Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7615

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bezwaar te laat ingediend - de gemeente mocht het besluit verzende naar het laatst bekende adres van eiser, omdat eiser geen ander adres had opgegeven bij de gemeente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/617

zittingsdatum: 16 september 2019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] te Amsterdam, eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: S. Lensing)

Conclusie

1. De rechtbank stelt eiser niet in het gelijk. Eiser maakte te laat bezwaar tegen het besluit van de gemeente van 4 juni 2018. Met dit besluit registreerde de gemeente eiser in de Basisregistratie personen (Brp) als vertrokken uit de gemeente en kreeg eiser een boete. De gemeente mocht dit besluit verzenden naar het laatst bekende adres van eiser, omdat eiser geen adres had opgegeven bij de gemeente. De gemeente behandelde terecht het bezwaar van eiser niet inhoudelijk (verklaarde het niet-ontvankelijk). De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.

De gemeente maakte het besluit op de juiste wijze bekend aan eiser

2.1.

Anders dan eiser aanvoert, maakte de gemeente het besluit van 4 juni 2018 op de juiste manier bekend aan eiser door het te versturen naar zijn laatst bekende adres. De hoger beroepsrechter oordeelt dat de gemeente een besluit naar het laatst bekende adres mag sturen (ook al weet de gemeente dat iemand daar niet meer woont), als iemand niet heeft doorgegeven waar hij woont en daartoe wel in staat is. De gemeente kan een besluit in dat geval immers niet op een andere manier bekend maken. Het is de verantwoordelijkheid van de burger om ervoor te zorgen dat hij bereikbaar is en dat er een postadres bekend is bij de gemeente. Als een burger deze verantwoordelijkheid niet neemt, komen de risico’s voor zijn rekening.1

2.2.

De rechtbank begrijpt dat het vervelend is voor eiser dat het niet doorgegeven van zijn adres gevolgen voor hem heeft gehad. Eiser was echter wel in staat contact op te nemen met de gemeente en de rechtspraak is streng op dit punt.

Eiser diende zijn bezwaarschrift te laat in

3. Gelet op vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter liep de bezwaarstermijn dus vanaf de dag na de dag dat de gemeente het besluit verstuurde naar het laatst bekende adres van eiser, dus van 5 juni tot en met 16 juli 2018.2 De gemeente ontving het bezwaarschrift van eiser buiten deze termijn, namelijk op 14 november 2018. Er is in de zaak van eiser niet gebleken van bijzonere redenen waarom de rechtbank het te laat indienen van het bezwaarschrift niet aan eiser tegenwerpt. Dat de gemeente wist dat eiser niet op zijn oude adres woonde is geen bijzondere reden. De gemeente had geen ander adres van eiser en het was de verantwoordelijkheid van eiser om de gemeente te laten weten waar hij te bereiken was. De gemeente mocht het bezwaarschrift van eiser dus buiten behandeling stellen (niet-ontvankelijk verklaren).

Overweging tot slot

4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gemeente het griffierecht dat eiser heeft betaald, te laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, en mr. A. Teggelaar, gerechtsjurist. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

Rechter

Gerechtsjurist

(griffier op zitting)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met de beslissing?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019 2500 EA Den Haag. Burgers kunnen ook digitaal hoger beroep instellen.3

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:951). Uitspraken zijn te vinden op: www.rechtspraak.nl.

2 Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

3 De rechtbank verwijst in dit kader naar de website van de Afdeling (www.raadvanstate.nl).