Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7705

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
C/13/666009 / HA RK 19-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verwijdering BKR-registratie code 3 toegewezen; onvoldoende toegelicht dat belang van voortduren registratie zwaarder weegt dan belang betrokkene; tijdsverloop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/103
JBP 2020/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/666009 / HA RK 19-159

Beschikking van 17 oktober 2019

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

de heer B. de Haan,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ter griffie binnengekomen op 2 mei 2019;

  • -

    de tussenbeschikking van 13 juni 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het verweerschrift met producties, ter griffie binnengekomen op 30 augustus 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 4 september 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het (buiten hun aanwezigheid opgemaakte) proces-verbaal van de mondelinge behandeling. ING heeft hiervan bij brief van 18 september 2019 gebruik gemaakt. Deze beschikking wordt gewezen met inachtneming van die gemaakte opmerkingen.

1.3.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] heeft met haar toenmalige partner een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING voor de financiering van een woning in [woonplaats] (hierna: de woning). Voor de nakoming van de verplichtingen daarvan waren zij hoofdelijk aansprakelijk. Na de beëindiging van de relatie is de woning onderhands verkocht, waarna een restschuld van EUR 139.551,29 is overgebleven.

2.2.

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft ING [verzoekster] gesommeerd om de restschuld vóór 28 oktober 2014 te betalen en geschreven dat bij uitblijving van betaling daarvan de restschuld aan de Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR) zal worden doorgegeven en dat dit gevolgen kan hebben voor het aangaan van nieuwe leningen. De restschuld is toen niet door [verzoekster] (of haar ex-partner) voldaan.

2.3.

Begin 2015 hebben de incassogemachtigde van ING, Incassobureau Fiditon B.V. tevens handelend onder de naam Vesting Finance, en [verzoekster] onderhandeld over een betalingsregeling voor de restschuld tegen finale kwijting. Op 1 februari 2016 zijn partijen overeengekomen dat [verzoekster] in drie jaarlijkse termijnen een totaalbedrag van EUR 45.000 tegen finale kwijting zou voldoen. In een brief van dezelfde datum heeft Vesting Finance de betalingsregeling bevestigd en geschreven dat zodra het afgesproken bedrag is ontvangen aan BKR een melding ontslag betalingsverplichting zal worden gedaan en dat in het register een code 3 zal worden vermeld, omdat er sprake is van een finale kwijting waarbij er een bedrag van EUR 250 of meer is afgeboekt.

2.4.

Vervolgens heeft [verzoekster] op (en voor) de afgesproken termijndata de volgende bedragen betaald: op 3 februari 2016 een bedrag van EUR 20.000, op 30 december 2016 een bedrag van EUR 12.500 en op 9 februari 2017 een bedrag van EUR 12.500.

2.5.

[verzoekster] is ten aanzien van de hypotheekschuld bij ING in het Centraal Krediet Informatie Systeem (hierna: het CKI) van het BKR – een systeem waarin onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst met bijzonderheidscoderingen worden vermeld – op 9 februari 2017 geregistreerd met de bijzonderheidscode “3” (hierna: de BKR‑registratie). Deze codering betekent dat sprake is geweest van een afboeking van een bedrag van EUR 250 of meer. Indien afboeking tegen finale kwijting plaatsvindt, wordt tegelijkertijd met de codering de einddatum van de overeenkomst vermeldt. Het krediet is per 9 februari 2017 afgemeld. De code 3-notering in het CKI eindigt op 9 februari 2022.

2.6.

Bij e-mail van 6 maart 2017 heeft De Hypotheker [verzoekster] een afwijzingsbrief van diezelfde datum van BLG Wonen doorgestuurd. In deze brief is onder meer opgenomen:

“(…) Via uw bemiddeling werd (…) een hypothecaire financiering van EUR 261.590 aangevraagd inzake het onderpand [adres] te [postcode 1] Zaandam.

Na beoordeling van de door u aangeleverde gegevens kunnen wij de gevraagde financiering niet verstrekken. (…)”

Voor zover van belang heeft De Hypotheker in deze e-mail verder geschreven:

“(…) Rabobank (…) hebben aangegeven helaas niets te kunnen doen. Ze zagen ook de eerdere afwijzing bij de andere vestiging. Ik heb aangegeven te weten van jouw eerdere bezoek aan Rabobank maar dat er in jouw zaak naar mijn mening belangrijke nuances zijn. Dat begreep hij wel maar kreeg het er helaas niet door bij de leidinggevende.(…)

De laatste lopende optie is nu nog NIBC. Zij hebben de definitieve cijfers 2016 opgevraagd en uitleg over de restschuld (…)

Hoe vervelend ik het ook vind om te moeten zeggen, ik weet hierna geen andere opties meer. (…)”

2.7.

Op 29 november 2018 heeft Dynamiet Nederland B.V. (hierna: Dynamiet) namens [verzoekster] een kennisnemingsverzoek inzake de BKR-registratie ingediend bij ING. Bij brief van 24 december 2018 heeft Vesting Finance namens ING gereageerd en Dynamiet geïnformeerd over de BKR-registratie.

2.8.

Op 23 januari 2019 heeft Dynamiet namens [verzoekster] bij ING bezwaar gemaakt tegen de registratie van haar persoonsgegevens bij het BKR. In een brief van 21 februari 2019, verstuurd op 22 maart 2019, heeft Vesting Finance namens ING aan Dynamiet geschreven dat zij na belangenafweging tot de conclusie is gekomen dat het algemeen belang van kredietverstrekkers bij de handhaving van de BKR-registratie zwaarder weegt dan het belang van [verzoekster] en dat derhalve niet zal worden overgegaan tot verwijdering van de registratie.

2.9.

Bij e-mail van 3 februari 2019 heeft Tulp Hypotheken B.V. [verzoekster] onder meer als volgt bericht:

“(…) Het is helaas niet mogelijk om in geval van een achterstandscodering bij BKR een Tulp hypotheek aan te vragen. Het maakt daarbij geen verschil of er sprake is van een lopende achterstand of een die al is beëindigd.

Mocht in de toekomst uw BKR-codering zijn vervallen, dan kunt u uiteraard een aanvraag voor een hypotheek bij ons indienen. (…)”

2.10.

Bij e-mail van 16 mei 2019 heeft Hypotheek Rentetarieven [verzoekster] bericht dat zij geen hypotheek kan bemiddelen met een BKR-codering. Bij e-mail van 23 mei 2019 heeft bijBouwe [verzoekster] bericht dat het niet mogelijk is om een financiering te krijgen met een registratie bij het BKR. Bij brief van 13 augustus 2019 heeft Robuust Hypotheken B.V. aan Baar Advies Hypotheken & Verzekeringen onder meer bericht dat de aanvraag voor een hypothecaire geldlening ten name van [verzoekster] niet aan haar acceptatienormen voldoet, omdat zij een BKR-registratie heeft.

2.11.

[verzoekster] huurt momenteel met haar partner en vijfjarige zoon een appartement in [woonplaats] .

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad – op straffe van een dwangsom – primair ING te veroordelen tot het (doen laten) verwijderen van de BKR-registratie, subsidiair de duur van de BKR-registratie te beperken tot tweeëneenhalf jaar en ING te veroordelen tot het (doen laten) verwijderen van de BKR‑registratie vanaf augustus 2019, dan wel meer subsidiair een passende voorziening te treffen, met veroordeling van ING in de proces- en nakosten.

3.2.

[verzoekster] stelt hiertoe – kort samengevat – dat ING ten onrechte verwijdering van de bijzonderheidscodering uit het CKI heeft geweigerd. De restschuld is ontstaan door een eenmalige en bijzondere situatie, het moeten verkopen van de woning door de echtscheiding in een recessie. Van wanbetaling is geen sprake geweest. [verzoekster] stelt dat zij met haar partner en zoon op zoek is naar een woning buiten de ring van Amsterdam. Om dit te bewerkstelligen, moet een hypotheek worden verkregen. De BKR-registratie belemmert haar in het verkrijgen hiervan, aldus [verzoekster] .

3.3.

ING voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoekster] in de proces- en nakosten. Zij heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat de koop van een woning geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de BKR-registratie moet worden verwijderd en niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit zou moeten plaatsvinden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling gelden de volgende uitgangspunten.

4.2.

Krachtens artikel 8 van de Europese Richtlijn inzake consumentenkrediet (2008/48/EG) zorgen de lidstaten ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst of het verhogen van de kredietlimiet beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand (kredietregistratie).

4.3.

Op grond van artikel 4:32 van de Wet financieel (Wft) zijn kredietaanbieders, zoals ING, verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Op grond van artikel 4:34 Wft moet de kredietaanbieder voor de totstandkoming van een kredietovereenkomst of het verhogen van de kredietlimiet in het belang van de consument informatie inwinnen over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst onderscheidenlijk de belangrijke verhoging verantwoord is. Als het met het oog op overkreditering van de consument onverantwoord is, mag de kredietaanbieder niet overgaan tot het sluiten van de overeenkomst of de verhoging. Nadere regels staan in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo). Zo is de kredietverstrekker op grond van artikel 114 BGfo verplicht om bij kredieten van meer dan EUR 250 het BKR te raadplegen.

4.4.

Het doel van de kredietregistratie is blijkens de wetsgeschiedenis tweeledig: enerzijds het beschermen van consumenten tegen overkreditering, anderzijds het beschermen van aanbieders van krediet tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst, worden in het CKI vermeld met bijzonderheidscoderingen, in het geval van [verzoekster] dus de codering 3 (afboeken).

4.5.

De verhouding tussen het BKR en haar zakelijke klanten, waaronder ING, is geregeld in het – gepubliceerde – Algemeen Reglement CKI (hierna: AR, versie 25 mei 2018). Artikel 13 AR luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

WELKE BIJZONDERHEDEN WORDEN GEMELD

1. De zakelijke klant meldt de onderstaande feiten met de daarbij behorende bijzonderheidscode onmiddellijk, maar in ieder geval binnen vier (4) weken nadat deze feiten zich hebben voorgedaan, bij Stichting BKR:

code 1 (…)

code 2 (…)

code 3 de zakelijke klant heeft een bedrag van € 250,- of meer afgeboekt. Als afboeking plaatsvindt en de consument hoeft niets meer te betalen (finale kwijting), wordt tegelijkertijd met deze code de beëindiging van de overeenkomst met een werkelijke einddatum gemeld. (…).”

Artikel 14 AR luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

WANNEER WORDEN DE PERSOONSGEGEVENS VERWIJDERD

1. Gegevens van de afgelopen overeenkomsten worden, tenzij hierna anders bepaald, vijf (5) jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst door Stichting BKR uit het CKI verwijderd. (…).

(…)

10. Het is de zakelijke klant niet toegestaan om een contract, achterstand, herstelcode en/of bijzonderheidscodering uit CKI te verwijderen, tenzij er sprake is van:

a. een onterechte registratie;

b. een terechte registratie die na een zorgvuldige belangenafweging op basis van beschikbare gegevens over individuele omstandigheden, disproportioneel blijkt;

c. een uitspraak van een rechter of een geschillencommissie (…), voor zover de uitspraak strekt tot verwijdering van het contract of aanpassing van de achterstand, herstelcode en/of bijzonderheid. (…)”

4.6.

In het kader van het deelnemen aan dat stelsel van kredietregistratie verwerken de kredietaanbieders persoonsgegevens. Daarop is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (AVG) van toepassing. Volgens artikel 3 lid 4 AR vindt de verwerking door het BKR – en dus ook door de kredietaanbieders – van persoonsgegevens haar rechtmatige grondslag in artikel 6 lid 1 onder f AVG, omdat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van het BKR en haar zakelijke klanten.

4.7.

In deze zaak heeft [verzoekster] niet betwist dat de opeising van en de aflossing van de hypotheekschuld hebben plaatsgevonden en dat de registratie van het feit en de daarbij gehanteerde codering op zichzelf correct is. Het belang van de registratie is hiermee, gelet op de doelstellingen van het BKR, gegeven. De vraag die voorligt is of deze registratie moet worden verwijderd.

4.8.

Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een persoon (hier [verzoekster] ) vanwege haar specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder (e of) f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (hier ING) moet dit bezwaar honoreren tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking van die gegevens die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 17 lid 1 onder c AVG de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, kan de betrokkene zo nodig in rechte om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke heeft aangetoond dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG).

4.9.

Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich pas na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene ( [verzoekster] ) niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel), en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel) (HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). Ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan en de verwerker zich aan het AR heeft gehouden, betekent dit niet dat de belangenafweging achterwege kan blijven.

4.10.

De verwerkingsverantwoordelijke zal moeten aantonen dat in dit concrete geval aan zijn belangen (zoals hiervoor omschreven onder 4.8) meer gewicht toekomt dan aan de belangen van de betrokkene. Daarvoor volstaat niet om in het algemeen te wijzen op de wettelijke plicht tot het deelnemen aan een stelsel van kredietregistratie of op het maatschappelijk belang daarvan. Ook is het niet voldoende om zich op de regels van het AR (bijvoorbeeld dat een code vijf jaar zichtbaar blijft) te beroepen; het AR is geen wettelijke regeling en zij geldt in beginsel slechts tussen het BKR en de daarbij aangesloten financiële instellingen. Wel geven deze regels, die zijn gepubliceerd, aan eenieder inzicht in de wijze waarop het BKR en de aangesloten financiële instellingen uitvoering willen geven aan de aan hen in artikel 4:32 Wft opgedragen taak. In zoverre dragen zij bij aan de rechtszekerheid en kunnen kredietaanbieders deze tot uitgangspunt nemen, maar afhankelijk van de uitkomst van de bij 4.9 genoemde toets zal een kredietaanbieder daarvan in voorkomend geval moeten afwijken.

4.11.

In het kader van een verzoek op grond van artikel 21 AVG moet de kredietaanbieder ingaan op de door de betrokkene aangedragen – en naar vermogen onderbouwde – met zijn specifieke situatie verband houdende redenen voor bezwaar. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bezwaar in het geval van een code 3 zijn bijvoorbeeld:

  • -

    de omvang van de schuld die is kwijtgescholden;

  • -

    of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;

  • -

    de reden voor (het ontstaan en het voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid daarbij;

  • -

    de huidige financiële situatie van betrokken (waaronder het inkomen), waarbij ook naar de periode voor de einddatum wordt gekeken;

  • -

    of betrokkene andere schulden heeft;

  • -

    of sprake is geweest van ernstige of structurele wanbetaling;

  • -

    de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld door de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);

  • -

    het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.

4.12.

Ten aanzien van deze laatste omstandigheid – tijdverloop – geldt dat, zoals hiervoor is overwogen, artikel 14 AR met de daarin opgenomen vijfjaarstermijn geen wet in formele of materiële zin is. Die termijn behelst een beleidsbeslissing van de representatieve organisaties die samen de Stichting BKR bemensen en heeft als zodanig gezag. Naarmate het einde van de termijn van vijf jaar nadert, krijgt de factor tijdverloop in het algemeen meer gewicht. De reden daarvan is dat de nog wel aanwezige belangen bij het voortduren van de registratie na het verstrijken van een langere periode steeds verder in gewicht afnemen in relatie tot de belangen van de betrokkene bij verwijdering daarvan. Kortom, de ‘lat’ wat betreft het gewicht van de over en weer in aanmerking te nemen belangen komt dus met het voortschrijden van de tijd na de registratie van de herstelmelding, steeds hoger te liggen voor de kredietverstrekker en dienovereenkomstig lager voor degene ten aanzien van wie de gegevens zijn geregistreerd.

4.13.

In deze zaak heeft ING onvoldoende toegelicht dat het belang bij het nog ruim twee jaar laten voortduren van de BKR-registratie met de codering 3 meer gewicht in de schaal legt dan het belang van [verzoekster] bij verwijdering daarvan. Daarvoor zijn de volgende bijzondere omstandigheden redengevend.

4.14.

[verzoekster] heeft tot de echtscheiding van haar ex-partner aan haar aflossingsverplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening voldaan. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat haar ex-partner na de echtscheiding in de woning is blijven wonen en dat zij de woonlasten daarvan is blijven voldoen. Uiteindelijk is de woning verkocht met een restschuld. Niet in geschil is dat [verzoekster] de met Vesting Finance overeengekomen betalingsregeling voor de restschuld deugdelijk en tijdig is nagekomen en dat zij aan al haar verplichtingen uit hoofde van de betalingsregeling heeft voldaan. ING heeft na ontvangst van het overeengekomen bedrag van EUR 45.000 aan [verzoekster] finale kwijting verleend. Met de ex-partner van [verzoekster] is ING een betalingsregeling overeengekomen. Onder deze omstandigheden kan ING [verzoekster] niet tegenwerpen dat zij een bedrag van ruim EUR 90.000 af heeft moeten boeken op de hypotheekschuld. ING was niet verplicht om het aanbod van [verzoekster] te accepteren, maar heeft daarvoor kennelijk wel gekozen.

4.15.

Sinds de laatste betaling van [verzoekster] is inmiddels twee jaar en acht maanden verstreken. [verzoekster] heeft genoegzaam aangetoond dat zij op dit moment in een financieel stabiele situatie verkeert. Niet in geschil is dat [verzoekster] directeur‑grootaandeelhouder is van [bedrijf] B.V. dat zich bezighoudt met advisering over douane en btw en dat zij in 2015, 2016 en 2017 een jaarinkomen van respectievelijk EUR 53.534, EUR 66.057 en
EUR 72.347 heeft genoten. Weliswaar ontbreekt de jaarrekening van de onderneming en de aangifte inkomstenbelasting over 2018, maar uit de door [verzoekster] overgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2015 tot en met 2017 komt een voldoende bestendig inkomen van [verzoekster] naar voren. Dat [verzoekster] andere problematische schulden heeft, is onvoldoende gesteld en niet gebleken. Weliswaar heeft ING gewezen op de betalingsregeling die [verzoekster] met de Raad voor de rechtsbijstand heeft getroffen, maar die omstandigheid legt onvoldoende gewicht in de schaal. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling voldoende toegelicht dat geen sprake is geweest van een tekortschietende betalingsmoraal, maar dat deze schuld door de echtscheiding van haar ex‑partner is ontstaan. Desgevraagd heeft zij verduidelijkt dat zij haar ex-partner in 2011 heeft verlaten, de afwikkeling van de echtscheiding tot 2016 heeft geduurd en dat dit tot hoge advocaatkosten heeft geleid. Zij heeft ter voldoening van die kosten haar spaargeld moeten aanwenden en na uitputting daarvan een lening bij de Raad voor de rechtsbijstand afgesloten om de advocaatkosten te kunnen voldoen. Wat daarvan ook zij, tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat zij de betalingsregeling van EUR 200 per maand met de Raad voor rechtsbijstand deugdelijk nakomt en dat zij het openstaande bedrag van EUR 3.100 meteen zal aflossen indien zij een hypothecaire geldlening heeft afgesloten. Tegen de achtergrond van het voorgaande kan ING niet worden gevolgd in haar betoog dat de betalingsproblemen van [verzoekster] niet tot het verleden behoren.

4.16.

ING wordt verder niet gevolgd in haar stelling dat ook met een BKR-registratie een hypothecaire geldlening kan worden verkregen. Uit de door [verzoekster] overgelegde afwijzingen van de hypotheekaanvragen (zie 2.6, 2.9, 2.10) door verschillende hypotheekverstrekkers blijkt dat dit in de praktijk niet realistisch is. Anders dan ING heeft betoogd kan uit de afwijzing van de Hypotheker niet worden afgeleid dat het zelfstandig ondernemerschap van [verzoekster] de reden is dat het verzoek is afgewezen. Bovendien blijkt uit de e-mail van 3 februari 2019 van Tulp Hypotheken (zie 2.9) dat in geval van een BKR-codering geen hypothecaire geldlening wordt verstrekt. Dat de codering een beletsel vormt voor het verkrijgen van een hypothecaire geldlening heeft zij dan ook voldoende onderbouwd.

4.17.

ING heeft in dit verband nog betoogd dat [verzoekster] momenteel bij haar partner woont en een andere huurwoning kan huren. [verzoekster] heeft echter gemotiveerd weerlegd dat dat niet als redelijk alternatief kan worden aangemerkt, omdat [verzoekster] en haar partner niet voor sociale huur in aanmerking komen. Bovendien miskent het betoog van ING dat de woonlasten van een geschikte huurwoning beduidend hoger zullen liggen dan de woonlasten van de woning op basis van een hypotheek.

4.18.

Ten slotte volgt uit de omstandigheden dat [verzoekster] momenteel bij haar partner woont, met eigen middelen een woning wenst aan te schaffen die haar gezin kan huisvesten, dat zij een concrete woning op het oog heeft en zij hiervoor financiering nodig heeft, een voldoende concreet belang bij het (thans en niet pas over ruim twee jaar) verkrijgen van een hypothecaire lening.

4.19.

In de hiervoor geschetste omstandigheden schiet de codering het doel van kredietregistratie voorbij. Mede gezien de door [verzoekster] overgelegde inkomensgegevens waaruit een financieel stabiele situatie volgt kan niet worden gezegd dat de codering nodig is voor de beperking van financiële risico’s bij kredietverlening aan [verzoekster] en ter voorkoming van overkreditering en andere problematische schuldsituaties, waarvan overigens niet is gebleken dat die zich afgezien van de ontstane restschuld in het verleden hebben voorgedaan. Anders dan ING meent, worden in deze omstandigheden de belangen van maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied niet geschaad als de BKR-registratie met bijzonderheidscodering nu zou vervallen in plaats van over ruim twee jaar. De conclusie is dan ook dat het belang van [verzoekster] bij verwijdering van deze registratie met bijzonderheidscodering zwaarder weegt dan het belang bij handhaving daarvan.

4.20.

Het voorgaande betekent dat het primaire verzoek van [verzoekster] zal worden toegewezen. Het opleggen van een dwangsom acht de rechtbank niet nodig nu erop vertrouwd mag worden dat ING aan het vonnis zal voldoen. Dat verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen.

4.21.

ING zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht EUR 297,00

- salaris advocaat EUR 1.383,00 (2 punten × tarief EUR 543,00)

totaal EUR 1.680,00

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze die in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ING om binnen twee weken na de betekening van deze beschikking de bijzonderheidscodering 3 in het CKI van het BKR met contractnummer [contractnummer] op naam van [verzoekster] te (laten) verwijderen en verwijderd te houden;

5.2.

veroordeelt ING in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op EUR 1.680,00;

5.3.

veroordeelt ING in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op EUR 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ING niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, en mr. E.M. Rocha, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2019.1

1 type: EMR coll: MCHB