Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7782

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
7546823 \ CV EXPL 19-4301 TV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderwijsovereenkomst. Examenreglement. Haviltex.Tekortkoming door niet direct geven cijfers en toelaten tot assessment. Schade door studievertraging en extra collegegeld. Akte over inkomen voor en na afstuderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 7546823 \ CV EXPL 19-4301

Uitspraak: 18 oktober 2019

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

nader te noemen [eiser] ,

gemachtigde mr. J.R. van Damme,

t e g e n

STICHTING HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen de HvA,

gemachtigde mr. F. van ’t Hooft.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 februari 2019, met bijlagen (hierna: producties);

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 april 2019, waarin een verschijning van partijen (hierna: comparitie) is bevolen;

  • -

    de akte van 8 augustus 2019 namens [eiser] , met daarin een aanvulling bewijsaanbod;

  • -

    de brief van 19 augustus 2019 namens [eiser] , met producties;

  • -

    de brief van 27 augustus 2019 namens [eiser] , met een productie;

  • -

    de e-mail van 28 augustus 2019 namens de HvA, met een productie;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de comparitie op 29 augustus 2019, waarvan de zittingsaantekeningen en de pleitnota van mr. Van ‘t Hooft zich in het dossier bevinden;

  • -

    de akte van 12 september 2019, waarin de HvA reageert op de producties bij de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft vanaf 2012 Bedrijfseconomie gestudeerd aan de HvA met een jaarlijks collegegeld van € 1.951,00. Een verplicht onderdeel van deze opleiding is een stage. Op deze stage is de Studentenhandleiding Stage BE3 van 25 augustus 2015 (hierna: de Stagehandleiding) van toepassing. De Stagehandleiding luidt, voor zover voor deze zaak van belang, als volgt:

Minimum Het programmaonderdeel is behaald als de normering van alle beroepsproducten gemiddeld minimaal 5.5 is, en niet meer dan één module lager dan een 5.5. maar hoger of gelijk 5.0.

De student heeft onder de volgende voorwaarden toegang tot het assessment:

- Voldoende voor alle beroepsproducten

Toetsvorm Beroepsproduct logboek

Beroepsproduct plan van aanpak

Beroepsproduct deskresearch

Soort Schriftelijk + assessment

Herkansing De toetsing van de onderwijseenheid stage dient uiterlijk 8 weken ná de laatste stagewerkdag van de student plaats te vinden. Indien dit niet geschiedt, dient de onderwijseenheid geheel herkanst worden.

(…)

Weging (cijfer a + cijfer b + 4 x cijfer c) / 6

(…)

De 1e examinator (stagebegeleider):

(…)

  • -

    Toetst of de beroepsproducten plan van aanpak, logboek en deskresearch voldoende zijn om toegelaten te worden tot een assessmentgesprek met de 2e examinator.

  • -

    In geval van een onvoldoende op een of meerdere beroepsproducten, dan geeft de 1e examinator max. 2 keer schriftelijke feedback voor verbetering, buiten de feedbackmomenten op de stageterugkomdagen. Leidt dit nog steeds niet tot het oordeel voldoende, dan moet de stage opnieuw worden gedaan.

2.2.

Van september 2015 tot en met januari 2016 heeft [eiser] stage gelopen bij Zwitserleven. In februari 2016 heeft hij, nadat hij eerder de beroepsproducten logboek en plan van aanpak heeft ingeleverd, zijn beroepsproduct deskresearch ingeleverd. De eerste examinator heeft het beroepsproduct deskresearch als onvoldoende beoordeeld. Ook na drie rondes van feedback en het consulteren van de tweede examinator heeft de eerste examinator dit beroepsproduct op 30 juni 2016 als onvoldoende beoordeeld. De HvA heeft vanwege deze onvoldoende geweigerd een cijfer toe te kennen aan de andere twee beroepsproducten.

2.3.

Op 26 oktober 2016 heeft [eiser] aan de examencommissie verzocht om een herbeoordeling van zijn beroepsproduct deskresearch. In het herbeoordelingsformulier van 22 december 2016 staat als cijfer een 5,0, met daarbij de opmerking dat, als het plan van aanpak wordt meegenomen, het cijfer een 5,4 wordt.

2.4.

Van februari 2017 tot en met juni 2017 heeft [eiser] een tweede stage gelopen bij ONVZ. Deze stage heeft hij op 7 juni 2017 afgerond met een 6,8.

2.5.

Op 11 mei 2017 heeft [eiser] een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van de beoordeling van twee beroepsproducten van zijn eerste stage. Op 20 juli 2017 verklaart het College van Beroep voor de Examens van de HvA (hierna: het CoBEx) het beroep gegrond en overweegt hiertoe, voor zover voor deze zaak van belang, als volgt:

Dit betekent dat het COBEX slechts kan beoordelen of bij de beoordeling aan de formele voorschriften is voldaan en of de beoordeling op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In de studiehandleiding op pagina 3 staat dat het programmaonderdeel is behaald als de normering van alle beroepsproducten gemiddeld minimaal een 5,5 is. Het College is van oordeel dat hier uit de verplichting van verweerster voortvloeit om alle drie de beroepsproducten met een cijfer te beoordelen.

2.6.

Op 28 augustus 2017 heeft de HvA aan de beroepsproducten plan van aanpak en logboek van de eerste stage een 5,5 en 5,9 toegekend, en [eiser] onder de voorwaarde van aanpassing van zijn beroepsproducten toegelaten tot het assessment voor deze stage. [eiser] heeft op 4 oktober 2017 beroep ingesteld bij het CoBEx tegen de weigering van de HvA om hem toe te laten tot het assessment voor zijn eerste stage. Lopende deze beroepsprocedure heeft de HvA in november 2017 aangeboden [eiser] onvoorwaardelijk toe te laten tot het assessment voor zijn eerste stage en heeft [eiser] deze procedure ingetrokken.

2.7.

Op 2 november 2017 is aan [eiser] meegedeeld dat de examencommissie van de HvA heeft besloten om voor de eerste stage aan het beroepsproduct plan van aanpak het cijfer 5,5 en aan het beroepsproduct deskresearch het cijfer 5,4 toe te kennen. Daarnaast is aan [eiser] meegedeeld dat het cijfer voor het beroepsproduct logboek in het assessment wordt beoordeeld.

2.8.

Op 22 december 2017 heeft [eiser] voor alle vereiste onderdelen van zijn opleiding een voldoende behaald.

2.9.

[eiser] heeft op 5 maart 2018 het assessment voor zijn eerste stage met goed gevolg afgerond. Op 11 maart 2018 is namens de examencommissie van de HvA meegedeeld dat het eindcijfer voor de eerste stage volgens de wegingsformule een 5,5 is (plan van aanpak: 5,9; logboek: 5,5; deskresearch: 5,4).

2.10.

[eiser] heeft op 12 april 2018 een verzoek tot uitschrijving per 30 april 2018 ingediend bij de HvA. De HvA heeft dit verzoek ingewilligd met een uitschrijfdatum van 31 december 2017, waarna het door [eiser] betaalde collegegeld over 2018 is gerestitueerd.

3 De vordering en het verweer

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de HvA bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld om aan hem te betalen:

  1. € 22.151,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2018;

  2. de incassokosten van € 996,51;

  3. de eigen bijdrage advocaatkosten van € 196,00;

  4. e proceskosten en de nakosten van € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na dit vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Doordat de HvA ten onrechte niet direct al zijn beroepsproducten van zijn eerste stage heeft beoordeeld en hem heeft toegelaten tot het assessment voor deze stage, heeft hij schade geleden. Hij vordert vergoeding van deze schade, omdat sprake is van een wanprestatie of onrechtmatige daad. De gevorderde hoofdsom bestaat uit de schade in de vorm van studievertraging van één jaar, op basis van de Richtlijn Studievertraging begroot op € 20.200,00, en uit de kosten van één jaar collegegeld van € 1.951,00.

3.3.

De HvA voert als verweer het volgende aan. Zij betwist dat sprake is van een wanprestatie of een onrechtmatige daad, aangezien [eiser] geen voldoende had voor alle beroepsproducten van zijn eerste stage, zodat hij terecht niet is toegelaten tot het assessment voor deze stage. De HvA betwist ook de hoogte van de schade.

in reconventie

3.4.

De HvA vordert dat [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld om aan haar te betalen:

  1. € 7.995,00;

  2. alle proceskosten.

3.5.

De HvA legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft na zijn uitschrijving per 31 december 2017 nog gebruik gemaakt van de faciliteiten van de HvA zonder dat hij collegegeld betaalde. Dit levert een onrechtmatige daad op en op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) is hij dan het instellingscollegegeld van € 7.995,00 verschuldigd.

3.6.

[eiser] voert als verweer het volgende aan. Hij heeft op 12 april 2018 de HvA verzocht om uitgeschreven te worden per 30 april 2018. De HvA heeft dit eenzijdig aangepast naar 31 december 2017. Deze aanpassing is in strijd met de WHW en dus nietig. [eiser] betwist in 2018 gebruik te hebben gemaakt van de faciliteiten van de HvA, anders dan de deelname aan het assessment voor zijn eerste stage.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [eiser] in 2016 terecht de toegang is geweigerd tot het assessment voor zijn eerste stage. Voor de beoordeling van dit geschilpunt moet worden vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen. Dit is een kwestie van uitleg, waarbij de zogeheten Haviltex-maatstaf zal worden gehanteerd. Het komt volgens die maatstaf aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen, en op hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2.

Beide partijen beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op de Stagehandleiding. Over deze handleiding is tussen partijen niet onderhandeld voorafgaand aan het sluiten van de onderwijsovereenkomst. Dit betekent dat de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de Stagehandleiding is gesteld, gelezen in het licht van deze handleiding als geheel en van een daarbij eventueel gegeven toelichting. De bedingen in de Stagehandleiding kunnen gelet op hun aard en strekking worden aangemerkt als algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 6:231 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [eiser] was bij het aangaan van deze voorwaarden bovendien een natuurlijk persoon, die niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit betekent dat op grond van artikel 6:238, tweede lid, BW bij twijfel over de betekenis van een beding in de Stagehandleiding de voor hem gunstige uitleg prevaleert.

4.3.

[eiser] stelt dat de stage is behaald als de cijfers voor de drie beroepsproducten volgens een bepaalde wegingsformule gemiddeld minimaal 5,5 zijn. In dat geval moet de student worden toegelaten tot het assessment. De HvA stelt dat een student niet hoeft te worden toegelaten tot het assessment als hij voor één van de beroepsproducten een onvoldoende haalt.

4.4.

De bewoordingen van de Stagehandleiding bieden steun aan beide standpunten. Enerzijds is immers uitdrukkelijk bepaald dat een student toegang tot het assessment heeft onder de voorwaarde ‘voldoende voor alle beroepsproducten’. Bovendien staat er in de toelichting dat de eerste examinator toetst of de beroepsproducten voldoende zijn om toegelaten te worden tot het assessment en in geval van een onvoldoende voor één of meer van deze producten feedback geeft voor verbetering. Als deze feedback niet leidt tot het oordeel voldoende, dan moet de stage opnieuw worden gedaan, volgens deze toelichting. Anderzijds zou de uitleg van de HvA de passages over het gewogen minimumgemiddelde, dat nodig is om het programmaonderdeel te behalen, en over de wegingsformule betekenisloos maken. Gelet hierop bestaat er twijfel over de betekenis van het toetsingsbeding in de Stagehandleiding. Zoals hiervoor is overwogen, prevaleert in dit geval de voor [eiser] gunstige uitleg. De term ‘voldoende’ in de Stagehandleiding zal dan ook worden uitgelegd als een gemiddeld cijfer van minimaal 5,5 volgens de wegingsformule, waarbij maximaal één van de afzonderlijke cijfers lager mag zijn dan 5,5, maar niet lager dan 5,0. Deze uitleg is overigens in overeenstemming met de uitspraak van het CoBEx, dat oordeelt dat uit de passage over het gewogen minimumgemiddelde de verplichting voor de HvA voortvloeit om alle drie de beroepsproducten met een cijfer te beoordelen, ook als voor één de beroepsproducten al een onvoldoende is gehaald. De HvA heeft bovendien in lijn met deze uitspraak cijfers toegekend aan alle drie de beroepsproducten van de eerste stage en [eiser] uiteindelijk ook onvoorwaardelijk toegelaten tot het assessment voor deze stage, zodat zij kennelijk heeft berust in deze uitleg van de Stagehandleiding.

4.5.

Blijkens de e-mail van 11 maart 2018 van de examencommissie van de HvA is het gewogen gemiddelde eindcijfer voor de eerste stage van [eiser] een 5,5. Dit betekent dat hij de stage heeft behaald. Het ligt vanwege het tijdsverloop in de rede en is ook niet betwist dat [eiser] ten minste eenzelfde resultaat zou hebben behaald als de HvA hem direct cijfers had toegekend voor al zijn beroepsproducten van de eerste stage en had toegelaten tot het assessment voor deze stage. Dat de HvA dit heeft nagelaten levert een toerekenbare tekortkoming op in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de onderwijsovereenkomst tussen partijen. [eiser] heeft hierdoor schade geleden in de vorm van studievertraging en de HvA is verplicht deze schade op grond van artikel 6:74 BW te vergoeden.

4.6.

Voor zover de HvA heeft gesteld dat [eiser] geen belang had bij toekenning van cijfers voor zijn overige beroepsproducten van zijn eerste stage, omdat de in de Stagehandleiding bepaalde afrondingstermijn van acht weken niet was behaald, zodat herkansing van de stage onontkoombaar was, geldt dat de HvA op de zitting heeft toegelicht dat deze termijn zo moet worden uitgelegd dat de eerste toetsing uiterlijk acht weken na de laatste stagewerkdag moet plaatsvinden. Hieraan is voldaan in dit geval, omdat [eiser] zijn laatste beroepsproduct binnen vier weken na zijn laatste stagedag ter toetsing heeft ingeleverd. Dat de HvA [eiser] ná het verstrijken van deze termijn nog meermaals feedback heeft gegeven ter verbetering van zijn beroepsproducten, doet hier gelet op de op de zitting gegeven uitleg niets aan af. Bovendien mocht [eiser] er gelet op deze gang van zaken van uitgaan dat hij zijn eerste stage, na verbetering van zijn beroepsproducten tot ten minste het vereiste minimumniveau, nog zou kunnen behalen.

4.7.

Voor zover de HvA heeft gesteld dat [eiser] geen belang had bij toelating tot het assessment voor zijn eerste stage, omdat hij inmiddels al een tweede stage met assessment had afgerond, geldt dat de HvA hiermee miskent dat deze tweede stage niet nodig zou zijn geweest als zij direct aan al de beroepsproducten van de eerste stage cijfers had toegekend en [eiser] had toegelaten tot het assessment voor deze stage. De tijd die gemoeid is geweest met deze tweede stage (vijf maanden) en met het wachten op het alsnog deelnemen aan het assessment voor zijn eerste stage nadat hij al was afgestudeerd (twee maanden), kan daarom als schade in de vorm van studievertraging worden aangemerkt. Bovendien kan het over die periode betaalde collegegeld als schade worden aangemerkt.

4.8.

De schade moet op grond van artikel 6:97 BW worden begroot op die wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.

4.9.

Voor wat betreft het collegegeld kan de schade nauwkeurig worden vastgesteld op € 812,92 (5/12 x € 1.951,00). Er wordt hier uitgegaan van vijf maanden, omdat het door

[eiser] ná zijn afstuderen over 2018 betaalde collegegeld aan hem is gerestitueerd.

4.10.

Voor wat betreft de gederfde inkomsten ligt de schadevaststelling lastiger. Vergeleken zal immers moeten worden de fictieve situatie dat [eiser] zeven maanden eerder zou zijn afgestudeerd met de huidige situatie. Tussen partijen lijkt niet langer in geschil dat voor deze fictieve situatie uitgegaan kan worden van zeven maanden van het startsalaris dat [eiser] in 2018 heeft verdiend. Dit zal moeten worden vergeleken met zijn verdiensten gedurende de vertraagde zeven maanden tijdens zijn studie. Op dit moment bevat het dossier onvoldoende nauwkeurige gegevens op basis waarvan deze vergelijking kan worden gemaakt. Bovendien kan er gelet op de stellingen van partijen, in het bijzonder de gemotiveerde betwisting van de schade in de laatste akte van de HvA, evenmin een verantwoorde schatting worden gemaakt. [eiser] draagt de bewijslast van de hoogte van de door hem gevorderde schade en zal daarom worden opgedragen om bij akte een nadere onderbouwing te geven van zijn inkomensgegevens over 2017 en 2018, bijvoorbeeld door het overleggen van aanslagen voor de inkomstenbelasting. De HvA zal op deze akte mogen reageren.

4.11.

Als partijen de kosten van een nadere aktewisseling zouden willen voorkomen, dan wordt hen in overweging gegeven om tegen de achtergrond van dit vonnis nader met elkaar in overleg te treden.

4.12.

In dat kader zullen nu ook al de overige (neven)vorderingen worden beoordeeld. Aangezien [eiser] niet heeft toegelicht vanaf welk moment de HvA in verzuim is geraakt en de schadevaststelling pas bij eindvonnis zal kunnen plaatsvinden, zal de wettelijke rente vanaf de datum van dat vonnis worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van incassokosten zal niet worden toegewezen, omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering tot vergoeding van de eigen bijdrage voor een advocaat zal evenmin worden toegewezen, omdat dergelijke kosten geacht worden te zijn meegenomen in de proceskostenveroordeling. De HvA zal immers in de proceskosten in conventie van [eiser] worden veroordeeld. De hoogte van deze veroordeling hangt af van het verdere verloop van deze zaak, zodat het totaalbedrag op dit moment nog niet kan worden berekend. Tot op heden worden de proceskosten onder voormeld voorbehoud begroot op € 81,00 aan griffierecht, € 104,81 aan dagvaardingskosten en € 960,00 (2 punten x tarief € 480) aan salaris gemachtigde. De HvA zal ten slotte ook worden veroordeeld in de nakosten van [eiser] van € 120,00 aan salaris gemachtigde, eventueel te verhogen met € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten als de HvA na betekening van het eindvonnis daaraan niet voldoet.

in reconventie

4.13.

De HvA stelt dat [eiser] in 2018 ná zijn afstuderen nog gebruik heeft gemaakt van haar faciliteiten. [eiser] erkent dat hij in maart 2018 nog heeft deelgenomen aan het assessment voor zijn eerste stage, maar betwist voor het overige gebruik te hebben gemaakt van de faciliteiten van de HvA. De HvA heeft haar stelling in het licht hiervan onvoldoende nader toegelicht of onderbouwd, zodat ervan uit zal worden gegaan dat [eiser] in 2018 alleen nog heeft deelgenomen aan dit assessment. Deze uitgestelde deelname is het gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de HvA om [eiser] niet direct cijfers toe te kennen voor alle beroepsproducten van zijn eerste stage en toe te laten tot het assessment voor deze stage. Gelet hierop is [eiser] voor de deelname aan dit assessment redelijkerwijs geen collegegeld verschuldigd. Daar staat tegenover dat de vordering van [eiser] in conventie tot vergoeding van collegegeld over deze periode niet zal worden toegewezen. Dit betekent dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.14.

De HvA zal als in het ongelijk gestelde partij bij eindvonnis worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie van [eiser] . Deze kosten worden vanwege de samenhang met de vorderingen in conventie begroot op € 300,00 (0,5 x 2 punten x tarief € 300,00) aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 november 2019 voor het nemen van een akte door [eiser] , waarin hij zijn inkomenspositie in de jaren 2017 en 2018 nader moet toelichten en onderbouwen, waarna de HvA op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

5.3.

houdt iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.R.J. van Wel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter