Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
13/751703-19
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Polen. Vervolging. Tussenuitspraak i.v.m. nadere beantwoording vragen Poolse rechtsstaat. Verweer m.b.t. genoegzaamheid verworpen. XTC/MDMA. Art. 13 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751703-19

RK nummer: 19/4467

Datum uitspraak: 11 oktober 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 maart 2019 door the Regional Court in Opole (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,

verblijvende op het adres: [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 september 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision on a detention on remand van 18 oktober 2018 van the District Court in Opole (referentie: VII Kp 437/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Het EAB houdt verder in een verzoek om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. Dit blijkt uit een brief van 13 augustus 2019 van een rechter van the Regional Court in Opole, waarin hij verzoekt om de telefoon die onder de opgeëiste persoon in beslag is genomen. Bij deze brief is een nieuw onderdeel g) van het EAB gevoegd.

3.1.

Genoegzaamheid

3.1.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft opgemerkt dat volgens het EAB het feit onder I (deelname aan een criminele organisatie) zou hebben plaatsgevonden in Nederland, Duitsland, Polen en Tsjechië. Van Nederland, Duitsland en Polen worden de plaatsnamen vermeld, maar van Tsjechië niet. Daarnaast kan op basis van het EAB niet worden vastgesteld dat de 11.600 XTC-pillen die worden genoemd onder feit II, MDMA bevatten.

Volgens de raadsman is het EAB op bovengenoemde punten ongenoegzaam en moet de overlevering voor deze feiten worden geweigerd.

3.1.2

Standpunt van de officier van justitie

Alle feiten zijn genoegzaam omschreven. Uit de feitomschrijving blijkt waar de verdenking op ziet en waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht. Dat het EAB geen plaatsnaam in Tsjechië vermeldt, doet daar niet aan af.

Ter zitting heeft de officier van justitie stukken overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat de verdenking ziet op MDMA. De overlevering kan worden toegestaan.

3.1.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarden voldaan. Onder feit I van het EAB wordt de opgeëiste persoon verweten dat hij heeft deelgenomen aan internationale drugstransporten. De enkele omstandigheid dat onder feit I en in ‘Form A’ wel de (vermeende) pleegplaatsen in Nederland, Duitsland en Polen staan genoemd, maar niet de pleegplaats(en) in Tsjechië, maakt niet dat het EAB ongenoegzaam is. Het is duidelijk dat de verdenking ziet op de deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de verwerving en het transport van substantiële hoeveelheden verdovende middelen door onder meer Tsjechië. Dat daarbij geen specifieke plaatsnamen in Tsjechië zijn vermeld, maakt deze verdenking niet onvoldoende duidelijk omschreven. Daarbij is van belang dat de overlevering wordt verzocht in verband met een vervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten nog niet is afgerond.

Ter zitting heeft de officier van justitie een brief overgelegd van een Prokurator in Polen van 27 september 2019 met kenmerk ‘PO I Ds 19.2017’, zijnde het kenmerk dat wordt genoemd onder 2. van onderdeel b) van het EAB. Deze brief bevat de tekst: ‘In response to the letter of 26/09/2019, I inform that ecstasy is the name of the extension tablet in its composition, MDMA, found on the illegal market.’

Gelet op dit bericht is voldoende duidelijk dat de verdenking bestaat dat de XTC-pillen in verband waarmee de overlevering wordt verzocht MDMA bevatten. Dat is voldoende, wederom in aanmerking genomen dat de overlevering wordt verzocht voor de vervolging van dit feit en dat het onderzoek nog loopt. De rechtbank verwerpt het verweer.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten onder I en II waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:

1) deelneming aan een criminele organisatie;

5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit onder III niet in redelijkheid aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft mede betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Poolse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- het onderzoek is in Polen aangevangen;

- het bewijs bevindt zich in Polen;

- de medeverdachten worden in Polen vervolgd of zijn daar veroordeeld;

- de verdovende middelen zijn eerst ingevoerd in Polen, waardoor met name de rechtsorde in Polen is geschaad.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6. Artikel 48, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

6.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting van 27 september 2019 een beschikking van 18 oktober 2018 van the District Court te Opole toegezonden. De raadsman heeft toegelicht dat uit die beschikking blijkt dat aan de opgeëiste persoon een preventieve maatregel van voorlopige hechtenis is opgelegd voor de duur van 14 dagen.

Op pagina 4 van de beschikking van 18 oktober 2018 wordt onder het kopje ‘Motivering’ het volgende overwogen:

“Zonder de zaak definitief te beslechten dient te worden vastgesteld dat de in deze zaak verzamelde stukken van overtuiging – in het bijzonder in de vorm van verhoor van de verdachten, camerabewakingsopnames alsook de verzamelde documentatie – erop wijzen dat het erg waarschijnlijk is dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde strafbare feiten heeft begaan.” (onderstreping door de raadsman.)

Volgens de raadsman lijkt the District Court te Opole, door te overwegen dat het erg waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon het tenlastegelegde heeft begaan, al vooruit te lopen op een definitief veroordelend vonnis. Artikel 48, tweede lid, van het Handvest bepaalt echter dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan op basis van de beschikking van 18 oktober 2018 niet worden geconcludeerd dat de overlevering moet worden geweigerd. Dat in die beschikking wordt overwogen dat het ‘erg waarschijnlijk is’ dat de opgeëiste persoon de strafbare feiten heeft begaan, betekent niet dat hij daarvoor ook zal worden veroordeeld.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van 18 oktober 2018 niet kan leiden tot weigering van de overlevering. De beschikking moet zo worden begrepen dat de Poolse rechter heeft onderzocht of er voldoende redenen waren om de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon te gelasten. Ook in het Nederlandse strafproces is dit een veel voorkomende toets. Vooringenomenheid van de rechterlijke instantie ten aanzien van de vraag of de beschuldiging bewezen zal worden kan uit die beschikking niet worden afgeleid. De rechtbank verwerpt het verweer.

7 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

7.1

Algemeen

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 20181 een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU2 (hierna: het arrest). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:

‘Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 (Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt?’

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 20183 vastgesteld:

  • -

    dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;

  • -

    dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;

  • -

    dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;

  • -

    dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in haar uitspraak van 4 oktober 2018 een aantal vragen geformuleerd - de vragen I. en II. A tot en met E - en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.

Deze vragen worden in alle Poolse overleveringszaken gesteld waarin de Poolse rechtsstaat

aan de orde komt.

Naar aanleiding van antwoorden die sinds 4 oktober 2018 door uitvaardigende justitiële autoriteiten in vergelijkbare zaken zijn verstrekt, heeft de rechtbank reeds in verscheidene Poolse overleveringszaken vastgesteld dat aan ‘stap twee’ is voldaan, inhoudende dat in die zaken de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen betreft naar het oordeel van de rechtbank negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op de antwoorden die zij sinds haar uitspraak van
4 oktober 2018 in vele zaken heeft ontvangen, thans voldoende is voorgelicht over de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen. Die impact is op dit moment zodanig dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben.

Om die reden is de rechtbank van oordeel dat in zaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt, kan worden aangenomen dat aan stap twee is voldaan. Zo ook in onderhavige zaak.

Dit leidt er toe dat voormelde vragen II.A, B, D en E niet meer hoeven te worden gesteld, tenzij zich nieuwe, relevante, ontwikkelingen op het gebied van de Poolse rechtsstaat voordoen. De rechtbank acht daartoe mede redengevend dat haar sinds 4 oktober 2018 geen informatie heeft bereikt waaruit blijkt van een significante verandering van de situatie in Polen aangaande de rechtsstaat.

Het vorenstaande laat onverlet dat beantwoording van de vragen II.C 1 tot en met 3 (“Tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen”) nog wel van belang is in het kader van de beoordeling van stap drie. Teneinde te kunnen beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, moet de rechtbank over actuele informatie beschikken inzake de vraag of er (tucht- of disciplinaire) maatregelen zijn genomen jegens (vice)voorzitters en rechters bij de rechterlijke instanties die in eerste aanleg en eventueel in hoger beroep over de zaak van de opgeëiste persoon zullen oordelen en zo ja, wat daarvoor de aanleiding was en wat de uitkomst daarvan was aanleiding was.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in overleveringszaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt (alleen nog) de volgende vragen moeten worden gesteld:

I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?

Welke rechterlijke instanties zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze
opgeëiste persoon is of zal worden onderworpen, in eerste aanleg en in hoger beroep?

II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties

Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding
en wat was de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?

7.2

Gevolgen voor de onderhavige zaak

De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat de bij e-mail van 26 september 2019 door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) toegezonden antwoorden zijn verkregen in een andere overleveringszaak waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt. Die zaak is eveneens op de zitting van 27 september 2019 behandeld. De vragen zijn nog niet in de onderhavige zaak gesteld.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de ontvangen antwoorden niet volstaan, nu zij geen gegevens bevatten over the District Court te Opole. De onder II hiervoor vermelde vragen zullen dus alsnog moeten worden beantwoord voor the District Court te Opole.

7.3

Conclusie

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om ten aanzien van the District Court te Opole de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:

Ten aanzien van de gerechtelijke instantie die in eerste aanleg over de strafzaak betreffende de opgeëiste persoon zal oordelen:

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of
(vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was
de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de
organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de
bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de
reden?

3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het
verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat
was hiervoor de aanleiding?

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit om de vragen door te geleiden naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en H.J. Fehmers, rechters,

in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 oktober 2019.

De oudste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2018:5925.

2 ECLI:EU:C:2018:586.

3 ECLI:NL:RBAMS:2018:7032.