Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7791

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
7407414 CV EXPL 18-27872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Juridische dienstverlening ex-advocaat. Opdrachtgeverschap ouder-kind. Geen contractsoverneming. Ondanks beroepsfouten geen schade, want kansloze zaak. Wel terugbetaling voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1268
NJF 2019/586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 7407414 \ CV EXPL 18-27872

Uitspraak: 19 juli 2019

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde mr. S. Hu,

t e g e n

[gedaagde] ,

voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde] .

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 november 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 11 januari 2019, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 februari 2019, waarin is bepaald dat schriftelijk wordt voortgeprocedeerd;

  • -

    de conclusie van repliek van 29 maart 2019;

  • -

    de conclusie van dupliek van 7 juni 2019.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de vader van [zoon] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [zoon] ).

2.2.

[zoon] is in verband met regelmatig bij hem optredende neusbloedingen op 14 oktober 2014 behandeld in het [naam ziekenhuis] (hierna: het ziekenhuis) door de KNO-arts [kno arts] (hierna: de arts). Tijdens deze behandeling is een complicatie opgetreden, waardoor op de wang van [zoon] een eerstegraads verbranding is ontstaan.

2.3.

[eiser] heeft op 29 oktober 2014 [gedaagde] benaderd voor juridisch advies over een letselschadeclaim. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] diezelfde dag een

e-mail aan [eiser] gestuurd die, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

Geachte heer en mevrouw,

Hierbij refereer ik aan het gesprek op mijn kantoor van hedenavond in de letselschade kwestie met betrekking tot uw zoontje [zoon] .

(…)

Ik zal thans het medisch dossier opvragen bij het ziekenhuis, en voorts het ziekenhuis en de arts aansprakelijk stellen voor deze beroepsfout en hem sommeren tot vergoeding van geleden en te lijden letselschade en immateriële schade.

Voldoet men daar niet aan, dan zal ik het ziekenhuis en de arts in een bodemprocedure dagvaarden voor de Rechtbank Amsterdam tot vergoeding van het geleden en nog te lijden schade en vergoeding van de kosten van deskundige juridische bijstand.

Voorts zal ik een medisch rapport opvragen aan de medisch adviseur.

Dit rapport zal mede als basis dienen voor de in te stellen vorderingen.

Ik acht goeden kansen aanwezig op succes in deze zaak en zal u in geval van het tegendeel dit eveneens hebben voorgehouden.

Wij kwamen overeen, dat u een eenmalig voorschot honorarium zult voldoen ten bedrage van euro 3000,-.

(…)

Indien later mocht blijken, dat er geen tastbaar resultaat is behaald, dan zal ik u de helft van het voorschothonorarium, derhalve euro 1500,- restitueren.

In geval er deugdelijk resultaat wordt bereikt, zal ik u een specificatie naar gewerkte uren en kosten doen toekomen en zult u van mij een eindnota ontvangen, uiteraard onder verrekening van het reeds bepaalde voorschot, ad euro 3000,-.

(…)

Bij positief resultaat zullen ook de kosten van de rechtsbijstand aan u dienen te worden vergoed.

Indien er moet worden geprocedeerd zal ik u een nota terzake externenkosten moeten zenden met betrekking tot griffierechten en deurwaarderskosten waarbij de griffierechten ongeveer euro 295,- bedragen en de deurwaarderskosten euro 150,-.

Ik zal mijn uiterste best doen om een positief resultaat te behalen in deze zaak en acht daartoe ook alle kansen aanwezig.

2.4.

Bij brief van 4 november 2014 heeft [gedaagde] het ziekenhuis verzocht om aansprakelijkheid te erkennen voor de schade van [zoon] . In de daaropvolgende correspondentie tussen [gedaagde] en het ziekenhuis zijn over en weer voorstellen gedaan voor een minnelijke regeling, maar zo’n regeling werd niet getroffen.

2.5.

Op 16 juni 2017 heeft [eiser] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [zoon] , het ziekenhuis en de arts gedagvaard. In deze procedure (hierna: de letselschadezaak) is [gedaagde] opgetreden als de gemachtigde van [eiser] .

2.6.

Op 15 februari 2018 heeft in de letselschadezaak een comparitie van partijen plaatsgevonden. [eiser] en [gedaagde] zijn op deze zitting niet verschenen.

2.7.

Op 16 maart 2018 is eindvonnis gewezen in de letselschadezaak. Dit vonnis luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

4.1. De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] in de onderhavige zaak voor zijn minderjarige zoon [zoon] optreedt en de formele procespartij is in deze procedure. Voor het optreden van een ouder als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen in rechte als eisende partij, is op grond van artikel 1:253k, gelezen in samenhang met artikel 1:349, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een (voorafgaande) machtiging van de kantonrechter vereist. Een dergelijke machtiging, die ook na aanvang van het geding kan worden verkregen en kan worden ingebracht, ontbreekt in het dossier, zoals terecht door [naam ziekenhuis] is aangevoerd. Uit niets blijkt dat [eiser] wel over een dergelijke machtiging beschikt. De kantonrechter stelt dan ook vast dat een machtiging ontbreekt, en zal [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

4.2.

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Aan de orde is een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Ingevolge de maatstaf van artikel 7:453 BW dient een medisch hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. De hulpverlener moet die zorg betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

4.3.

[eiser] heeft in het licht van de vaststaande feiten (zie 2.3) geen feiten of omstandigheden gesteld, die indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat [kno arts] niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. [kno arts] heeft ter zitting nog toegelicht dat zich bij de behandeling een zeldzame complicatie voordeed, die nooit eerder in de medische literatuur is beschreven. [eiser] en zijn gemachtigde waren niet ter zitting aanwezig en hebben hier niets tegenin gebracht, zodat de kantonrechter ervanuit gaat dat inderdaad een zeldzame complicatie is opgetreden. Het verwijt van [eiser] aan het adres van [kno arts] mist een deugdelijke feitelijke onderbouwing. De vordering tegen [naam ziekenhuis] strandt dan ook op inhoudelijke gronden.

4.4.

Wat de proceskosten betreft, geldt naar het oordeel van de kantonrechter het volgende. [zoon] is niet aansprakelijk voor de geldelijke gevolgen van de procedure die in opdracht van [eiser] op de naam van [zoon] is gestart, terwijl een machtiging van de kantonrechter ontbreekt en [eiser] dientengevolge niet gerechtigd is [zoon] te vertegenwoordigen. Dit betekent dat [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij niet in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [zoon] in de proceskosten zal worden veroordeeld, maar persoonlijk (zie in dit verband HR 12 december 1975, NJ 1976/569). De kosten aan de zijde van [naam ziekenhuis] worden tot heden begroot op € 800 aan salaris gemachtigde (twee punten, liquidatietarief € 400), zulks vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het BW zoals door [naam ziekenhuis] is verzocht.

2.8.

[eiser] heeft zes facturen voor (voorschotten op) honorarium en (externe) kosten van [gedaagde] ontvangen en betaald tot een totaalbedrag van € 4.752,58.

2.9.

Bij brief van 30 april 2018 is [gedaagde] namens [eiser] aangemaand om een bedrag van € 5.552,58 binnen veertien dagen te betalen. In deze brief wordt opgemerkt dat, als [gedaagde] hieraan niet voldoet, hij in verzuim zal zijn en er aanspraak gemaakt zal worden op de wettelijke rente.

3. De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

  • -

    € 5.552,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2018;

  • -

    de buitengerechtelijke kosten van € 789,68;

  • -

    de proceskosten;

  • -

    de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit vonnis.

3.2.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. Tussen de eenmanszaak van [gedaagde] en hem is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. [gedaagde] is vervolgens toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de zorgplicht die hij als opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden in acht moet nemen. Deze wanprestatie bestaat eruit dat [gedaagde] in de letselschadezaak ten onrechte voor [eiser] geen machtiging als wettelijke vertegenwoordiger heeft geregeld, dat er aan de kant van [eiser] niemand op de zitting in deze zaak is verschenen aangezien [gedaagde] ten onrechte tegen [eiser] heeft gezegd dat hij deze zitting had laten verzetten en dat [gedaagde] [eiser] ten onrechte niet heeft geadviseerd dat de kosten van de letselschadezaak hoger zouden zijn dan het te verwachten resultaat. De schade bestaat uit de betaalde facturen voor rechtsbijstand en onkosten van in totaal € 4.752,58 en de proceskostenveroordeling in de letselschadezaak van € 800,00. Daarnaast ligt terugbetaling van een deel van het honorarium van € 1.500,00 op grond van de restitutietoezegging in de e-mail van 29 oktober 2014 voor toewijzing gereed.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer het volgende aan. [eiser] is niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, omdat hij niet als eiser in deze zaak kan worden aangemerkt aangezien hij slechts optrad als wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon, en omdat de rechten en plichten van de eenmanszaak van [gedaagde] zijn overgegaan op [handelsnaam] , Algemeen Juristen en Belastingjuristen B.V. [gedaagde] betwist verder dat sprake is van een schending van zijn zorgplicht en van schade als gevolg daarvan. Terugbetaling van € 1.500,00 is niet aan de orde, omdat [eiser] geen hoger beroep heeft ingesteld, zodat onduidelijk is of het gerechtshof anders zou hebben geoordeeld.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid: wie is contractspartij?

4.1.

Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Dit blijkt uit de opdrachtbevestiging van 29 oktober 2014, die is gericht aan [eiser] en zijn echtgenote, waarin wordt bevestigd wat de opdracht inhoudt. Dat de opgedragen werkzaamheden betrekking hebben op letselschade van [zoon] , de dan vierjarige zoon van [eiser] , betekent niet dat [zoon] als opdrachtgever kan worden aangemerkt. [zoon] heeft immers zelfstandig geen rechtshandeling verricht, voor zover hij juridisch al bekwaam zou zijn dat te doen. Dat [eiser] in een eventuele gerechtelijke procedure zal optreden als wettelijk vertegenwoordiger van [zoon] , betekent niet dat hij alleen in die hoedanigheid een overeenkomst van opdracht met een juridisch adviseur en procesgemachtigde kan sluiten. Het ligt veel eerder in de rede dat [eiser] en zijn echtgenote persoonlijk aansprakelijk zijn voor de (financiële) gevolgen van zo’n overeenkomst. Als [gedaagde] alleen met [eiser] en zijn echtgenote in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [zoon] had willen contracteren, dan had het als juridisch professional op zijn weg gelegen om dat uitdrukkelijk te vermelden in de door hem opgestelde opdrachtbevestiging.

Ontvankelijkheid: contractsoverneming?

4.2.

Een partij bij een overeenkomst kan op grond van artikel 6:159, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze wederpartij overdragen aan een derde door middel van een tussen haar en deze derde opgemaakte akte.

4.3.

[gedaagde] stelt dat de rechten en plichten van zijn eenmanszaak zijn overgegaan op een besloten vennootschap en dat hij dit heeft meegedeeld aan [eiser] . [gedaagde] stelt echter niet, en evenmin is gebleken, dat sprake is van een akte van contractsoverneming met betrekking tot deze overeenkomst van opdracht en dat [eiser] daaraan heeft meegewerkt. Dit klemt te meer, omdat [eiser] de stellingen van [gedaagde] op dit punt uitdrukkelijk betwist. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat sprake is van contractsoverneming.

Ontvankelijkheid: conclusie

4.4.

De ontvankelijkheidsverweren van [gedaagde] worden verworpen. De kantonrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Zorgplicht

4.5.

Een opdrachtnemer moet op grond van artikel 7:401 BW bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. De maatstaf bij deze zorgplicht is dat een beroepsbeoefenaar als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk moet gaan.

Beroepsfout 1: geen machtiging als wettelijk vertegenwoordiger

4.6.

Een ouder die (mede) het gezag over een kind uitoefent, voert op grond van artikel 1:253i BW (mede) het bewind over het vermogen van dat kind. Op dit bewind is op grond van artikel 1:253k BW onder andere artikel 1:349 BW van toepassing. Op grond van dit laatste artikel is een machtiging van de kantonrechter vereist om in rechte voor een minderjarige op te treden, op straffe van niet-ontvankelijkheid.

4.7.

Dat de gemachtigde van [eiser] in de dagvaarding bij vergissing verwijst naar het niet-bestaande artikel 1:123k BW, maakt het bovenstaande niet anders. Door de verwijzing van deze gemachtigde naar het vonnis in de letselschadezaak, waarin het juiste artikel 1:253k BW wordt aangehaald, is bovendien voldoende duidelijk waarop dit deel van de vordering betrekking heeft.

4.8.

Het staat vast dat [eiser] tijdens de letselschadezaak niet beschikte over een machtiging van de kantonrechter om in rechte op te treden voor [zoon] , terwijl daarover in de conclusie van antwoord door de wederpartij al verweer was gevoerd, en dat de kantonrechter [eiser] om die reden niet-ontvankelijk heeft verklaard in de letselschadezaak. Het staat ook vast dat [gedaagde] [eiser] op dit punt niet heeft geadviseerd en er niet voor heeft gezorgd dat [eiser] deze noodzakelijke machtiging in het geding heeft gebracht. Aangezien de noodzaak van zo’n machtiging uit de wet volgt, zou een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur en procesgemachtigde gezorgd hebben dat zo’n machtiging voorafgaand aan of tijdens de letselschadezaak, zeker nadat er op dit punt verweer was gevoerd, in het geding werd gebracht. Aangezien [gedaagde] dit heeft nagelaten, heeft hij gehandeld in strijd met zijn zorgplicht en is hij tekort gekomen in het nakomen van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

Beroepsfout 2: niemand verschenen op de zitting

4.9.

Hoewel partijen het proces-verbaal van de zitting van 15 februari 2018, dat er blijkens het eindvonnis in de letselschadezaak wel is, niet in het geding hebben gebracht, kan aan de hand van de overgelegde correspondentie voldoende worden gereconstrueerd wat er voorafgaand aan en op deze zitting is gebeurd.

4.10.

Namens [gedaagde] is op de ochtend van de zitting gebeld met de griffie van de rechtbank met de mededeling dat hij ziek was en verzocht om aanhouding van de zitting. Vanuit de griffie is toen verzocht om een schriftelijke bevestiging per e-mail of fax van dit verzoek en de gronden waarop dit berustte. Namens [gedaagde] is toen meegedeeld dat dit eerst aan het einde van de dag dan wel in de vroege avond zou kunnen plaatsvinden (zie productie 10 bij conclusie van antwoord).

4.11.

De stelling van [gedaagde] , dat hij de onmogelijkheid van zijn verschijnen op voorhand schriftelijk aan de kantonrechter ter kennis heeft gebracht, zoals hij schrijft in randnummer 29 van de conclusie van dupliek, is niet nader gemotiveerd of onderbouwd, terwijl dat in het licht van de eerder aangehaalde correspondentie wel in de rede had gelegen, zodat daar bij de beoordeling aan voorbij zal worden gegaan.

4.12.

[eiser] stelt dat [gedaagde] hem vervolgens heeft meegedeeld dat hij de zitting heeft laten verzetten. [gedaagde] stelt dat hij [eiser] heeft gezegd dat hij een andere zittingsdatum had gevraagd, omdat hij die dag te ziek was om te verschijnen. Daarmee betwist [gedaagde] niet dat hij [eiser] heeft gezegd, dat hij de zitting heeft laten verzetten, en staat dit vast tussen partijen. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur en procesgemachtigde mag worden verwacht dat hij zijn cliënt juist en volledig informeert over de stand van zaken met betrekking tot een verzoek tot aanhouding van een zitting. In dit geval was namens [gedaagde] telefonisch een verzoek tot aanhouding gedaan, maar heeft hij geen schriftelijke bevestiging ontvangen dat dit verzoek zou worden toegewezen. Bovendien was hem verzocht om alsnog een schriftelijk en gemotiveerd verzoek in te dienen en daaraan heeft hij voorafgaand aan de zitting niet voldaan. Gelet hierop was sprake van een onzekere situatie, waarvan hij [eiser] op de hoogte had behoren te brengen, zodat deze zelf de afweging kon maken om alsnog zonder gemachtigde op de zitting te verschijnen. Door dit niet doen, maar hem integendeel mee te delen dat hij de zitting heeft laten verzetten, heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met zijn zorgplicht en is hij tekort gekomen in het nakomen van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

Beroepsfout 3: onjuiste advisering over kosten en opbrengsten

4.13.

[eiser] stelt in de dagvaarding dat de kosten van de letselschadezaak nooit zouden hebben opgewogen tegen de schadevergoeding die hij hoogstwaarschijnlijk zou hebben ontvangen. [gedaagde] zou hem daarom hebben moeten adviseren om niet te gaan procederen. [eiser] motiveert deze stelling in zijn conclusie van repliek met een verwijzing naar de mogelijke maximale schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen in verhouding tot de kosten van rechtsbijstand en de proceskosten. Hij heeft zijn stelling niet nader gemotiveerd of onderbouwd, zodat de conclusie die hij daaraan verbindt niet valt te controleren. Dit klemt te meer, omdat [gedaagde] deze stelling betwist en daarbij wijst op de aard en de omvang van de lestelschade en het feit dat de wederpartij bij een positieve uitkomst in de proceskosten zou worden veroordeeld. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de te verwachten kosten van deze zaak voor [eiser] de te verwachten opbrengsten voor hem hoogstwaarschijnlijk zouden overschrijden.

4.14.

De kantonrechter stelt bovendien vast dat [gedaagde] [eiser] in de opdrachtbevestiging heeft geïnformeerd over de aard van de te maken kosten en de geschatte hoogte van een deel daarvan. [gedaagde] deelt in deze bevestiging mee dat hij goede kansen aanwezig acht om een positief resultaat te behalen en merkt op dat in dat geval de kosten van rechtsbijstand vergoed zullen worden. Hij belicht echter ook de mogelijkheid van een negatief resultaat, waarbij hij de restitutie van de helft van het voorschot aan honorarium toezegt. Hiermee heeft [gedaagde] geadviseerd op een wijze en met een mate van terughoudendheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur en procesgemachtigde mag worden verwacht. Hij heeft in dit verband dan ook niet gehandeld in strijd met zijn zorgplicht en hij is in dit verband dus niet tekort gekomen in het nakomen van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

Schade als gevolg van beroepsfouten

4.15.

[eiser] vordert schadevergoeding als gevolg van de beroepsfouten. Voor de beoordeling, of een beroepsfout tot schade heeft geleid, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie zoals die zich feitelijk heeft voorgedaan en de hypothetische situatie dat er geen beroepsfout zou zijn gemaakt. Als er niet met voldoende zekerheid kan worden bepaald wat er zonder de beroepsfout zou zijn gebeurd en er een reële – dat wil zeggen een niet zeer kleine – kans op succes geweest zou zijn, moet de rechter aan de hand van de goede en kwade kansen een schatting maken van de uitkomst van de procedure.

4.16.

Als [eiser] wel een machtiging zou hebben gehad, dan had hij evenmin gelijk gekregen in de letselschadezaak. Dit volgt uit de overweging ten overvloede van de kantonrechter, zoals weergegeven onder 4.2 en 4.3 in het vonnis in de letselschadezaak, waarin wordt uitgelegd dat de vordering van [eiser] ook strandt op inhoudelijke gronden.

4.17.

Als [eiser] wel een machtiging zou hebben gehad èn hij zou op zitting zijn verschenen om een toelichting op zijn standpunten te geven, dan waren er uiteenlopende beslissingen op zijn vorderingen mogelijk. De reden waarom de kantonrechter echter ten overvloede oordeelt dat zijn vorderingen ook inhoudelijk stranden, is dat [eiser] geen feiten of omstandigheden had gesteld waaruit volgt dat de arts niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. In het bijzonder is niet weersproken dat bij de behandeling zich een zeldzame complicatie voordeed die nooit eerder in de medische literatuur is beschreven. [eiser] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken wat hij daar tegenin had kunnen en willen brengen. Blijkens de conclusie van antwoord in de letselschadezaak was de informatie van de medisch adviseur van [eiser] al overgelegd. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat, zelfs als [eiser] ontvankelijk zou zijn geweest en hij ter zitting zou zijn verschenen, er geen reële kans zou zijn geweest op succes in de letselschadezaak. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan een schatting van de uitkomst van de letselschadezaak op grond van de goede en kwade kansen.

4.18.

Gelet op het bovenstaande heeft [eiser] geen schade geleden als gevolg van de vastgestelde beroepsfouten. Dit betekent dat zijn vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen.

Terugbetaling helft voorschot honorarium

4.19.

Omdat [eiser] de overeenkomst van opdracht niet heeft ontbonden en deze evenmin op andere wijze is beëindigd, komt de kantonrechter toe aan de (impliciet subsidiaire) vordering van [eiser] tot betaling van € 1.500,00, zoals verwoord in randnummer 13 van de dagvaarding. De kantonrechter begrijpt deze vordering namelijk als een vordering tot nakoming van de verbintenis tot terugbetaling van de helft van het voorschot op het honorarium onder de voorwaarde dat ‘later mocht blijken, dat er geen tastbaar resultaat is behaald’.

4.20.

[gedaagde] stelt dat aan de voorwaarde voor terugbetaling nog niet is voldaan, omdat [eiser] heeft besloten geen hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in de letselschadezaak. [eiser] stelt dat [gedaagde] deze voorwaarde nooit heeft gesteld.

4.21.

Bij de beantwoording van de vraag hoe dit beding in de overeenkomst van opdracht moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan dit beding mochten toekennen en op dat wat zij daarover redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten. Van belang is dat deze overeenkomst betrekking had op juridische dienstverlening en door [gedaagde] als juridisch professional is gesloten met twee particuliere rechtzoekenden, die doorgaans ondeskundig zijn op juridisch gebied. Bovendien heeft [gedaagde] de opdrachtbevestiging opgesteld. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om zijn bedoelingen in de opdrachtbevestiging tot uitdrukking te brengen op een wijze die voor [eiser] voldoende duidelijk was. In de bevestiging is echter onvoldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht wat er werd bedoeld met de voorwaarde voor terugbetaling. In ieder geval valt daaruit niet ondubbelzinnig op te maken dat daarmee werd beoogd pas tot terugbetaling over te gaan wanneer alle rechtsmiddelen tegen een negatieve rechterlijke beslissing zouden zijn uitgeput. Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] uit de tekst van de opdrachtbevestiging heeft mogen begrijpen dat hij aanspraak kan maken op terugbetaling als de kantonrechter bij eindvonnis negatief zou hebben beslist op zijn vorderingen.

4.22.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering van [eiser] tot een bedrag van € 1.500,00 worden toegewezen. Aangezien in de brief van 30 april 2018 al melding wordt gemaakt van de terugbetalingsverplichting met betrekking tot dit bedrag en een termijn van veertien dagen wordt gegund voor voldoening, zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf 14 mei 2018.

Buitengerechtelijke kosten

4.23.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan kosten is gelet op het uiteindelijk toegewezen bedrag hoger dan het tarief volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 225,00.

Proceskosten

4.24.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proces- en nakosten van [eiser] worden veroordeeld. De proceskosten worden begroot op:

- dagvaarding € 109,59

- griffierecht 226,00

- salaris gemachtigde 360,00 (2 punten × tarief € 180,00)

Totaal € 695,59.

BESLISSING

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 1.500,00 (duizend en vijfhonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 mei 2018 tot de dag van volledige betaling,

- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 225,00 (tweehonderd en vijfentwintig euro),

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 695,59,

- veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis aan de zijde van [eiser] ontstane nakosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening,

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.R.J. van Wel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter