Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7712

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
7656780 \ CV EXPL 19-7694 INC
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conventie: verwijzingsincident i.v.m. agentuur, connexitiet en competentiegrens (afgewezen na eiswijziging, daardoor proceskosten eiser). Reconventie: afschrift bescheiden (deels toegewezen, kostencompensatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 7656780 \ CV EXPL 19-7694

Uitspraak: 5 juli 2019

Vonnis van de kantonrechter in de incidenten in conventie en reconventie

in de zaak van:

de Media Balie B.V.,

gevestigd te Bussum,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten in conventie en reconventie,

gemachtigde mr. O. Planten,

t e g e n

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in de incidenten in conventie en reconventie,

gemachtigde mr. H.H.A. Lewin.

Partijen zullen hierna DMB en [gedaagde] genoemd worden.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 november 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid & verzoek tot doorverwijzing, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv van 30 januari 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van 27 februari 2019, met producties;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2019, waarbij de zaak ter verdere behandeling is verwezen naar deze rechtbank en kamer;

  • -

    de akte aanvulling conclusie van antwoord in het incident van 24 mei 2019, met producties.

Ten slotte is vonnis in de incidenten in conventie en reconventie bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In de hoofdzaak

in conventie

DMB vordert – kort samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden;

  • -

    betaling van verbeurde boetes tot € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  • -

    vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 7.473,33, proceskosten en nakosten, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na dagvaarding.

[gedaagde] voert verweer.

in reconventie

[gedaagde] vordert, kort samengevat:

  • -

    betaling door DMB van alles waarop [gedaagde] op grond van artikel 4, 5 en 8 van de samenwerkingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) aanspraak heeft, nader te concretiseren nadat voldaan is aan de vordering in het incident in reconventie;

  • -

    betaling van een voorschot daarop van € 27.000,00, vermeerderd met btw;

  • -

    een verklaring voor recht dat DMB geen aanspraken meer kan ontlenen aan het relatiebeding;

  • -

    betaling van een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de overeenkomst van € 9.000,00, vermeerderd met btw;

  • -

    vergoeding van proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na betekening.

DMB voert verweer.

In de incidenten

in conventie

[gedaagde] vordert – kort samengevat – dat de kantonrechter:

  1. een besluit neemt over het verwijzen van deze zaak naar een ander arrondissement;

  2. deze zaak verwijst naar de sector handel (de kantonrechter begrijpt: een kamer voor andere zaken dan kantonzaken, hierna: de civiele kamer), als de kantonrechter meent dat de overeenkomst geen kenmerken heeft van een agentuurovereenkomst;

DMB veroordeelt in de proceskosten, inclusief nasalaris en wettelijke rente.

DMB voert verweer.

in reconventie

[gedaagde] vordert – kort samengevat – dat de kantonrechter DMB veroordeelt om binnen één week na dit vonnis aan [gedaagde] te verstrekken een afschrift op papier of elektronisch van:

de afsluitende winst- en verliesrekening;

een gespecificeerd overzicht van alle in 2018 ten behoeve van online-marketingklanten gefactureerde omzet;

een gespecificeerd overzicht van alle in 2018 ten laste van de winst- en verliesrekening geboekte kosten;

de stukken waaruit de aanspraak blijkt van [gedaagde] over een periode van 1 januari 2019 tot de datum van dit vonnis (uiterlijk 30 augustus 2019);

op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, vermeerderd met € 1.000,00 per dag als DMB in gebreke blijft;

DMB veroordeelt in de proceskosten, inclusief nasalaris en wettelijke rente.

DMB voert verweer.

in conventie en reconventie

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang voor de beoordeling in de incidenten.

De beoordeling

in conventie

Verwijzing wegens competentiegrens kanton

1.1.

[gedaagde] heeft verzocht om verwijzing van de zaak naar de civiele kamer, omdat de kantonrechter in beginsel alleen zaken kan behandelen betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, terwijl in deze zaak het totale beloop van de vorderingen ten aanzien van de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten dit bedrag overstijgt.

1.2.

DMB stelt dat de vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten moet worden gezien als een nevenvordering, die niet meetelt voor het totale beloop, omdat bedoeld is de werkelijke proceskosten te vorderen. Subsidiair stelt DMB zich op het standpunt dat, als deze kosten niet tot de proceskosten kunnen worden gerekend, haar vordering begrepen moet worden als te zijn gelimiteerd tot € 25.000,00.

1.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de door DMB gevorderde kosten, te weten kosten van mediation en advocaatkosten, moeten worden aangemerkt als kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Dergelijke kosten kunnen afzonderlijk als vermogensschade worden gevorderd op grond van artikel 6:96, lid 2 onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en zijn dus kosten die bij het totale beloop van de vorderingen moeten worden opgeteld. Dat sprake is van buitengerechtelijke kosten, en dus niet van de werkelijke kosten van deze procedure zoals DMB stelt, volgt niet alleen uit de aanduiding en omschrijving van deze kosten in de dagvaarding, maar ook uit de specificatie van deze kosten in producties 15 en 16 bij de dagvaarding.

1.4.

De kantonrechter begrijpt dat DMB bij deze stand van zaken haar eis heeft willen verminderen en wel zodanig dat het totale beloop van haar vorderingen € 25.000,00 zal zijn. Hoewel op dit moment nog onduidelijk is of DMB haar vordering ten aanzien van de hoofdsom, haar vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten of beide vorderingen gedeeltelijk heeft willen verminderen, betekent dit dat het totale beloop hoe dan

ook niet boven de grens van € 25.000,00 zal uitkomen. Gelet hierop zal het verzoek tot verwijzing naar de civiele kamer worden afgewezen.

Agentuurovereenkomst?

1.5.

Hoewel er geen verwijzing zal plaatsvinden naar de civiele kamer, zal de kantonrechter zich toch uitlaten over de vraag, of de overeenkomst tussen partijen (mede) kan worden gekwalificeerd als een agentuurovereenkomst, zodat de zaak vanwege de (gemengde) aard van de overeenkomst door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.

1.6.

Hoewel de overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat door [gedaagde] aangebrachte klanten – tijdens of na de samenwerking tussen DMB en [gedaagde] – overeenkomsten aangaan met DMB, heeft de overeenkomst naar het oordeel van de kantonrechter niet (mede) te gelden als een agentuurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:428 BW. De overeenkomst behelst immers geen opdracht van DMB aan [gedaagde] om tegen betaling te bemiddelen bij de totstandkoming van dergelijke overeenkomsten. Partijen hebben hun samenwerking in artikel 1, derde lid, van de overeenkomst als volgt beschreven: ‘Beide partijen zullen elkaar over en weer voor zover mogelijk steunen bij ieders acquisitie van nieuwe klanten en bij het behoud en uitbouwen van relaties met ieders bestaande klanten.’ Dit duidt eerder op een gelijkwaardige en wederkerige samenwerking, dan op een verhouding als principaal-handelsagent. Bovendien hebben partijen de overeenkomst in artikel 9, tweede lid, van de overeenkomst uitdrukkelijk gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht.

Verwijzing wegens connexiteit

1.7.

[gedaagde] heeft verzocht om verwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, omdat bij de civiele kamer van deze rechtbank al een vergelijkbare procedure aanhangig zou zijn tussen DMB en JS Online Consultancy B.V.

1.8.

DMB stelt dat de samenvoeging van beide procedures in Midden-Nederland niet wenselijk is, omdat de discussies in beide zaken niet synchroon lopen en niet valt uit te sluiten dat de belangen van de gedaagde partijen tegengesteld zijn, terwijl zij door dezelfde gemachtigde worden vertegenwoordigd.

1.9.

De kantonrechter kan op grond van artikel 220, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een zaak verwijzen naar een rechter waarbij een andere zaak aanhangig is, als tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp wordt geprocedeerd of als de zaken verknocht zijn aan elkaar. In dit geval is geen sprake van zaken tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp. Niet alleen zijn de gedaagde partijen anders, ook is DMB in de zaak in Midden-Nederland kennelijk niet bereid gebleken haar vordering tot € 25.000,00 te beperken, zodat de zaak daar bij de civiele kamer aanhangig is. Dit betekent dat verwijzing regimewisseling tot gevolg zou hebben. Mede gelet op dit nadelige gevolg rechtvaardigt de gestelde mate van verknochtheid geen verwijzing.

Conclusie

1.10.

Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen in het incident in conventie worden afgewezen.

in reconventie

1.11.

[gedaagde] vordert afschrift van verschillende bescheiden om de financiële verplichtingen van DMB op grond van de overeenkomst te kunnen berekenen.

1.12.

DMB stelt dat zij steeds volledige transparantie heeft betracht, maar dat zij niet bereid is om detailinformatie ten aanzien van de winst- en verliesrekening te verstrekken, omdat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de eerder geboden toegang tot vertrouwelijke informatie. Als bijlage bij haar akte aanvulling conclusie van antwoord in het incident heeft zij beknopte overzichten van de winst- en verliesrekening Online over 2017 en 2018 overgelegd.

1.13.

De kantonrechter stelt vast dat in artikel 4, eerste lid, van de overeenkomst een berekeningswijze voor de afrekening van de inkomsten van [gedaagde] staat opgenomen. De kantonrechter merkt in dit verband op dat in de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst staat dat DMB aan [gedaagde] alle door deze benodigde informatie verstrekt over haar inkoopproces en externe partners, in het bijzonder dat zij volledige transparantie verleent ten aanzien van de door haar gerealiseerde inkomsten uit hoofde van diensten verricht ten behoeve van de door [gedaagde] aangebrachte klanten en de door haar in dat verband gemaakte kosten. Daar staat tegenover dat [gedaagde] zich onvoorwaardelijk heeft verbonden tot strikte geheimhouding over het inkoopproces van DMB, haar externe partners en de overeenkomst.

1.14.

In het licht van hetgeen partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen, zoals hierboven samengevat weergegeven, heeft [gedaagde] een rechtmatig belang om op grond van artikel 843a Rv afschrift te vorderen van de bescheiden die hij nodig heeft om de berekening te kunnen maken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de overeenkomst.

1.15.

Het door DMB gestelde misbruik van vertrouwelijke informatie ziet op e-mails en klantinformatie. DMB heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van het soort financiële informatie waarvan in dit incident afschrift wordt gevorderd. Bovendien zijn partijen met betrekking tot deze informatie onvoorwaardelijk strikte geheimhouding overeengekomen. Gelet daarop zal voorbij gegaan worden aan de door DMB in dit verband opgeworpen bezwaren tegen informatieverstrekking.

1.16.

[gedaagde] heeft als productie 7A en 7B de tussentijdse winst- en verliesrekening per 30 juli 2018 en de berekening van het inkomen van DMB Online van 7 juli 2018 overgelegd, die hij eerder van DMB toegestuurd heeft gekregen. Dit betrof volgens [gedaagde] echter nog niet de afsluitende winst- en verliesrekening, omdat de samenwerking tot 30 augustus 2018 heeft voortgeduurd. Gelet hierop kan [gedaagde] ten minste aanspraak maken op vergelijkbare bescheiden die zijn bijgewerkt tot deze einddatum. De beknopte overzichten die DMB heeft overgelegd als productie 19 en 20 zijn dan ook niet afdoende.

1.17.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering in het incident in reconventie worden toegewezen, voor zover het bescheiden betreft waarmee de berekening van artikel 4 van de overeenkomst over 2018 kan worden gemaakt. Dit betekent dat DMB aan [gedaagde] afschrift van bescheiden moet geven, waarmee [gedaagde] tot 30 augustus 2018 kan berekenen:

- de door DMB daadwerkelijk ontvangen inkomsten als bedoeld in artikel 3 lid 1 onder A tot en met D van de overeenkomst uit hoofde van door haar verrichte diensten ten behoeve van door [gedaagde] aangebrachte klanten; en

- de externe kosten van DMB als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de overeenkomst en hetgeen ter zake aan derden toekomt.

1.18.

DMB heeft niet betwist dat de gevorderde bescheiden over 2018 (onder I, II en III) nodig zijn voor de berekening als hiervoor bedoeld. De gevorderde afsluitende winst- en verliesrekening (onder I) en overzichten van omzet (onder II) en kosten (onder III) zullen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat deze bescheiden betrekking moeten hebben op de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 augustus 2018, en de door [gedaagde] aangebrachte klanten.

1.19.

De vordering is voor wat betreft de bescheiden met betrekking tot 2019 (onder IV) onvoldoende bepaald en zal om die reden worden afgewezen.

1.20.

De gevorderde dwangsom is niet betwist en zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze ambtshalve zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna vermeld.

in conventie en reconventie

Proceskosten in de incidenten

1.21.

[gedaagde] is in het incident in conventie in het ongelijk gesteld. Dit is echter mede het gevolg van de latere eisvermindering tot € 25.000,00 door DMB. [gedaagde] is in het incident in reconventie gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Immers, met betrekking tot de bescheiden over 2018 volgt toewijzing, maar met betrekking tot de bescheiden over 2019 volgt afwijzing. Gelet op deze stand van zaken zullen de proceskosten in deze incidenten gecompenseerd worden tussen partijen, zodat ieder de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter

in het incident in conventie

- wijst de vorderingen af,

in het incident in reconventie

- veroordeelt DMB om binnen één week na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] afschriften op papier of elektronisch te verstrekken van:

I. de afsluitende winst- en verliesrekening;

II. een overzicht van de ten behoeve van de online-marketingklanten gefactureerde omzet;

III. een overzicht van de ten laste van de winst- en verliesrekening geboekte kosten;

telkens met dien verstande dat deze bescheiden betrekking moeten hebben op de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 augustus 2018, en de door [gedaagde] aangebrachte klanten,

- op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag als DMB volledig of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00,

- wijst het meer of anders gevorderde af,

in het incident in conventie en in reconventie

- compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak

- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 juli 2019 voor beraad over het bepalen van een zitting.

Aldus gewezen door mr. M.R.J. van Wel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter