit is, vier hoeken, 1 brood en blokken.

Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van onderschepte gesprekken niettemin worden geduid als betrekking hebbende op drugs vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet, bij de bewijslevering de nodige behoedzaamheid dient te worden betracht. Het risico op een verkeerd begrip is immers aanwezig als de betekenis van het gesproken en geschreven woord moet worden uitgelegd en geïnterpreteerd. De rechtbank heeft daarom na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van – in het onderhavige geval – telefoongesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst.

De rechtbank kan met inachtneming van het voorgaande, ook wanneer deze afgeluisterde gesprekken met de nodige behoedzaamheid worden beoordeeld, tot geen andere conclusie komen dan dat in de gesprekken op versluierde wijze over drugs, mede gelet op de prijzen in het bijzonder cocaïne, is gesproken en over de handel daarin.

In de periode 28 september 2018 tot 8 november 2018 zijn er tussen het telefoonnummer * [nummer] van [medeverdachte 1] en het nummer * [nummer] van [verdachte] 330 tapgesprekken. De rechtbank deelt de analyse dat dit drugsgerelateerde gesprekken waren en acht aannemelijk dat daarbij * [nummer] de verkoper en * [nummer] de koper is. Ook al is over 8 november 2018 niet komen vast te staan dat [verdachte] cocaïne heeft afgeleverd, de rechtbank neemt wel aan dat als hij in de hiervoor genoemde periode ‘nepdrugs’ zou hebben geleverd, dit besproken zou zijn tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Bovendien lijkt het niet aannemelijk dat er dan nog een afspraak zou zijn gemaakt voor 8 november 2018. Op basis van de tapgesprekken gaat de rechtbank er bovendien wel van uit dat het de bedoeling was dat [verdachte] cocaïne en ongeveer 200 gram van ‘iets geels ‘ zou leveren aan [medeverdachte 1] . De rechtbank weegt verder mee dat er ook daadwerkelijk op het adres [adres 3] , over welke woning [medeverdachte 1] de beschikking had, harddrugs en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen.

Tot slot heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken dat [verdachte] geen verklaring heeft willen afleggen over de inhoud van gesprekken, terwijl het in de gesprekken gebezigde taalgebruik vraagt om een uitleg. [verdachte] heeft slechts aangegeven dat hij geen uitleg kan geven omdat hij zich de vele gesprekken niet meer weet te herinneren.

Conclusie

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de gesprekken niet is af te leiden dat [verdachte] zich (ook) bezig heeft gehouden met internationale drugshandel, meer specifiek de in- en uitvoer van middelen als vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst I. Het enkel aantreffen van de netjes/gaasjes in de badkamer van verdachte, waarvan de politie vermoedt dat het ging om een netjes/gaasjes waarmee slikkersbollen worden opgevangen, is onvoldoende om van een internationale component te spreken. [verdachte] zal van de ten laste gelegde in- en/of uitvoer (het eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit) dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] hoeveelheden van middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] dit alleen gedaan en is er dus geen sprake van medeplegen. Voor wat betreft de pleegperiode het volgende. De rechtbank stelt aan de hand van de tapgesprekken vast dat de periode waarin de strafbare feiten zijn begaan een kortere periode betreft dan de ten laste gelegde periode. De eerste tapgesprekken waarin drugsgerelateerde zaken worden besproken dateren van 13 september 2018. De rechtbank gaat daarom uit van een pleegperiode van 13 september tot en met 8 november 2018.

Ten aanzien van feit 2:

Voor bewijs van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie is vereist dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over het vuurwapen.

Het vuurwapen is aangetroffen in de woning waar [verdachte] destijds stond ingeschreven en waar hij ook verbleef. [verdachte] wist dat het wapen in de woning lag, zo blijkt uit zijn eigen verklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat bewezen kan worden dat [verdachte] het vuurwapen voorhanden heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

1.

onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

in de periode van 13 september 2018 tot en met 8 november 2018 in Nederland, opzettelijk heeft afgeleverd of verstrekt of vervoerd,

- hoeveelheden van middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 8 november 2018 te Amsterdam, een vuurwapen van categorie III, te weten een BBM-pistool, model 315 auto, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, voor het geval de rechtbank tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf komt, de periode waarin [verdachte] onder elektronisch toezicht stond mee te nemen nu hij als het ware gevangen zat in zijn eigen huis. De raadsman verzoekt een straf op te leggen conform de tijd die [verdachte] reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met eventueel een groot voorwaardelijk strafdeel dan wel een taakstraf. Ten aanzien van het wapenbezit heeft de verdediging opgemerkt dat het feit bijna een jaar geleden heeft plaatsgevonden en om die reden de onlangs door de rechtbank ingezette lijn waarbij flinke straffen worden opgelegd voor het voorhanden hebben van wapens niet met terugwerkende kracht in de zaak van [verdachte] kan worden toegepast. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat [verdachte] first offender is, het wapen in de woning is aangetroffen en niet bij [verdachte] tijdens zijn aanhouding en dat het wapen niet doorgeladen was.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het afleveren, verstrekken of vervoeren van harddrugs. De rechtbank kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het concreet ging, maar gelet op de genoemde prijzen, de hoeveelheid gesprekken en de frequentie van de gesprekken die nagenoeg over niets anders gingen dan drugs(handel), stelt de rechtbank wel vast dat het om substantiële hoeveelheden moet zijn gegaan. De handel in harddrugs gaat veelal gepaard met andersoortige criminaliteit. Daarnaast is de verspreiding van harddrugs een gevaar voor de volksgezondheid. [verdachte] heeft zich in de drugshandel begeven, kennelijk gelokt door geldelijk gewin zonder zich te bekommeren om de schade die dit soort handel in de maatschappij aanricht. Daarnaast heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben hiervan.

Uit het strafblad van [verdachte] van 13 augustus 2019 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de straffen die rechters in soortgelijke zaken doorgaans opleggen.

Voor wat betreft het wapenbezit constateert de rechtbank - met de raadsman - dat het feit is gepleegd ruim voordat de onlangs door de rechtbank lijn van aanmerkelijk zwaardere straffen voor vuurwapenbezit is ingezet. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden.

De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen om [verdachte] ervan te doordringen dat hij weg moet blijven van drugshandel en vuurwapens. Anders gezegd, om recidive te voorkomen. [verdachte] heeft een rechtmatig verblijf in Nederland, een vast adres en werk. Daarom kan een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend.

Vanwege de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. [verdachte] mag een eventueel hoger beroep in vrijheid afwachten.

9 Beslag

Onder [verdachte] is blijkens de beslaglijst het volgende voorwerp in beslag genomen:

2. Computer, Apple iPad Air (56559180)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorwerp dient te worden verbeurd verklaard. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verbeurdverklaring

Het onder nummer 2 in beslag genomen en niet teruggeven voorwerp dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar. De rechtbank neemt in aanmerking dat het voorwerp aan [verdachte] toebehoort en dat met betrekking tot het voorwerp het bewezen geachte is begaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

- opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd:

2. Computer, Apple iPad Air (56559180)

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. S. Djebali en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2019.