Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7787

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
13/056303-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor huiselijk geweld (art. 304 Sr.) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/056303-18 (Promis)

Datum uitspraak: 25 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.T.C. Dölle, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 augustus 2017 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel [naam 1] door die [naam 1] :

  • -

    tegen het gezicht of hoofd te slaan of stompen en/of;

  • -

    door de kamer te slepen en/of;

  • -

    tegen de benen en/of de buik en/of het lichaam te slaan, stompen en/of schoppen en/of;

  • -

    met gebalde vuist tegen de arm te stompen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ⅰ die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij komt hiertoe op grond van de aangifte, de letselverklaring van 7 februari 2018 en de getuigenverklaringen van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] (hierna: respectievelijk [naam 2] , [naam 3] , [naam 5] en [naam 6] ).

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat. Voor de aangifte van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is onvoldoende steunbewijs en verdachte ontkent.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 3.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 2016 tot en met 8 augustus 2017 te Amsterdam, zijn levensgezel, [naam 1] , telkens heeft mishandeld door

- voornoemde [naam 1] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en;

- voornoemde [naam 1] door de kamer te slepen en;

- voornoemde [naam 1] met kracht tegen de benen te schoppen en tegen de buik te slaan en;

- voornoemde [naam 1] meermalen met gebalde vuist tegen de arm te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.4.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verdachte en [naam 1] hebben vanaf medio half maart 2016 tot 8 augustus 2017 een liefdesrelatie gehad. Verdachte en [naam 1] hebben in die periode een kind gekregen. De relatie is beëindigd op 8 augustus 2017, toen verdachte door [naam 1] en haar familie uit huis is gezet.2 [naam 1] heeft verklaard dat verdachte haar tussen 1 juni 2016 en 6 augustus 2017 meermalen heeft mishandeld door haar onder meer in juni 2016 meermalen in haar gezicht en tegen haar hoofd te slaan, haar door de kamer te slepen en daarna tegen haar benen te schoppen3. Ook heeft verdachte haar begin juli 2017 zo hard geslagen en geschopt dat zij bloeduitstortingen kreeg op haar bovenbeen en bijna flauw viel door een klap in haar buik. Op 14 juli 2017 heeft [naam 1] de spoedeisende hulp bezocht met als bezoekreden (onder meer) pijn in de buik.4 Op 6 augustus 2017 heeft verdachte haar een paar klappen met gebalde vuist tegen haar arm gegeven5.

Op 12 oktober 2017 is door de huisarts geconstateerd dat [naam 1] een resthematoom had op haar linker bovenbeen van drie maanden daarvoor. Op 21 november 2017 is geconstateerd dat zij nog klachten had aan haar linker bovenbeen, in de vorm van een resthematoom, welke was ontstaan door een trap tegen haar been.6 Op 7 januari 2018 is geconstateerd dat de klachten aanhielden en zij daardoor mank liep.7

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij merkte dat [naam 1] zichzelf verloor in de relatie met verdachte en dat verdachte alles wilde verifiëren. Op 26 juni 2017 heeft [naam 2] een e-mailbericht gekregen van [naam 1] waarin [naam 1] vroeg of [naam 2] haar een casual app-bericht wilde sturen omdat zij in de gaten werd gehouden.8 [naam 2] heeft [naam 1] een bericht gestuurd en zij en [naam 1] hebben een aantal dagen later afgesproken in het park. [naam 1] heeft [naam 2] toen verteld dat zij werd geslagen door verdachte.9 Op 1 juli 2017 heeft [naam 2] een e-mail gekregen van [naam 1] waaruit volgt dat als hij haar nog met één vinger aan zou raken, zij dat aan [naam 2] zou laten weten en er een plan van start zou gaan.10 Op 3 augustus 2017 is [naam 2] door [naam 1] gebeld dat zij weer geslagen was en dat ze er helemaal doorheen zat. [naam 1] heeft [naam 2] gezegd dat zij haar vader mocht bellen, hetgeen [naam 2] heeft gedaan.11 Op 8 augustus 2017 hebben de vader, de oma, de opa en de moeder van [naam 1] verdachte uit huis gezet.12 Nadat verdachte uit huis was gezet, voelde [naam 1] zich alsnog niet veilig thuis. Zij heeft [naam 2] daarom gevraagd of zij bij haar wilde slapen. Tijdens dit verblijf, van ongeveer drie of vier dagen, heeft [naam 1] het letsel op haar arm laten zien aan [naam 2] en heeft zij verteld dat verdachte haar op haar arm had geslagen. [naam 2] zag twee blauwe plekken op de arm van [naam 1] . [naam 1] vertelde [naam 2] ook dat zij een trap zou hebben gekregen waardoor zij bij sommige bewegingen nog steeds pijn had.13

Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. Hij heeft verklaard dat er niets waar is van de beschuldiging, dat hij haar ook niet in de gaten heeft gehouden en hij er niet voor heeft gezorgd dat [naam 1] in een sociaal isolement raakte. Volgens verdachte was hij juist degene die haar zou hebben gemotiveerd om dingen te doen.14

3.5.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam 1] en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan.

De verklaring van [naam 1] vindt echter steun in de letselverklaring van de huisarts, waaruit volgt dat [naam 1] lange tijd last heeft gehad van een resthematoom. Dit hematoom zou zijn ontstaan door een mishandeling die op 12 oktober 2017 drie maanden daarvóór zou hebben plaatsgevonden. Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat zij begin juli zo hard zou zijn geschopt dat zij bloeduitstortingen kreeg.

De verklaring van [naam 1] wordt ook ondersteund door de getuigenverklaring van [naam 2] . [naam 1] heeft haar verteld dat zij werd mishandeld door verdachte, zo verklaarde zij, en [naam 2] heeft bovendien, kort nadat verdachte op 8 augustus 2017 uit huis was gezet, twee blauwe plekken gezien op de arm van [naam 1] . Dat sluit aan bij de verklaring van [naam 1] dat zij op 6 augustus 2017 een paar klappen met gebalde vuist tegen haar rechterarm had gekregen van verdachte. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook de e-mailberichten van [naam 1] naar [naam 2] de verklaring van [naam 1] ondersteunen. Uit deze berichten volgt dat zij constant in de gaten werd gehouden, wat door verdachte juist stellig wordt ontkend, en dat zij het aan [naam 2] zou laten weten als hij haar nog met één vinger zou aanraken, wat er op wijst dat verdachte dat al eerder had gedaan. Het ligt niet voor de hand dat [naam 1] niet de waarheid sprak in deze berichten. Het lijkt er eerder op dat [naam 1] bang was voor verdachte en de berichten enkel naar [naam 2] stuurde met het doel hulp in te schakelen.

Nu de verklaring van [naam 1] op meerdere punten en door meerdere bronnen wordt ondersteund en de verklaring van verdachte op geen enkel punt wordt ondersteund, acht de rechtbank het ten laste gelegde bewezen.

4 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een Agressie Regulatie Training en een verbod contact op te nemen met [naam 1] , en een taakstraf van 100 uren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw neemt geen standpunt in over de op te leggen straf omdat zij van mening is dat haar cliënt moet worden vrijgesproken.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ongeveer anderhalf jaar een relatie gehad met het slachtoffer. Gedurende deze periode heeft verdachte haar meermalen mishandeld door haar onder andere te slaan, te schoppen en te stompen. De mishandelingen hebben telkens plaatsgevonden in het huis van het slachtoffer, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Daarnaast volgt uit het dossier dat verdachte haar heeft gekleineerd en geïsoleerd van haar familie en vrienden. Het slachtoffer heeft op de zitting een verklaring voorgedragen waaruit blijkt dat zij die periode heeft ervaren als een nachtmerrie en dat zij elke dag in angst leefde. Ook nu de relatie is beëindigd, voelt zij zich nog steeds niet veilig.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel van de justitiële documentatie van 4 juni 2019. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Er is dus geen sprake van strafverzwarende recidive.

Verder houdt de rechtbank rekening met het volgende. Het dossier bevat verklaringen van andere ex-vriendinnen van verdachte die inhouden dat ook zij zouden zijn mishandeld door hem. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen zorgen baren voor de toekomst. Uit de verklaringen komt een beeld naar voren van jaloezie in de relaties van verdachte, die leidt tot achterdocht en controlerend gedrag, en tot agressie. Daarom acht de rechtbank een flinke stok achter de deur van belang, in de vorm van een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie is geëist. Gelet op deze verklaringen, met name de meest recente verklaring van [naam 7] , en de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit is de rechtbank daarnaast van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom verklaart de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.

Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en legt zij op een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod en een Agressie Regulatie Training, en een taakstraf van 100 uren. Uit het dossier blijkt dat verdachte een Wajong-uitkering ontvangt in verband met een verlamde arm, maar de rechtbank gaat er vanuit dat de reclassering een passende taakstraf kan vinden voor verdachte.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 2.800,- (achtentwintighonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft gesteld dat (de hoogte van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Uit de overlegde letselverklaringen en de verklaring van haar psychotherapeut volgt niet dat het fysieke en psychische letsel van de benadeelde partij is toegebracht door verdachte.

De benadeelde partij heeft de volgende omstandigheden naar voren gebracht. Zij heeft nog steeds last van letsel aan haar been, waarvoor zij nog onder behandeling is bij een fysiotherapeut Door de fysiotherapeut is vastgesteld dat er sprake is van spierletsel met verklevingen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij ook last van psychisch letsel. Verdachte heeft de benadeelde partij niet alleen mishandeld maar ook geïsoleerd van vrienden en familie. Hij was erg dwingend en controlerend naar haar. Dat maakte het moeilijk voor de benadeelde partij om iemand in vertrouwen te nemen over wat er thuis gebeurde. Hoewel de benadeelde partij bezig is haar leven weer op te pakken merkt ze dat ze het nog steeds moeilijk vindt om mensen te vertrouwen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met deze door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, die goed passen bij het bewezenverklaarde. Verder heeft de rechtbank gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Zij begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.800,- (achtentwintighonderd euro).

De rechtbank wijst de vordering dus in haar geheel toe en zij zal ook de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.800,- (achtentwintighonderd euro).

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres [adres] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

  • -

    zal meewerken aan een Agressie Regulatie Training indien de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    op geen enkele wijze – direct of indirect - contact opneemt of onderhoudt met [naam 1] , geboren te Amsterdam op [geboortedag 2] , dit zolang als de Reclassering nodig acht. Veroordeelde mag wel het contact met zijn kind onderhouden voor zover hem dit familierechtelijk is toegestaan, doormiddel van een door [naam 1] aan te wijzen tussenpersoon;

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] , geheel toe tot een bedrag van

€ 2.800,- (achtentwintighonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 augustus 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] , te betalen de som van € 2.800,- (achtentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 augustus 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 38 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en J.W.P. van Heusen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Fleskens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2019.

[... 3]

1 [... 2]

2 [... 2]

3 [... 2]

4 [... 2]

5 [... 2]

6 [... 2]

7 [... 2]

8 [... 2]

9 [... 2]

10 [... 2]

11 [... 2]

12 [... 2]

13 [... 2]

14 [... 2]