Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7691

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/13/671862 / KG ZA 19-933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een zoon mag met zijn gezin voorlopig blijven wonen in de woning die door zijn overleden vader werd gehuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/671862 / KG ZA 19-933 MDVH/LO

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 13 september 2019,

advocaat mr. C.E. de Ridder te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3] (in de dagvaarding aangeduid als [gedaagde sub 3] ),

allen wonende te [woonplaats] ,

4. HEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN AAN DE [gedaagden sub 4],

gedaagden,

advocaat mr. G.J. Mulder te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 30 september 2019 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagden] heeft eveneens een conclusie van antwoord in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

[eiser] met [naam beheerder] , beheerder, mr. De Ridder en mr. C.A. Bos;

aan de zijde van [gedaagden] : [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (gedaagden sub 1 en 2), [naam echtgenote] , echtgenote van [gedaagde sub 1] , en hun zoon, [naam zoon] , met mr. Mulder.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2.

Op 9 augustus 1985 is [eiser] , althans [bedrijf] namens hem, voor de woning een huurovereenkomst aangegaan met wijlen [naam vader] , de vader van gedaagde sub 1. [naam vader] is daar met zijn gezin, waaronder zijn kinderen gedaagden sub 1 en 3, gaan wonen.

2.3.

Gedaagde sub 1 is in 1993 getrouwd met [naam echtgenote] . Zij is in 1995 bij haar schoonfamilie ingetrokken en hun kinderen, onder wie gedaagde sub 2, zijn alle vier in de woning geboren.

2.4.

Op 7 november 2010 is [naam vader] overleden. [naam echtgenote] senior, de moeder van gedaagde sub 1, heeft bij brief van 13 december 2010 verzocht de huurovereenkomst over te nemen. Dit verzoek is namens [eiser] bij brief van 3 januari 2011 ingewilligd.

2.5.

Op enig moment in 2018 heeft gedaagde sub 1, die nog altijd in de woning woonde, [eiser] verzocht of hij medehuurder kon worden van de woning. Bij e-mail van 3 januari 2019 is namens [eiser] afwijzend gereageerd op dit verzoek. Tevens is gedaagde sub 1 te kennen gegeven dat zijn moeder in strijd met de huurovereenkomst handelt door hem in de woning te laten verblijven en is hem verzocht die situatie te beëindigen.

2.6.

Op 16 juni 2019 is moeder [naam echtgenote] senior overleden. Bij brief van 18 juli 2019 heeft mr. Mulder namens [gedaagde sub 1] en [naam echtgenote] verzocht om hun het medehuurderschap toe te kennen.

2.7.

Bij brief van 26 juli 2019 heeft mr. Bos namens [eiser] het verzoek van [gedaagde sub 1] en [naam echtgenote] afgewezen.

2.8.

Op 24 september 2019 hebben [gedaagde sub 1] en [naam echtgenote] [eiser] gedagvaard tegen 7 oktober 2019 in een procedure voor de kantonrechter van deze rechtbank, waarin wordt gevorderd te bepalen dat zij medehuurders zullen zijn van de woning.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad ontruiming van de woning binnen een week na betekening van dit vonnis, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2.

[gedaagde sub 1] en [naam echtgenote] hebben in een procedure voor de kantonrechter gevorderd hen als medehuurders aan te merken. [gedaagde sub 1] woont sinds het aangaan van de huurovereenkomst in 1985 in de woning. Hij is daar als kind opgegroeid en heeft de woning ook toen hij volwassen was, niet verlaten. Toen hij trouwde met [naam echtgenote] is zij in 1995 bij de familie ingetrokken. Omdat de vader van [gedaagde sub 1] ziek werd en verzorging nodig had, zijn zij daar blijven wonen. Zij vormden dus samen met de hoofdhuurders een gemeenschappelijke huishouding en voldoen daarmee aan de vereisten voor het toekennen van medehuurderschap. Daarbij geldt dat zij op grond van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht hebben om gedurende zes maanden na het overlijden van de hoofdhuurder in het gehuurde te blijven, aldus steeds [gedaagden]

4.3.

[eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] niet in aanmerking komt voor het medehuurderschap, nu in een ouder-kind-relatie slechts in bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Daarvan is in dit geval geen sprake. De huurbescherming is niet bedoeld om op oneigenlijke wijze voordeel te behalen door de reeds ruim 30 jaar lopende huurovereenkomst, met een om historische redenen zeer lage huurprijs, over te nemen. Volgens de huurovereenkomst is het verboden de woning in gebruik te geven aan anderen. [naam echtgenote] senior heeft dus in strijd met de huurovereenkomst gehandeld door [gedaagde sub 1] (met zijn gezin) in de woning te laten verblijven en [gedaagden] verblijven zonder recht of titel in de woning. Zij zijn daar al eerder op gewezen en hen is al bij e-mail van 3 januari 2019 verzocht de woning te verlaten, aldus steeds [eiser] .

4.4.

Voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen ouders en kinderen geldt dat daarvoor bijzondere omstandigheden vereist zijn, zoals [eiser] terecht heeft gesteld. Het verweer van [gedaagde sub 1] is echter – gezien de bijzondere situatie – niet bij voorbaat kansloos, maar behoeft een nader onderzoek naar de feiten waarvoor de bodemprocedure is bedoeld. Gelet daarop en gezien de korte termijn waarop een uitspraak in de bodemprocedure is te verwachten – de zaak stond immers op de rol voor 7 oktober 2019 – en op het grote belang van [gedaagde sub 1] , die al meer dan 30 jaar (met zijn gezin) in de woning woont, kan niet worden geoordeeld dat [eiser] het recht moet worden toegekend [gedaagden] thans reeds te ontruimen. Er is geen reden waarom van [eiser] niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Het door [eiser] gestelde belang bij ontruiming – het dringende onderhoud dat de woning behoeft om de woning te laten voldoen aan de eisen van deze tijd – is in ieder geval onvoldoende om daarover anders te oordelen. De conclusie is dan ook dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.061,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.061,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.1

1 type: LO coll: JD