Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7758

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
Parketnummer: 13/752012-15
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overlevering, Hongarije, rechtsstaat (artikel 47 Handvest), detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752012-15

RK nummer: 19/4009

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 oktober 2015 door Debrecen Regional Court, Group for Enforcement of Sentences (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.A.C. van Tuinen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement no. 5.B.150/2013/18 of the District Court of Püspökladány dated 14 April 2014 and becoming final on 26 May 2014, which ordered the execution of imprisonment imposed by the judgement of the District Court of Püspökladány no. 5.B.137/2010/2. dated on 29 June 2010 and becoming final.

Uit de aanvullende informatie 26 september 2019 van de Head of Department van Ministry of Justice, Department of International Criminal Law volgt dat het twee vonnissen betreft. Vonnis 1 is het vonnis van the District Court of Püspökladány (5.B.150/2013/18) en vonnis 2 is van the Town Court of Püspökladány (5.B.137/2010/2).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden (vonnis 1) en elf maanden in een minimaal beveiligde gevangenis (vonnis 2), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Vonnis met nummer 5.B.137/2010/2 (vonnis 2)

In de brief van 23 september 2019 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

Vonnis met nummer 5.B.150/2013/18 (vonnis 1)

De rechtbank stelt vast dat het EAB gedeeltelijk strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

  • -

    i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

  • -

    ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 23 september 2019, in bijlage I, een correctie aangebracht op rubriek D van het eerder uitgevaardigde EAB. Daaruit volgt dat:

“ 3.4 the person was not personally served with the decision, but

- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and

when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined and which may lead to the original decision being reversed; and

the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 (one) month. Judgement 1.”

De raadsman heeft betoogd dat het niet duidelijk is dat de verzetgarantie is afgegeven nu er geen kruisje voor 3.4 is gezet (zoals wel in de rest van het EAB is gedaan), maar de tekst alleen dikgedrukt is. Zodoende is niet onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat de opgeëiste persoon, eenmaal op Hongaarse bodem, de garanties heeft op een verzetprocedure of hoger beroep.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat nu de tekst van 3.4 dikgedrukt is en de overige tekst in de aanvullende informatie niet, het voldoende duidelijk is dat een verzetgarantie voor vonnis 1 (5.B.150/2013/18) is afgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten onder I en II onder het vonnis met nummer 5.B.150/2013/18 niet kunnen worden gekwalificeerd naar Nederlands recht als dwang of belaging, omdat het oogmerk van de beschreven gedragingen niet overeenkomt met het oogmerk van artikel 284 of 285b Wetboek van Strafrecht. De overlevering dient daarom ten aanzien van deze feiten te worden geweigerd.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van feiten onder I en II voldoende blijkt dat deze naar Nederlands recht opleveren:

Belaging, meermalen gepleegd.

5 Artikel 6, vijfde lid, OLW juncto artikel 6, eerste lid, OLW

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon vanaf 7 april 2011 tot heden onafgebroken in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en nu in het bezit van een verblijfsvergunning onder beperking ‘humanitair niet tijdelijk’. De reden voor het verlenen van deze vergunning is gelegen in de gedachte dat de opgeëiste persoon heeft bijgedragen aan het bestrijden van mensenhandel enerzijds en het beschermen tegen de gevaren van het land van herkomst anderzijds. Nu de strafzaak tegen de verdachten nog immer gaande is, is de gedachte dat hij het risico loopt op represailles in Hongarije niet ondenkbeeldig. Wanneer de overlevering zal worden toegestaan, valt de veiligheid van deze vergunningen weg. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een vergunning voor onbepaalde tijd aangevraagd, maar wacht hij nog op de beslissing. Ter zake van het beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank, omdat waarschijnlijk geen sprake is van een onherroepelijk vonnis en het de vraag is of Nederland rechtsmacht heeft.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat met het hebben van vergunningen voor bepaalde tijd, waaronder onder beperking van het toenmalige hoofdstuk B9, niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6, vijfde lid, OLW. Ter onderbouwing van het beroep op gelijkstelling dienen er bovendien stukken te zijn die het onafgebroken van vijf jaar rechtmatig verblijf aan tonen. Deze stukken ontbreken hier.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Ad 1) Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

- met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;

- een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

De rechtbank overweegt dat de vergunningen die de opgeëiste persoon sinds 7 april 2011 heeft gehad alle nationale verblijfsvergunningen van tijdelijke aard zijn. Dergelijke vergunningen kunnen op zichzelf niet leiden tot het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn (richtlijn 2004/38/EG). Daartoe is vijf jaar rechtmatig verblijf op grond van die richtlijn noodzakelijk. Dat hiervan sprake is, is in deze zaak niet gebleken. De opgeëiste persoon kan dan ook niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. De aard van de gegeven vergunningen zou een humanitaire reden kunnen zijn die in het kader van artikel 35 OLW kan worden meegewogen, maar leidt niet tot een geslaagd beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW.

6. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest)

6.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat in Hongarije sprake is van structurele en fundamentele gebreken die een nadelig effect hebben op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. De raadsman verwijst hiertoe naar berichten uit Europa Nu van 18 juli 2019, 16 september 2019 en 23 september 2019; de website van Amnesty International; een bericht in het NJB van 21 mei 2019 en een filmpje op YouTube van 30 januari 2019 waarin een aantal Hongaarse strafadvocaten aan het woord komt. Ook wijst de raadsman op de brief die het Network of Presidents of the Supreme Courts of the EU, de European Association of Judges (EAJ) en het European Network of Councils for the Judiciary aan de toekomstige president van de Europese Commissie heeft gestuurd. De raadsman verzoekt het onderzoek te schorsen om, zoals de rechtbank eerder ook in Poolse overleveringszaken heeft gedaan, een dialoog met de Hongaarse justitiële autoriteit aan te gaan om een concreet en actueel beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van de rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Hongarije die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen, indien hij gebruik maakt van de hiervoor genoemde verzetgarantie.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat er inderdaad zorgen zijn om de Hongaarse rechtsstaat, maar merkt op dat hem geen concrete gevallen bekend zijn waarin bij herhaling verdachten ten onrechte zijn veroordeeld. De door de raadsman aangehaalde stukken zijn volgens de officier van justitie ontoereikend om te stellen dat sprake is van fundamentele en structurele gebreken zoals door de raadsman bedoeld. Het is te vroeg om te concluderen dat de situatie in Hongarije dermate slecht is dat de opgeëiste persoon hiervan iets zal merken tijdens zijn proces. Er is sprake van een politieke strijd als onderdeel van een democratisch proces, waarbij verschillende instanties tegen elkaar schuren. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat in de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon bijzondere omstandigheden zijn waaruit zou blijken dat hij geen eerlijk proces in Hongarije zal krijgen. De stelling van de raadsman ter zitting dat de ex-partner van de opgeëiste persoon familieleden bij de politie heeft die politiek geëngageerd zijn, overtuigt niet.

6.3

Oordeel van de rechtbank

In een tussenuitspraak van 16 augustus 20181 heeft de rechtbank uitleg gegeven aan het arrest van 25 juli 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak C-216/18 PPU.2 Hierbij is een drietal vragen geformuleerd die achtereenvolgens beantwoord moeten worden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.

Ten aanzien van de eerste vraag (stap 1) is overwogen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit allereerst op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat, dient na te gaan of er een ‘algemeen gevaar’ als bedoeld in voornoemde vraag 1 bestaat. Een dergelijke verificatie moet worden verricht naar de maatstaven van het beschermingsniveau van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht. Die maatstaven zien op de onafhankelijkheid van rechters en zijn in het LM-arrest van het Hof nader uitgewerkt in de overwegingen 63 tot en met 67.

De rechtbank heeft in voornoemde uitspraak van 16 augustus 2018 in het kader van de beantwoording van vraag 1 een aantal sub-vragen geformuleerd. Toegespitst op de situatie in Hongarije luiden deze vragen als volgt:

  1. leiden objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Hongarije tot de conclusie dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, en zo ja,

  2. brengen die structurele of fundamentele gebreken de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Hongarije in gevaar, en zo ja,

  3. dreigt er een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast door de door die structurele of fundamentele gebreken in gevaar gebrachte onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Hongarije.

De rechtbank is bekend met de door de raadsman aangehaalde informatie met betrekking tot de Hongaarse rechtsstaat en de ontwikkelingen die daarin tot uiting komen. De rechtbank is (onder andere) ook bekend met de resolutie van 12 september 2018 waarin een twee-derde meerderheid van het Europees Parlement heeft geoordeeld dat de feiten en ontwikkelingen die in de bijlage bij die resolutie worden genoemd, samen een systemische bedreiging vormen voor de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)3 bedoelde waarden en dat er sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van deze waarden. Hierbij is ingestemd met de start van een procedure zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, VEU.4 In een Council Recommendation van 5 juni 2019 van de Europese Commissie wordt onder andere het volgende overwogen (punt 17):

Checks and balances, which are crucial to ensuring judicial independence, have been further weakened within the ordinary courts system. The National Judicial Council faces increasing difficulties in counter-balancing the powers of the President of the National Office for the Judiciary. This gives rise to concerns regarding judicial independence.

Ook de rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zorgelijke situatie in Hongarije. De beschikbare objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Hongarije leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft. Daarmee is de hiervoor genoemde sub-vraag a positief beantwoord.

De rechtbank is echter van oordeel van sub-vragen b en c op dit moment ontkennend moeten worden beantwoord, in die zin dat uit de thans beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat de geconstateerde gebreken de onafhankelijkheid van de rechterlijk instanties in Hongarije dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Hierbij is onder andere van belang dat op dit moment niet blijkt van wetswijzigingen die de wetgevende en/of de uitvoerende macht de bevoegdheid geven om diepgaand en omvattend in te grijpen in de rechtsbedeling en die daardoor een ernstige bedreiging vormen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (noch dat van dergelijke bevoegdheden gebruik wordt gemaakt).

De hiervoor vermelde vraag 1 – dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen? – beantwoordt de rechtbank op dit moment dus ontkennend. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vragen 2 en 3. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om in het kader van de beantwoording van de vragen 2 en 3 nader onderzoek te doen. Het verzoek om aanhouding van de behandeling wordt afgewezen.

7 Detentieomstandigheden

7.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman betoogt dat de detentieomstandigheden in de Hongaarse gevangenissen op een bedenkelijk niveau liggen en verwijst hiertoe naar het rapport van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van 18 september 2018. Daarbij is de opgeëiste persoon ernstig ziek. Zolang niet duidelijk is in welke inrichting de opgeëiste persoon wordt geplaatst, hoe het aldaar met de medische voorziening is gesteld en er geen garanties van de Hongaarse autoriteiten zijn, moet de overlevering worden geweigerd. Er is namelijk sprake van psychische marteling en of foltering wanneer de behandeling van een levensbedreigende ziekte uitblijft of onvoldoende is. Op toezeggingen die in het kader van artikel 35 OLW zijn gemaakt, is geen controle mogelijk zoals de raadsman in een andere overleveringszaak heeft ervaren. De overlevering moet vanwege dit gebrek worden geweigerd, of het onderzoek dient te worden aangehouden om garanties van de Hongaarse Minister van Justitie te vragen dat de opgeëiste persoon niet wordt blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 4 van het Handvest. Dat wil zeggen garanties dat de opgeëiste persoon de medische behandeling krijgt die hij nodig heeft en de kosten hiervan niet zelf hoeft te dragen. Een schorsing van het onderzoek biedt tevens ruimte nu er overleg is met een Hongaarse advocaat over de vraag of deze zaak nog wel doorgang kan hebben gezien de lichamelijke staat van de opgeëiste persoon.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er een garantie is opgevraagd bij de Hongaarse autoriteiten dat de opgeëiste persoon in Szombathely of in Tiszalök wordt geplaatst, maar deze niet is ingebracht nu een dergelijke garantie niet meer nodig is, nu de rechtbank recent heeft geoordeeld dat ten aanzien van Hongaarse detentie-instellingen niet langer kan worden geoordeeld dat deze een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling opleveren. Daarbij komt dat niet vaststaat dat er geen medische voorzieningen in de Hongaarse penitentiaire inrichtingen zijn. In het kader van artikel 35 OLW kunnen de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon worden meegewogen. Om een goede beoordeling van de situatie te maken zullen de meest recente medische gegevens worden overgelegd aan de Hongaarse autoriteiten. Dat de opgeëiste persoon door een arts moet worden bezocht en medicijnen krijgt, is een reëel verzoek en zal om die reden worden voorgelegd. Met betrekking tot het verkrijgen van een vergoeding van de medicijnen van de Hongaarse autoriteiten, merkt de officier op die wens lastig te effectueren zal zijn en er bovendien geen recht bestaat om de medische behandeling vanuit Nederland in Hongarije te monitoren.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij in haar uitspraak van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6354) heeft geoordeeld dat niet langer sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen vanwege de algemene detentieomstandigheden aldaar. Daarnaast zijn er geen objectieve gegevens dat er een algemeen of specifiek reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die medische behandeling behoeven. Het door de raadsman genoemde CPT-rapport van 18 september 2018 doet hieraan niet af, omdat dit rapport ten aanzien van detentieomstandigheden ziet op de zogeheten transit zones en niet op andere detentie-instellingen in Hongarije. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals door de raadsman verzocht, de behandeling van het verzoek aan te houden teneinde garanties van Hongarije te krijgen met betrokken tot een medische behandeling. In dit kader overweegt de rechtbank nog ten overvloede dat de officier van justitie ter zitting heeft verklaard dat bij de beslissing omtrent de datum van feitelijke overlevering ingevolge het bepaalde in artikel 35 OLW rekening kan worden gehouden met de medische situatie van de opgeëiste persoon.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW ten aanzien van vonnis I en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 285b Wetboek van Strafrecht 5, 8, 9, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Debrecen Regional Court, Group of Enforcement of Sentences (Hongarije).

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.J.J.P. Luchtman en R. Godthelp, rechters

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 oktober 2019.

De oudste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2018:5925.

2 Zaak LM, ECLI:EU:C:2018:586.

3 De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, nondiscriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

4 Op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Europese Commissie kan de Raad, na goedkeuring van het Europees Parlement, met een meerderheid van vier vijfden van zijn leden constateren dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de in artikel 2 bedoelde waarden door een lidstaat. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen. De Raad gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn constatering hebben geleid nog bestaan.