Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7747

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
13/665540-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht; deelname criminele organisatie; stelen/helen motoren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/665540-18 (A); 13/035462-19 (B); 13/213399-18 (tul)

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.K. de Blieck-Willemsen, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door mevrouw I.L.C. Stuifbergen, namens de Raad voor de Kinderbescherming, de heer R.H. Swint, namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), de heer K. van Zanden, ambulant hulpverlener, en de moeder, broer en zus van verdachte.

Daarnaast zijn ter terechtzitting verschenen de benadeelde partijen de heer [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 3] , namens New York Pizza.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is -na ter terechtzitting toegestane wijziging- ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.

Zaakdossier 10

hij op of omstreeks 13 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk

Aprilia en/of gekentekend [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die

weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

Zaakdossier 10A

hij op of omstreeks 13 december 2018 te Badhoevedorp, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand

(gelegen aan de [adres 1] ) heeft weggenomen een kluis

(inhoudende 400,- Euro, althans enig geldbedrag), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan New York Pizza, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/verbreking van dat

(bedrijfs)pand;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

Zaakdossier 13

Primair:

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 12

december 2018 tot en met 13 december 2018 te Amstelveen, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor

(merk BMW R1200 GS, en/of gekentekend [kenteken 2] ), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die

motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Stafrecht)

Subsidiair:

[medeverdachte] op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

12 december 2018 tot en met 13 december 2018 te Amstelveen, in elk geval in

Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een motor (merk BMW R1200 GS, en/of gekentekend [kenteken 2] ), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of hem, verdachte, waarbij die [medeverdachte]

die weg te nemen motor onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

op en/of verbreking van die motor,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in of omstreeks de

periode van 12 december 2018 tot en met 13 december 2018 te Amstelveen, in elk

geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

- door voornoemde [medeverdachte] een slijptol te brengen en/of te leveren en/of

- door (een sleutel van) een opslagplaats/box voor die (gestolen) motor te

regelen en/of (vervolgens) naar voornoemde [medeverdachte] te brengen;

(Artikel 311 jo 48 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

Zaakdossier 21

Primair:

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 26

december 2018 tot en met 2 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor

(merk Kawasaki en/of gekentekend [kenteken 3] ), geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn

mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 26

december 2018 tot en met 2 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een goed, een motor (merk Kawasaki en/of gekentekend [kenteken 3] ) heeft

verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van

dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het

een door misdrijf verkregen goed betrof;

(Artikel 416/417 bis van het Wetboek van Strafrecht)

5.

Zaakdossier 23

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22

februari 2019 tot en met 23 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor

(merk Ducati, type Multistrada 1200s en/of voorzien van kenteken [kenteken 4] ),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die

motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

6.

Zaakdossier 24

Primair:

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk

BMW, type F800 GS en/of voorzien van het kenteken [kenteken 5] ), geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of

zijn mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 14

maart 2019 tot en met 15 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed te

weten een motor (merk BMW, type F800 GS en/of voorzien het kenteken [kenteken 5] )

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte

en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(Artikel 416/417 bis van het Wetboek van Strafrecht)

7.

Zaakdossier 26

hij op of omstreeks 15 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk

Yamaha Mt-07 en/of gekentekend [kenteken 6] ), geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die

weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

8.

Zaakdossier 28

hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk

BMW, type F800 en/of voorzien van kenteken [kenteken 7] ), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn

mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

9.

Zaakdossier 34

Primair:

hij op of omstreeks 17 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk

Aprillia VB en/of voorzien van kenteken 95 [kenteken 8] ), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn

mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak op en/of verbreking van die motor;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 17 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, een motor (merk Aprillia VB en/of voorzien van kenteken [kenteken 8] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(Artikel 416/417 bis van het Wetboek van Strafrecht)

10.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november

2018 tot en met 20 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meer uit [medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte] en/of [medeverdachte 3] welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht

en/of

- gewoonteheling en/of opzetheling zoals bedoeld in (de) artikel(en) 417 en/of

416 Wetboek van Strafrecht en/of

- gewoontewitwassen en/of witwassen zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420ter

en/of 420bis Wetboek van Strafrecht;

(Artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak B

hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer kentekenpla(a)t(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 10] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(Art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

2 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

De raadsvrouw heeft -kort en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er in zaak A bewijsuitsluiting dient plaats te vinden in verband met onvoldoende verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering voor de start van het onderzoek. Er zit bijna een half jaar tussen het begin van de onderzoeksperiode en het eerste tenlastegelegde feit. Nu uit het onderzoek niet is gebleken waarop de verdenkingen gestoeld zijn, is de inzet van opsporingsmiddelen niet te rechtvaardigen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat er in Amsterdam sprake was van een aanzienlijke stijging van het aantal motordiefstallen. Naar aanleiding hiervan heeft de politie een onderzoek ingesteld en zijn de diefstallen gemonitord. Er zijn camerabeelden bekeken en technische acties gestart op telefoonnummers. Het onderzoek tegen verdachte is pas begonnen in december 2018, toen op 7 december 2018 een technisch onderzoek is gestart op een telefoonnummer ten aanzien waarvan er aanwijzingen waren dat dit nummer bij verdachte in gebruik was. Op dat moment waren er uit het onderzoek dat reeds had gelopen tegen de twee medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] voldoende aanwijzingen die het inzetten van dwangmiddelen rechtvaardigden. Er is in de zaak van verdachte naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting.

3.2

De rechtbank is ten aanzien van de bewezen geachte feiten op grond van het dossier, met name de telefoongesprekken, camerabeelden en doorzoeking, uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

- Verdachte maakt gebruik van het telefoonnummer [nummer 1] ;

- Verdachte woont op de [BRP-adres] ;

- Verdachte heeft een grijze jas met een scheur links op de rugzijde en een groene jas van het merk Canada Goose met bontkraag;

- Verdachte had in zijn woning slijptollen aanwezig;

- Verdachte is van Turkse afkomst.

3.3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Zaak A

1.

op 13 december 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motor, merk Aprilia, gekentekend [kenteken 1] , toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

op 13 december 2018 te Badhoevedorp tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 1] , heeft weggenomen een kluis inhoudende 400,-- euro, toebehorende aan New York Pizza, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak op dat bedrijfspand;

3.

Primair:

in de periode van 12 december 2018 tot en met 13 december 2018 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motor, merk BMW R1200 GS, gekentekend [kenteken 2] , toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op die motor;

4.

Primair:

op tijdstippen gelegen in de periode van 26 december 2018 tot en met 2 januari 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk Kawasaki en gekentekend [kenteken 3] , toebehorende aan [slachtoffer 6] , waarbij hij, verdachte en zijn mededaders die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op die motor;

5.

op tijdstippen gelegen in de periode van 22 februari 2019 tot en met 23 februari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk Ducati, type Multistrada 1200s en voorzien van kenteken [kenteken 4] , toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij hij,

verdachte en zijn mededader(s) die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op die motor;

6.

Subsidiair:

op tijdstippen gelegen in de periode van 14 maart 2019 tot en met 15 maart 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen een goed, te weten een motor, merk BMW, type F800 GS en voorzien het kenteken [kenteken 5] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.

op 15 maart 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk Yamaha Mt-07 en gekentekend [kenteken 6] , toebehorende aan [slachtoffer 8] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen motor hun bereik hebben gebracht door middel van braak op die motor;

8.

op 7 februari 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk BMW, type F800 en voorzien van het kenteken [kenteken 7] , toebehorende aan [slachtoffer 9] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op die motor;

9.

Subsidiair:

op 17 december 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een goed, een motor, merk Aprillia VB en voorzien van kenteken [kenteken 8] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

10.

op tijdstippen in de periode van 25 november 2018 tot en met 20 maart 2019 te Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meer uit [medeverdachte 2] en [medeverdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- gekwalificeerde diefstal zoals bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht

en/of

- gewoonteheling en opzetheling zoals bedoeld in de artikelen 417 en 416 Wetboek van Strafrecht;

Zaak B

op 13 augustus 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen kentekenplaten, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [slachtoffer 10] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Overweging ten aanzien van zaak A feit 1 en 2:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 10 en 10A). Uit de aangifte komt naar voren dat de motor die op 13 december 2018 is weggenomen uit de stalling bij het World Fashion Centre (WFC), is gekentekend [kenteken 1] . Er zijn bewakingsbeelden van de stalling van het WFC bekeken en in een proces-verbaal van bevindingen wordt een beschrijving gegeven van hetgeen daarop is te zien. Een selectie van screenshots van deze beelden is in het dossier gevoegd. Daarbij is opgemerkt dat de kwaliteit van de bewegende beelden beter is dan de kwaliteit van de screenshots en dat de beschrijving van de screenshots is gebaseerd op de bewegende beelden. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in dit proces-verbaal staat beschreven en bezigt dit derhalve voor het bewijs. Beschreven wordt dat een motor met kenteken [kenteken 1] om 3:16 uur naar de uitgang wordt gereden. Er wordt een signalement van de daders beschreven alsmede de kleding van de daders. Opvallend detail daarbij is een beschadiging op de achterzijde van de jas aan de linkerzijde van een van de daders.

Rond 4:00 uur diezelfde nacht wordt ingebroken bij de New York Pizza in Badhoevedorp, waarbij een kluis wordt weggenomen. Ook van deze inbraak zijn camerabeelden bekeken en is een beschrijving van hetgeen is waargenomen opgenomen in het dossier. De rechtbank heeft ook ten aanzien van deze beelden geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen daarover in verschillende processen-verbaal staat beschreven en acht deze processen-verbaal derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Te zien is dat twee personen komen aanrijden op een motor met het kenteken [kenteken 1] , derhalve het kenteken van de uit de stalling van het WFC gestolen motor. Verder komen de signalementen van de daders van de inbraak bij de New York Pizza volledig overeen met de signalementen van de daders van de diefstal van de motor uit het WFC. De rechtbank leidt hieruit af dat de feiten in zaak A onder 1 en 2 door dezelfde twee personen zijn gepleegd.

Uit een tapgesprek blijkt dat [medeverdachte] op 12 december 2018 om 21.54 uur telefonisch contact heeft met verdachte. [medeverdachte] zegt "dat hij een motro (motor) heeft, een GS". Hij vraagt "of [verdachte] mee wil gaan en of hij 'slijpen' (slijptol) kan lenen". [verdachte] komt naar [medeverdachte] toe. Op 12 december 2018 om 23.53 uur heeft [medeverdachte] wederom telefonisch contact met verdachte. Tijdens een later gesprek zegt [medeverdachte] dat hij met Turk bij [BRP-adres] voor z’n osso is. Kennelijk bedoelt [medeverdachte] met Turk verdachte, die van Turkse afkomst is en bij [BRP-adres] voor z’n osso, [BRP-adres] waar verdachte woonachtig is. In een telefoongesprek dat [medeverdachte] om 1:30 uur met zijn broer [medeverdachte 2] voert zegt hij onder meer: “maar ey man, wollah, ey, volgens mij ga ik wat geks doen, wollah, volgens mij ga ik wat geks doen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] . (..) Ik ga naar Badhoevedorp! (..) Ik ga denk ik die kanker New York Pizza nakken!”.

Tot slot zijn de camerabeelden van de flat aan de [BRP-adres] waar verdachte woont bekeken. Op 13 december 2018 tussen 3.13 uur en 4.16 uur zijn twee jongens te zien die worden herkend als [medeverdachte] en verdachte. [medeverdachte] is te zien met een kluis in zijn handen. Verdachte draagt een jas met een scheurtje links achter. Ook overigens komt de kleding van beide verdachten overeen met de kleding van de daders van de diefstal van de motor bij het WFC en de inbraak bij de New York Pizza.

Ten aanzien van de tijdslijn kan uit het dossier worden opgemaakt dat de diefstal bij de New York Pizza op 13 december 2018 omstreeks 4.00 uur heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van uitkijken beelden van de flat op de [BRP-adres] is beschreven dat de beelden 11 minuten achter lopen op de werkelijke tijd. Dit houdt in dat verdachte en de mededader zich om 4.06 uur in de [BRP-adres] bevinden. De tijd om (midden in de nacht) van de locatie van de diefstal ( [adres 1] te Badhoevedorp) per auto/motor naar de woning aan de [BRP-adres] te komen, bestrijkt omstreeks 5 minuten. Dit sluit derhalve exact aan op het tijdstip van de inbraak aan de New York Pizza.

Overweging ten aanzien van zaak A feit 3:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 13). De aangever verklaart dat op 13 december 2018 zijn GS motor met kenteken [kenteken 2] is weggenomen uit Amstelveen. Deze motor wordt op 19 december 2018 door de politie -afgedekt met een dekzeil- aangetroffen. Op 13 december 2018 krijgt [medeverdachte] een sms bericht van verdachte inhoudende “ [kenteken 9] ”. Dit wijkt één letter af van het kenteken van de gestolen motor. Daarnaast zijn er tapgesprekken van 12 december 2018 in het dossier waarbij [medeverdachte] met verdachte spreekt over een “motro (motor) GS”, “kan ik slijpen, lenen?”, “serienummer wegslijpen” en dat verdachte naar [medeverdachte] toekomt. Uit het dossier blijkt dat de telefoons van verdachte en [medeverdachte] in de nacht van 13 december 2018 uitpeilen in Amstelveen.

Overweging ten aanzien van zaak A feit 4:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 21). Er is een aangifte van [slachtoffer 6] van diefstal van zijn motor met kenteken [kenteken 3] tussen 26 december 2018 en 15 januari 2019 uit een parkeergarage aan de [adres 2] . Op camerabeelden van de flat van verdachte op de [BRP-adres] ziet de politie dat op 2 januari 2019 een motor voorzien van kenteken [kenteken 3] door drie mannen uit een bestelbus wordt geladen en daarna naar de box gangen wordt gebracht. NN1 droeg een donkergroene Canada Goose jas met capuchon en een bontkraag. Deze persoon wordt door de politie herkend als zijnde verdachte. Op camerabeelden van de parkeergarage aan de [adres 2] ziet de politie dat op 31 december 2018 om 3.24 uur twee personen naar binnen gaan. NN1 droeg een groene Canada Goose jas met capuchon en een bontkraag. De verdachten gebruiken een slijptol. Volgens de politie is de kleding van NN1 op de beide camerabeelden identiek. Uit historische gegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat deze op 31 december 2018 om 3.25 uur uitpeilt op de Staalmeesterslaan, hetgeen op ongeveer 450 meter afstand van de [adres 2] is.

Overweging ten aanzien van zaak A feit 5:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 23). Er is een aangifte van [slachtoffer 2] van diefstal van zijn motor met kenteken [kenteken 4] in de nacht van 22 op 23 februari 2019. Bij een doorzoeking is in de slaapkamer van verdachte een telefoon aangetroffen gelinkt aan een emailadres met de naam van verdachte en een whatsapp gesprek waarin verdachte op de vraag "wie si dit p" heeft gereageerd met "ikke [verdachte] ". Op de telefoon staan foto's van het kenteken [kenteken 4] en de motor en deze foto's zijn genomen op 22 februari 2019 om 4.06 uur. Uit een whatsapp gesprek op 14 maart 2019 wordt door een persoon aan verdachte gevraagd "wat de prica is van die". Verdachte antwoordt "1500" en stuurt hierop de foto van de motor door met de opmerking "had deze van hem gepakt".

Overweging ten aanzien van zaak A feit 6:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde medeplegen van heling (zaakdossier 24). Er is een aangifte van [slachtoffer 7] van diefstal van zijn motor, merk BMW, type F800 GS, met kenteken [kenteken 5] op 14 maart 2019. De motor wordt op 15 maart 2019 aangetroffen op de Dwarswatering. Op de telefoon van verdachte staat een foto van de motor en deze foto is genomen op 14 maart 2019 op de Dwarswatering. Uit een telefoongesprek op 15 maart 2019 blijkt dat een persoon tegen verdachte zegt "die GS is weg". Verdachte vraagt "die GS van ons?". De persoon vraagt aan verdachte om "die kenni" te sturen. Vervolgens zegt verdachte " [kenteken 5] ".

Overweging ten aanzien van zaak A feit 7:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 26). Er is een aangifte van [slachtoffer 8] van diefstal van zijn motor, merk Yamaha MT07, met kenteken [kenteken 6] , uit de parkeergarage onder zijn woning tussen 9 maart 2019 en 16 maart 2019. De politie ziet op camerabeelden dat twee personen in de nacht van 15 maart 2019 om 5.01 uur de parkeergarage verlaten met een motor, vermoedelijk die van de aangever. Een van de personen draagt een groene jas met bontkraag en hij heeft een voorwerp in zijn hand, vermoedelijk een slijptol. De gestolen motor wordt vervolgens op 20 maart 2019 aangetroffen in een container die gelinkt is aan een persoon die uit het onderzoek naar voren is gekomen als een contact van [medeverdachte 2] en heler van gestolen motoren. Er zijn diverse tapgesprekken tussen [medeverdachte 2] en verdachte in de nacht van 15 maart 2019. Om 4.00 uur vraagt [medeverdachte 2] aan verdachte "of hij naar binnen kan rijden als altijd" en "of verdachte een slijptol heeft", waarop verdachte "ja" antwoordt. Om 5.49 uur zegt [medeverdachte 2] tegen een persoon "dat hij die MT07 al heeft gepakt met Turkoes".

Overweging ten aanzien van zaak A feit 8:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 28). Er is een aangifte van [slachtoffer 9] van diefstal van zijn motor, merk BMW F800 GS, met kenteken [kenteken 7] in de nacht van 6 op 7 februari 2019. Op camerabeelden ziet de politie dat op 7 februari 2019 om 3.57 uur twee personen op een scooter de motor aan de voorkant "slijpen" en de motor wegduwen. Een van de personen heeft een scheur aan de linker achterkant van zijn jas. Op camerabeelden van de flat van verdachte op de [BRP-adres] op 7 februari 2019 wordt om 1.58 uur gezien dat [medeverdachte 2] en verdachte op een scooter binnen komen rijden en om 2.27 uur weer naar buiten rijden. Volgens de politie komen de scooter en de kleding op de beide camerabeelden overeen. Er zijn diverse tapgesprekken tussen [medeverdachte 2] en verdachte op 6 en 7 februari 2019. Op 6 februari 2019 om 1.45 uur zegt verdachte dat "de slijp in de box ligt". Op 7 februari 2019 om 17.26 uur zegt [medeverdachte 2] tegen verdachte "dat hij die GS net heeft ingeladen".

Overweging ten aanzien van zaak A feit 9:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde medeplegen van heling (zaakdossier 34). Er is een aangifte van [slachtoffer 1] van diefstal van zijn motor, met kenteken [kenteken 8] , op 17 december 2018 tussen 16.15 en 17.30 uur. Op camerabeelden ziet de politie dat op 17 december 2018 om 17.16 uur een busje aan komt rijden. NN1 en NN2 lopen naar een motor en laden deze in het busje. Op camerabeelden van de flat van verdachte op de [BRP-adres] ziet de politie dat op 17 december 2018 om 16.58 uur verdachte met NN1 en NN2 de fietsenstalling in gaat. Hij gaat vervolgens met NN1 de boxgang in en daar komen zij weer uit om 17.01 uur. NN1 rijdt op de gestolen motor. Uit een telefoongesprek op 17 december 2018 om 17.51 uur zegt [medeverdachte] tegen een persoon "dat hij iets heeft genakt van iemand" en deze persoon zegt "dat die ding terug moet". [medeverdachte] belt hierop naar verdachte en spreekt met hem over het voorgaande gesprek en wie ervan af weten.

Overweging ten aanzien van zaak A feit 10:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat er sprake was van samenwerking tussen verdachte en onder meer de medeverdachten [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Hierbij vervulde iedere verdachte zijn eigen rol, waarbij de volgende (globaal weergegeven) modus operandi werd gehanteerd. Een specifieke motor met de locatie waar deze geparkeerd stond werd telefonisch doorgegeven aan [medeverdachte 4] door de medeverdachten. Hierop vond de diefstal van de motor plaats door een van de medeverdachten en de gestolen motor werd in de omgeving neergezet. In de dagen erna werd de gestolen motor door [medeverdachte 4] met een gehuurd busje opgehaald en naar een container gebracht.

Volgens vaste jurisprudentie kan een groep van twee of meer personen die het oogmerk heeft om misdrijven te plegen als criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als er sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Uit het dossier, met name de tapgesprekken, blijkt dat er sprake was van een vaste werkwijze door de verdachten. In het proces-verbaal criminele organisatie zijn deze werkzaamheden als volgt weergegeven:

- er werd op zoek gegaan naar motoren die gestolen konden worden en er werden foto’s van gemaakt die met anderen uit de organisatie gedeeld werden;

- er werd onderzoek gedaan naar de beveiliging van de motor;

- er konden bestellingen voor een bepaald merk en type motoren gedaan worden;

- er waren hulpmiddelen die onderling beschikbaar waren en die nodig waren om de diefstallen mogelijk te maken, zoals slijpmachines, handschoenen en helmen;

- er werden busjes geregeld om de gestolen motoren uiteindelijk op te halen en af te voeren;

- er waren boxen beschikbaar om gestolen motoren (tijdelijk) te stallen;

- de gestolen motoren werden vooral verkocht, het merendeel voor de handel, maar ook aan anderen die de gestolen motoren weer gebruikten om andere criminele activiteiten mogelijk te maken;

- het verkregen geld werd verdeeld.

Hieruit blijkt dat de verdachten een netwerk hebben opgezet en onderhouden waarin anderen hen ondersteunden bij hun criminele activiteiten. Er konden op bestelling gestolen motoren geleverd worden. Er was aansturing. Er was sprake van gedegen voorbereiding. Het juiste gereedschap was roulerend voorhanden, er waren handschoenen en helmen op afroep beschikbaar. Gestolen motoren konden in verschillende boxen worden ondergebracht. Er waren intensieve onderlinge contacten tussen de kernleden, zowel per telefoon als in persoon. Zij spraken vaak af bij bepaalde horecagelegenheden die dienst deden als ontmoetingsplaats en uitvalsbasis.

Uit de tapgesprekken is gebleken dat verdachte anderen benaderde om motordiefstallen te plegen, maar ook benaderd werd of een motor gestolen mocht worden. Hij gaf ook zelf aan motoren te gaan stelen. Verdachte had contact met afnemers en hij onderhandelde over geld. Hij bewaarde in zijn woning slijptollen waarmee motordiefstallen konden worden gepleegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen de verdachten van structurele en duurzame aard was en dat de professionele werkwijze verder reikte dan medeplegen, zodat sprake is van deelneming aan een organisatie die tot doel had het plegen van diefstallen en/of het helen van gestolen goederen.

Overweging ten aanzien van zaak B:

De rechtbank is -met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw- van oordeel dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal. De politie krijgt de melding dat twee personen kentekenplaten van een auto af aan het halen zijn en dat zij in een andere auto zijn weggereden. Deze auto wordt vervolgens aangehouden door de politie en achterin blijken de ontvreemde kentekenplaten te liggen. In de auto worden drie personen aangetroffen en de bestuurder blijkt verdachte te zijn. Door de eigenaresse van de kentekenplaten wordt aangifte gedaan van diefstal.

4 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7, 8, 9 subsidiair en 10 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 207 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, alsmede een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een veroordeling van verdachte aan hem alleen een voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting jeugd, welke dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en regelmatig worden geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door een first offender. Bij de eerste keer recidive kan een verhoging worden toegepast van maximaal 50% of een andere strafmodaliteit. Bij verdere recidive kan een verhoging worden toegepast van meer dan 50% of een andere strafmodaliteit.

In de onderhavige zaak geldt als uitgangspunt voor strafoplegging dat ten aanzien van motordiefstal (tussen bromfiets en auto) met braak een werkstraf vanaf 60 uur kan worden opgelegd, ten aanzien van bedrijfsinbraak een werkstraf van 80 uur en ten aanzien van opzetheling een werkstraf vanaf 30 uur, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Voor het deelnemen aan een criminele organisatie zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld, maar de rechtbank acht het redelijk om hiervoor een verdubbeling van de strafmaat toe te passen. Ten aanzien van diefstal van kentekenplaten kan een werkstraf van 20 uur worden opgelegd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich binnen een paar maanden schuldig gemaakt aan een serie strafbare feiten. Hij heeft samen met anderen zeven motoren gestolen, twee motoren geheeld, een kluis gestolen uit een bedrijf (zaak A) en kentekenplaten gestolen (zaak B). Hierdoor heeft hij de slachtoffers, naast financiële schade, veel overlast bezorgd. Voorts wordt door dergelijke feiten het veiligheidsgevoel in het algemeen aangetast. Bovendien zijn de feiten in zaak A op professionele wijze gepleegd waarbij verdachte deel uit maakte van een organisatie die tot doel had het plegen van diefstallen en/of het helen van gestolen goederen. Verdachte had hierbij een belangrijke rol. Hij stuurde andere personen aan, hij onderhandelde over geld en hij zorgde voor het inbrekersmateriaal in de vorm van slijptollen. Verdachte en de mededaders zijn alleen gericht geweest op financieel gewin en hebben geen oog gehad voor de gevolgen die hun daden op de slachtoffers hadden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van

25 juni 2019 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens een vermogensdelict.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad en de evaluatie van JBRA van 1 oktober 2019.

De Raad heeft ter zitting het advies uit het rapport bevestigd, inhoudende dat aan verdachte een werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, met als bijzondere voorwaarden het meewerken aan de coach van IFA en het volgen van onderwijs en/of een dagbesteding volgens het aangegeven rooster, met toezicht en begeleiding door JBRA. Volgens de Raad roept de ontkennende houding van verdachte zorgen op en is het daarom moeilijk om de kans op recidive te bepalen. Sinds hij uit detentie is werkt verdachte goed mee met alles. Hij is heel autonoom en meer een leider dan een volger. Hij zoekt geen problemen op en hij heeft ook geen agressieproblemen.

JBRA heeft ter zitting verklaard zich aan te sluiten bij het advies van de Raad. Volgens JBRA is er sprake van een kentering in het gedrag van verdachte. Hij is bezig met een opleiding zorg en welzijn en hij heeft een bijbaan bij zijn vader. Verdachte is niet gewend om veel van zichzelf te laten zien en er zijn altijd veel zorgen van hem weggenomen. Er bestaat vertrouwen in zijn toekomst.

Gelet op al het voorgaande, ziet de rechtbank aanleiding om de eis van de officier van justitie te volgen. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en het advies van de Raad en JBRA.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

I.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 4.592,-- aan materiële schadevergoeding en

€ 250,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en

€ 100,-- aan proceskosten (reiskosten om aanwezig te zijn bij de zaak).

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk tot een bedrag van in totaal € 227,-- voor twee kettingen en het slot voor de tweede motor zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van alle kosten die zien op de eerste motor, nu verdachte de diefstal hiervan niet wordt verweten, de schade van de helm -tweede motor-, nu de helm niet wordt genoemd in de aangifte en het meer gevorderde bedrag voor de tweede motor, nu de benadeelde partij opgeeft € 1.650,-- van de verzekering te hebben ontvangen en niet blijkt dat de motor meer waard zou zijn, mede gelet op door aangever in de aangifte genoemde waarde van de motor, te weten € 1.500,-- á

€ 1.600,--. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De kosten die zien op de verkeersboetes komen niet voor vergoeding in aanmerking en voor dat gedeelte wordt de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaard. Er bestaat geen rechtstreeks verband met het tenlastegelegde, omdat de boetes voor de diefstal respectievelijk ten aanzien van de eerste motor zijn opgelegd. De proceskosten/reiskosten worden afgewezen, nu de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen en derhalve geen reiskosten voor de terechtzitting heeft gemaakt.

Niet is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 227,--.

II.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert -namens New York Pizza- € 2.237,18 aan schadevergoeding, waarvan € 700,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk tot een bedrag van in totaal € 1.537,18 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor de startkassa redelijk, dit bedrag is conform de aangifte en komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Als immateriële schade heeft de benadeelde partij € 700,-- aan loonkosten gevorderd. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit geen rechtstreekse schade is.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 3] -namens New York Pizza- naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 1.537,18.

III.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 1.311,50 aan nog niet vergoede materiële schade en € 3.517,50 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

De rechtbank concludeert dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering wordt verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de post “niet productieve uren” een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten aanzien van de opgevoerde immateriële schade in verband met verminderd gebruik van de motor is de rechtbank van oordeel dat dit geen rechtstreekse schade betreft.

IV.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.565,37 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk tot een bedrag van in totaal € 2.052,30 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor de accessoires van de motor redelijk. Nu de motor en de accessoires in 2017 zijn aangeschaft, zal er een afschrijving worden toegepast van 20% (uitgaande van tien jaar, waarvan twee jaar zijn verstreken). De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 5 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 2.052,30.

V.

De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert € 1.234,04 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 8 bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 1.234,04 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade houdt naar het oordeel van de rechtbank gezien de aangifte rechtstreeks verband met het feit.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 9] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 8 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.234,04.

VI.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 3.095,--, waarvan € 200,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 9 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist. De raadsvrouw verzoekt afwijzing van de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak en omdat de vordering niet met stukken is onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 270,-- aan materiële schade (slot, helm en schoolboeken), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank concludeert dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in het overige deel van zijn vordering, nu de overige schadeposten, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende zijn onderbouwd en het in de gelegenheid stellen tot nadere onderbouwing een onevenredige belasting voor het strafproces zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 9 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 270,--.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat zich bij de stukken een oproep aan verdachte/veroordeelde bevindt die ziet op een tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte/veroordeelde voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 13/213399-18, doch dat zij deze vordering niet handhaaft, nu deze voorwaardelijke straf al eerder is tenuitvoergelegd.

De rechtbank zal, gelet hierop, de stukken die hierop zien buiten beschouwing laten in dit vonnis.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 140, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 6 primair en 9 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7, 8, 9 subsidiair, 10 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 7 en 8 bewezen geachte:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het in zaak A onder 6 subsidiair en 9 subsidiair bewezen geachte:

Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het in zaak A onder 10 bewezen geachte:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Ten aanzien van het in zaak B bewezen geachte:

Diefstal door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 300 (driehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 207 (tweehonderd zeven) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit,

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan de coach van IFA;

- meewerkt aan het volgen van onderwijs en/of een dagbesteding volgens het aangegeven rooster.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering ITB Harde Kern te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 227,-- (tweehonderd zevenentwintig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af de schade die ziet op de proceskosten/reiskosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk in de vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , te betalen de som van € 227,-- (tweehonderd zevenentwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] -namens New York Pizza- toe tot een bedrag van € 1.537,18 (duizend vijfhonderd zevenendertig euro en achttien cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk in de vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] -namens New York Pizza-, te betalen de som van € 1.537,18 (duizend vijfhonderd zevenendertig euro en achttien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 2.052,30 (tweeduizend tweeënvijftig euro en dertig eurocent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk in de vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen de som van € 2.052,30 (tweeduizend tweeënvijftig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot een bedrag van € 1.234,04

(duizend tweehonderd vierendertig euro en vier eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] , te betalen de som van € 1.234,04 (duizend tweehonderd vierendertig euro en vier eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 270,--

(tweehonderd zeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 270,-- (tweehonderd zeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het in zaak A -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M. Patijn, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. A.S. Dogan en M.R. Bruning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Wilbers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.