Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7745

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
13/654165-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek 13Zomergem - Vrijspraak voor medeplichtigheid aan in- en uitvoer van verdovende middelen. Verdachte werd als snorder in verband verbracht met medeverdachten. Geen dubbele opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654165-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1956,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 10 september 2019 (inhoudelijke behandeling) en gesloten op 17 oktober 2019.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) (13/650355-18 en 13/654056-19), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) (13/654163-18) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) (13/650458-18),

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. S.M. Hoogerheide en mr. G. Dankers, en van wat door de raadsman van verdachte, mr. P. Jeeninga en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

de medeplichtigheid aan de handel in verdovende middelen in de periode van 2 juli 2018 tot en met 8 november 2018 te Amsterdam, door als snorder op te treden voor verschillende personen, een woning te regelen voor één van deze personen en zijn naam te laten gebruiken voor het afsluiten van telecomabonnementen en/of de medeplichtigheid aan de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten aanzien van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, in voornoemde periode.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde medeplichtigheid aan de voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen en tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Uit de feiten en omstandigheden die volgen uit het dossier en de verklaring van [verdachte] ter zitting volgt dat hij wist waar hij mee bezig was. Daarmee is [verdachte] medeplichtig aan de (verlengde) in- en/of uitvoer van verdovende middelen, waaronder de onder [medeverdachte 1] aangetroffen cocaïne. [verdachte] is als snorder de verbindende schakel tussen medeverdachten uit het onderzoek 13Zomergem en diverse verdachten in de onderzoeken 13Fraxinus en 13Lilium. [verdachte] verrichtte als snorder/koerier diensten voor [medeverdachte 1] en er zijn aanwijzingen dat hij dit ook deed voor verdachten uit eerdergenoemde onderzoeken. Daarnaast leidt ook het afsluiten van de telecomabonnementen op zijn naam op het adres [adres 1] tot medeplichtigheid. Ditzelfde geldt voor het regelen van een woning, op naam van zijn dochter, waarin verdovende middelen werden geprepareerd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte] heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van de stukken in het dossier enkel kan worden vastgesteld dat hij als snorder of chauffeur is opgetreden voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en dat [verdachte] zijn naam kennelijk heeft gebruikt of heeft laten gebruiken om een internetabonnement voor [medeverdachte 4] af te sluiten. Deze gedragingen zijn van dusdanig beperkte aard en omvang, dat niet kan worden gesproken van medeplichtigheid aan enig strafbaar feit. [verdachte] is boven alles een gewone snorder. Met uitzondering van de dag van de aanhouding, is de relatie tot drugsdelicten zoek. Opzet op het gronddelict ontbreekt: [verdachte] heeft niet gehandeld, wetende en willende dat hij met die gedragingen de handel in drugs faciliteerde.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen en overweegt hiertoe als volgt.

Het opsporingsonderzoek 13Zomergem is gestart op 2 juli 2018, naar aanleiding van tips die het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Amsterdam ontving. Deze hielden in dat er vanuit de woning op het adres [adres 2] door Nigerianen werd gehandeld in verdovende middelen/cocaïne. Aan de hand van telefoontaps en observaties kwamen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beeld als bewoners van eerdergenoemde woning.

Uit getapte telefoongesprekken blijkt dat (met zowel Nederlandse als buitenlandse telefoonnummers) er wordt gesproken over hoeveelheden, kostprijzen, geldtransacties, kwaliteit, “spul”, “dat ding/die dingen”, “blok(vorm)”, “olie”, “charlie”, “wit”, “het ruikt”, “mensen die het vanachter zouden uitscheiden”, “het via de bagage zouden brengen”, wat “per vracht zou worden gebracht” of “in de pussy zou worden gezet en meegenomen”, maar ook over andere landen, zoals “het land van Eliza”, Zwitserland en Denemarken.

Aan de hand van telefoongesprekken met het nummer #0091 (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) op 16 en 17 oktober 2018, kreeg de politie het vermoeden dat een levering van verdovende middelen zou gaan plaatsvinden en dat [medeverdachte 1] hierbij betrokken zou zijn. Hierop is een observatie gestart, waarna hij op 18 oktober 2018 is aangehouden. [medeverdachte 1] had op dat moment 200 gram slikkersbollen met cocaïne verstopt in zijn onderbroek. Hij maakte voor zijn vervoer gebruik van een snorder, te weten [verdachte] , die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: #7730). Ook [verdachte] is op dat moment aangehouden en bij zijn fouillering is een geldbedrag van € 1.240,- (twaalfhonderdveertig euro) aangetroffen.

Bij de doorzoeking van de woning op het adres [adres 2] worden veel versnijdingsmiddelen aangetroffen, en andere goederen die kunnen worden gebruikt bij het bereiden en bewerken van verdovende middelen.

Op basis van afgeluisterde tapgesprekken ontstond bij de politie het vermoeden dat [verdachte] niet alleen als snorder werkzaamheden verrichtte voor [medeverdachte 1] , maar ook voor anderen die zich bezig leken te houden met de handel in verdovende middelen, waaronder een persoon genaamd [medeverdachte 4] , verdachte in een van 13Zomergem afgesplitst onderzoek, te weten 13Fraxinus. Op het verblijfsadres van [medeverdachte 4] , [adres 1] , waren verschillende telecom-abonnementen op naam van ‘ [verdachte] ’ afgesloten. Daarnaast werd een woning op het adres [adres 3] verhuurd aan een vrouw genaamd [persoon 1] , de dochter van [verdachte] .

Het dossier bevat geen verklaring van laatstgenoemde omtrent dit huurcontract, zodat reeds daarom deze omstandigheid niet zonder meer aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Hoewel vast staat dat [verdachte] [medeverdachte 1] op de dag van de aanhouding vervoerde en dat [medeverdachte 1] op dat moment 200 gram cocaïne bij zich droeg in zijn onderbroek, betekent dit niet dat verdachte dat wist, noch dat hij opzet had op het leveren van een bijdrage aan de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft dit niet vast kunnen stellen.

[verdachte] heeft stellig ontkend dat hij hier op enigerlei wijze bij betrokken is.

Dat uit het dossier volgt dat [verdachte] in de hoedanigheid van snorder contacten onderhoudt met diverse personen die zich bezig lijken te houden met drugshandel, maakt niet dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Dat hij, zoals hij zelf aangeeft, als snorder een envelop (met daarin een geldbedrag) vervoerde van [medeverdachte 1] naar een ander, maakt dit niet anders. Tot slot maakt ook het (laten) afsluiten van telecomabonnementen in een woning, die later in verband wordt gebracht met drugshandel, op zichzelf niet dat iemand daaraan behulpzaam is geweest.

Hoewel er sprake lijkt te zijn van een fluïde samenwerkingsverband waarin [verdachte] een terugkerende en wellicht dubieuze rol heeft, dient terughoudendheid te worden betracht bij het aannemen van het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, ook in onderlinge samenhang bezien, blijkt onvoldoende dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gronddelict.

[verdachte] zal van het aan hem ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. STK Zaktelefoon Samsung 5650136;

  2. Geld Euro €1.240,00 5650346.

5.1.

Teruggave aan verdachte

De in beslag genomen telefoon behoort aan [verdachte] toe en zal aan hem worden teruggegeven, nu het strafvorderlijk belang zich daar niet tegen verzet.

5.2.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

[verdachte] heeft verklaard dat hij voornoemd geldbedrag in een envelop heeft gekregen van [medeverdachte 1] om aan een ander te geven. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het geldbedrag van [medeverdachte 1] afkomstig was. Aan wie het geld toebehoort nadat het is overhandigd aan [verdachte] om aan een ander te geven is een civielrechtelijke vraag waarin de rechtbank in het kader van de beslagbeslissing niet wil treden. Het geldbedrag dient dan ook te worden bewaard voor de rechthebbende.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1 STK Zaktelefoon Samsung 5650136.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

2. Geld Euro €1.240,00 5650346.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. S. Djebali en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. van der Burg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2019.