Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7578

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
C/13/657838 / HA ZA 18-1206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding overeenkomst (High School Year), Verzuim? Redelijke termijn. Aantasting eer en goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/657838 / HA ZA 18-1206

Vonnis van 9 oktober 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.S. Schouten te Zeist,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EF EDUCATION B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.A.F. Evers te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eisers] en EF worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 november 2018, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 22 mei 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2019 met de daarin genoemde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de brieven van partijen van respectievelijk 9 september 2019 en 11 september 2019 met opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de ouders van [kind] (hierna: [kind] ).

2.2.

EF biedt taalreizen voor scholieren aan, waaronder taalcursussen, tussenjaren en studeren in het buitenland op verschillende locaties.

2.3.

In het voorjaar van 2017 hebben [eisers] met EF een overeenkomst gesloten op grond waarvan [kind] in het schooljaar 2018-2019 een High School Year in de Verenigde Staten zou gaan volgen. [kind] was toen 17 jaar (geboren in [geboortedatum] 2000).

2.4.

[eisers] hebben op grond van de overeenkomst aan EF een bedrag van € 13.745,00 betaald.

2.5.

Op grond van de overeenkomst diende EF zorg te dragen voor plaatsing van [kind] op een school in een regio in de Verenigde Staten voor de duur van een jaar, plaatsing bij een gastgezin in de regio waar de school is gevestigd, een verzekeringspakket, betaling van bijkomende kosten en begeleiding in geval van problemen.

2.6.

Op 11 augustus 2018 is [kind] aangekomen in de Verenigde Staten. Zij werd geplaatst bij een gastgezin, het echtpaar [familienaam] . Na enige tijd wilde [kind] worden overgeplaatst naar een ander gastgezin.

2.7.

Op 5 en/of 6 september 2018 is tussen [kind] , de familie [familienaam] en EF besproken dat EF op zoek zou gaan naar een ander gastgezin voor [kind] . Daarbij werd afgesproken dat [kind] bij de familie [familienaam] kon blijven totdat een nieuw gastgezin zou zijn gevonden.

2.8.

Op maandag 10 september 2018 heeft [naam gastmoeder] , de gastmoeder, telefonisch contact gehad met een International Exchange Coordinator (IEC) van EF, [naam medewerker] . In een daarop volgende Skype-communicatie met een collega van EF schrijft [naam medewerker] :

“ [naam gastmoeder] called me this morning and wants her out

sooner rather than later

said the weekend was ‘horrible’”

2.9.

Op de reactie van haar collega ‘Ok…so we need to have [naam 1] get her or (....)’, schrijft [naam medewerker] :

“yea I think we need to discuss her going IT (in transition, rechtbank) in the near future

don’t think it needs to be tonight

but needs to be soon”

2.10.

Op maandag 10 september 2018 krijgt [kind] van EF te horen dat zij die avond zal worden opgehaald door een IEC van EF. [kind] is vervolgens naar haar (school)vriendin [naam 3] gegaan. Diezelfde dag, in de avond (plaatselijke tijd), is [kind] opgehaald door IEC [naam 1] om bij haar in huis te verblijven.

2.11.

Het huis van [naam 1] bevond zich op een afstand van ongeveer 100 kilometer van de school van [kind] . Gedurende haar verblijf bij [naam 1] was [kind] niet in de gelegenheid om naar school te gaan of (sport)activiteiten te ondernemen en sliep zij in de woonkamer van het gezin.

2.12.

Op 12 september 2018 hebben [eisers] in een brief aan EF geschreven dat EF de gelegenheid wordt geboden om binnen een maand een passend gezin voor [kind] te vinden onder de voorwaarde dat [kind] vóór het weekend wordt geplaatst bij het gezin van [naam 3] in afwachting van plaatsing in een ander gastgezin. Zij schreven daarbij dat één van de ouders zou afreizen naar de Verenigde Staten omdat [kind] overstuur was en zij er alles aan wilden doen om [kind] dit jaar in Amerika te houden. Tevens hebben [eisers] op die dag een verslag gestuurd met hun weergave van telefoongesprekken die zij met EF hadden gevoerd.

2.13.

Op 13 september 2018 is [eiser sub 2] naar de Verenigde Staten afgereisd. [kind] en haar moeder hebben elkaar die avond op een kermis ontmoet waar ook [naam 1] aanwezig was. [naam 1] heeft op de kermis alle spullen van [kind] (verpakt in tassen en dozen) overhandigd aan [kind] en haar moeder.

2.14.

Tevens is de verantwoordelijkheid over [kind] gedurende het weekend door EF overgedragen aan [eiser sub 2] , die daartoe een Natural Parent Authorization heeft ondertekend. Daarin staat dat de ouders bevestigen dat [kind] vanaf 13 september 2018 aan de zorg van haar moeder wordt overgedragen en dat dit voortduurt tot maandag 17 september 2018. In het formulier staat onder meer het volgende:

“(…) She [ [kind] , rechtbank] will remain in her [van de moeder, rechtbank] care until Monday, September 17, 2018, and [naam 2] assumes all responsibility for [kind] during this time. We understand that during this time, [kind] is still on an EF HSEY Exchange program and will continue to follow expectations as outlined in the signed rules and regulations (…)”.

2.15.

[kind] is vervolgens vanaf de kermis met haar moeder meegegaan.

2.16.

Een brief van de advocaat van [eisers] aan EF d.d. 14 september 2018 bevat een aantal klachten over de overplaatsing van [kind] naar [naam 1] en luidt verder onder meer als volgt:

“(…) Sommatie:

(…)

Ik sommeer u hierbij derhalve, voor zaterdagmiddag 15 september 2018, 17.00 uur Nederlandse tijd, aan mij schriftelijk te bevestigen dat er voor [kind] een ander gastgezin + een highschool gezocht wordt en dat [kind] in de tussentijd bij het gezin van [naam 3] kan verblijven.

Reeds nu en voor alsdan deel ik u mede dat indien ik niet tijdig uw bevestiging ontvang:

1) Een kort geding aanhangig zal worden gemaakt strekkende tot veroordeling van EF (…) tot in ieder geval maar niet uitsluitend hert bovenstaande (…)

2) EF (…) hierbij aansprakelijk wordt gesteld voor alle schade die geleden is en geleden zal worden door [kind] en haar ouders vanwege de handelwijze van EF (…)

3) Vergoeding van alle schade gevorderd zal worden in een bodemprocedure, onder meer betreffende de schade die thans vanwege de handelwijze van uw organisatie wordt geleden, maar ook alle schade die [kind] en haar ouders zullen lijden doordat [kind] een jaar verliest als dit jaar in Amerika niet door gaat. (…)”

2.17.

In een WhatsApp bericht van [naam gastmoeder] van 14 september 2018 aan [kind] staat onder meer:

“(…) I hope you know that we did not want you to leave. We wanted you to stay till they found another family. (…)”

2.18.

Daarop heeft [naam manager] , country manager bij EF, aan de advocaat van [eisers] onder meer geschreven:

“(…) Wij zijn op dit moment druk bezig met het vinden van een passende oplossing voor uw client. Zodra wij een update hebben zullen we deze naar u en de familie communiceren. (…)”

2.19.

De advocaat van [eisers] heeft op zondag 16 september 2018, 12:14 uur Nederlandse tijd, aan EF (onder anderen [naam 4] en [naam manager] ) onder meer geschreven:

“(…) Aangezien de termijn in mijn sommatiebrief van vrijdag jongstleden is verstreken zonder dat door EF aan de sommatie is voldaan, verkeert EF sindsdien in verzuim. (…)

Ik herhaal dat [kind] morgen weer naar school dient te kunnen gaan en dat er mitsdien HEDEN VOOR 20.00 uur Nederlandse tijd een passende oplossing voor de komende 4 tot 6 weken dient te zijn; deze is voorhanden, te weten verblijf bij de familie van vriendin [naam 3] . (…)”

2.20.

Later die 16 september 2018, om 21:35 uur Nederlandse tijd, heeft de advocaat van [eisers] aan EF onder meer geschreven:

“(…) Wederom heeft EF niets van zich laten horen ten behoeve van [kind] , ondanks dat ik u eerder vandaag een e-mail zond en EF daartoe tot hedenavond 20.00 uur de gelegenheid had gegeven.

EF verkeert in verzuim, zo deelde ik u reeds mede. Tevens laat EF sindsdien bij voortduring na zorg te dragen voor goede huisvesting voor [kind] en laat EF na te zorgen dat [kind] morgen weer naar school kan. Gelet hierop en gelet op het feit dat [kind] niet in Amerika op straat kan verblijven, zien mijn clienten geen andere mogelijkheid dan [kind] morgen met haar moeder mee terug naar Nederland te laten gaan.

Hierbij roep ik dan ook namens mijn clienten de ontbinding van de overeenkomst met EF in. (…)”

2.21.

Op maandag 17 september 2018 om 6:30 uur (Nederlandse tijd, dus omstreeks 16 september 2018 te 24:00 uur plaatselijke tijd) heeft EF ( [naam manager] ) aan de advocaat van [eisers] onder meer geschreven:

“(…) As communicated on Saturday we would get back to you if we would have any new updates (…) we regret that we’re not able to find a solution for [kind] . (…)”

2.22.

Op maandag 17 september 2018 is [kind] met haar moeder teruggevlogen naar Nederland.

2.23.

Op 19 september 2018 hebben [eisers] op de Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’ de volgende oproep gedaan:

“ [tekst oproep 1] .”

2.24.

[eisers] hebben op de Facebookpagina verder onder meer geschreven:

“ [tekst oproep 2] ”

2.25.

[kind] heeft over haar ervaringen in de Verenigde Staten en met EF een interview gegeven bij het televisieprogramma [naam programma] en op 20 september 2018 heeft de Facebookpagina van [naam pagina 1] dit interview gepubliceerd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van EF tot betaling van:

  1. € 13.745,00, verminderd met 32 dagen verblijf p.m., op grond van de ongedaanmakingsverbintenis die volgt uit de ontbinding van de overeenkomst;

  2. schadevergoeding wegens:

a. Kosten vliegtickets € 1.720,00

b. Kosten hotels € 572,00

c. Autohuur € 357,00

d. Taxikosten € 75,00

e. Kosten eten en drinken in Amerika € 238,00

f. Kosten verloren inkomsten [eiser sub 2] , 4 dagen € 1.800,00

g. Kosten verloren jaar [kind] € 18.000,00

h. Subsidiair kosten 1 jaar high school € p.m.

3. de proces- en nakosten.

3.2.

[eisers] stellen dat EF toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door [kind] per direct bij het gezin [familienaam] weg te halen en over te plaatsen naar de deplorabele omstandigheden in de woning van [naam 1] . [eisers] stellen dat de overeenkomst is ontbonden en dat daardoor ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan. Daarnaast dient EF de door [eisers] geleden schade te vergoeden.

3.3.

EF voert verweer en betwist onder meer dat van enige tekortkoming sprake is. Volgens EF hebben [eisers] zelf besloten [kind] terug te laten keren naar Nederland en is EF dus niet in de gelegenheid geweest om nog na te komen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

EF vordert – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht te verklaren dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld jegens EF door het verspreiden van onjuiste en negatieve berichten op televisie en internet, waardoor de eer en goede naam van EF is aangetast;

  2. [eisers] te veroordelen tot vergoeding van de door EF geleden schade als gevolg van het aantasten van de eer en goede naam van EF, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [eisers] te veroordelen om onmiddellijk na de betekening van het te wijzen vonnis de in productie 11 omschreven Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’, alsmede alle negatieve uitlatingen die zij op enige website hebben geplaatst, te verwijderen, en verdere verspreiding van negatieve berichten te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom en

  4. [eisers] te veroordelen in de (daadwerkelijke) proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.6.

EF legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [eisers] hebben gehandeld in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm door onjuiste, misleidende en onnodig grievende mededelingen te doen over EF. Hierdoor is de eer en goede naam van EF aangetast en heeft EF schade geleden, welke schade door [eisers] dient te worden vergoed.

3.7.

[eisers] voeren verweer en voeren onder meer aan dat de uitlatingen feitelijk juist zijn en zijn gedaan om een misstand aan de kaak te stellen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Ontbinding

4.1.

[eisers] maken aanspraak op terugbetaling op grond van een ongedaanmakingsverbintenis, nu EF volgens hen heeft ontbonden. De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of [eisers] de overeenkomst met recht hebben ontbonden middels de e-mail van hun advocaat aan EF van 16 september 2018, 21:35 uur (2.20).

4.2.

Ingevolge artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor de ontbinding van een overeenkomst waarvan de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is.

Tekortkoming?

4.3.

Eén van de kernelementen van de overeenkomst betrof de plaatsing van [kind] door EF op een high school in de Verenigde Staten voor de duur van een jaar. Daarnaast diende EF zorg te dragen voor een (geschikt) gastgezin voor [kind] . Vaststaat dat op 5 en/of 6 september 2018 tussen [kind] , haar gastouders en EF is afgesproken dat EF op zoek zou gaan naar een ander gastgezin voor [kind] en dat zij in de tussentijd bij de familie [familienaam] kon blijven. Kort daarna, namelijk op 10 september 2018, heeft EF toch besloten [kind] per direct uit huis te plaatsen, waarna zij is opgehaald en overgebracht naar het huis van IEC [naam 1] . Deze woning was gelegen op een afstand van 100 kilometer van de high school waar [kind] naartoe ging. [kind] werd door EF gedurende haar verblijf bij [naam 1] niet in de gelegenheid gesteld om naar haar high school gaan en zij bleef verstoken van onderwijs. Met overplaatsing van [kind] naar [naam 1] is dus sprake van een tekortkoming in de nakoming van een kernbeding van de overeenkomst: het deelnemen aan een High School Exchange Year. Daar komt nog bij, en dat is niet concreet bestreden door EF, dat de woning van [naam 1] niet voldeed aan de eigen standaarden van EF, reeds omdat [kind] daar niet over een eigen slaapkamer beschikte. Dit klemde temeer door de aanwezigheid van de man van [naam 1] (soms vergezeld door zijn collega’s) in de woonkamer vanaf 6:00 uur ’s ochtends, waardoor [kind] onvoldoende privacy had bij haar slaapplaats in de woonkamer.

De conclusie is dat EF door de plaatsing van [kind] bij [naam 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.

Overmacht?

4.4.

EF betoogt dat het noodzakelijk was om [kind] op maandag 10 september 2018 over te plaatsen, omdat de situatie bij de familie [familienaam] na de aanvankelijke afspraken van 5/6 september 2018 was geëscaleerd. Aangezien het vier tot zes weken kan duren voordat EF een nieuw gastgezin en bijbehorende school heeft gevonden, moest EF [kind] in de tussentijd huisvesten bij IEC [naam 1] , welk onderkomen al was gescreend en voldeed aan de regelgeving. [eisers] weerspreken dat van enige escalatie sprake is geweest. [kind] en haar gastouders waren het erover eens dat [kind] - terwijl zij wachtte op plaatsing in een ander gezin - kon blijven bij de familie [familienaam] , aldus [eisers] Zij wijzen op het bericht van [naam gastmoeder] van 14 september 2018 waarin zij dit bevestigt.

4.5.

De rechtbank kwalificeert het standpunt van EF als een beroep op overmacht als bedoeld in artikel 6:75 BW. In dat artikel staat dat een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Voor een geslaagd beroep op overmacht is nodig dat de tekortkoming niet te wijten is aan de schuld van de schuldenaar, noch voor diens risico behoort te blijven. De stelplicht en de bewijslast rusten bij de partij die een beroep doet op overmacht, in dit geval EF.

4.6.

Indien voor EF de noodzaak bestond om [kind] op 10 september 2018 over te plaatsen, wegens niet aan EF toe te rekenen omstandigheden (bijvoorbeeld door toedoen van [kind] zelf), kan EF een beroep doen op overmacht. In dat geval immers kon EF niets anders doen dan acuut andere (tijdelijke) opvang voor [kind] verzorgen en kan het niet aan EF worden toegerekend dat die opvang ertoe leidde dat aan de op haar rustende verbintenissen (tijdelijk) geen gevolg kon worden gegeven.

4.7.

EF heeft echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die een beroep op overmacht rechtvaardigen. Aan haar betoog dat escalatie van de situatie bij het gastgezin heeft plaatsgehad, legt EF ten eerste ten grondslag dat [kind] op 6 september 2018 heeft geweigerd mee te gaan naar een door de familie [familienaam] georganiseerde trip naar Missouri, dat zij zich opsloot in haar kamer en vervolgens enkel via haar moeder met de familie [familienaam] wilde communiceren. Op grond van deze omstandigheden valt echter niet zonder meer in te zien dat een directe overplaatsing op deze wijze noodzakelijk was. Immers blijkt in deze situatie niet van dreigend gevaar en is goed voorstelbaar dat de gastouders en de minderjarige, al dan niet met begeleiding van EF en de ouders, het contact kunnen herstellen en nog enkele weken op acceptabele wijze samenwonen.

4.8.

EF voert daarnaast aan dat [naam gastmoeder] ná het weekend, op 10 september 2018, telefonisch contact gehad heeft met EF. EF stelt dat de gastmoeder in dat gesprek heeft verteld wat er dat weekend was gebeurd en heeft gevraagd ‘om zo snel mogelijk een ander gastgezin voor [kind] te zoeken’. Toen EF aangaf dat een gastgezin ook kan kiezen voor een directe overplaatsing naar een IEC in de regio, zou [naam gastmoeder] hebben gevraagd ‘om deze maatregelen te treffen’. Deze gang van zaken toont onvoldoende aan dat de situatie door toedoen van [kind] onhoudbaar was geworden en per direct diende te worden beëindigd. Ook valt niet in te zien dat een directe overplaatsing in de risicosfeer van [eisers] zou moeten liggen. Omstandigheden in de sfeer van het gastgezin, zoals wensen en behoeften van de gastouders, dienen in beginsel voor rekening te komen van EF en niet van [eisers] Ook de Skype-communicatie tussen IEC [naam medewerker] en haar collega van EF (2.8 en 2.9) onderschrijft het voorgaande. Uit deze conversatie blijkt dat [naam gastmoeder] zou hebben meegedeeld dat zij [kind] liever eerder dan later (‘sooner rather than later’) uit huis wilde hebben en dat de medewerkster van EF denkt dat zij moeten bespreken dat [kind] in de nabije toekomst ‘IT moet gaan’ (in transitie moet gaan, ofwel: overgeplaatst moet worden, rechtbank).

4.9.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan uit voornoemde omstandigheden niet worden afgeleid dat sprake was van de beweerde escalatie die onmiddellijke overplaatsing noodzakelijk maakte, noch dat de daardoor ontstane tekortkoming voor rekening van [eisers] moet komen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat EF geen nadere reactie heeft gegeven op het feit dat [naam gastmoeder] op 14 september 2018 in een Whatsapp-bericht aan [kind] (2.14) heeft laten weten dat zij had mogen blijven totdat een ander gezin zou zijn gevonden. De beweerde escalatie is dus – gelet op de gemotiveerde betwisting – onvoldoende nader toegelicht. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het de keuze van EF is geweest om het gastgezin tegemoet te komen door [kind] direct over te plaatsen en wel naar een locatie waar zij geen onderwijs volgde en onvoldoende privacy had (en daarmee tekort te komen in nakoming van de overeenkomst met [eisers] ). Deze keuze dient voor rekening van EF te blijven.

Verzuim?

4.10.

Nu het beroep op overmacht wordt verworpen, dient te worden beoordeeld of EF in verzuim verkeerde op het moment van ontbinding door [eisers]

4.11.

De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 6:82 en 6:83 BW is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is (artikel 6:81 BW). Vaststaat dat in dit geval van een opeisbare verbintenis sprake is. Daarnaast heeft de advocaat van [eisers] EF in gebreke gesteld en is EF niet binnen de gestelde termijn nagekomen (6:82 eerste lid BW). Nadat [eisers] vanaf de maandag dat [kind] naar [naam 1] was overgeplaatst herhaaldelijk hadden verzocht om een andere oplossing, heeft de advocaat van [eisers] EF uiteindelijk bij e-mailbericht van 16 september 2018 (2.17) aangemaand om uiterlijk dezelfde dag, zondagavond 20:00 uur (Nederlandse tijd), de overeenkomst na te komen en een passende oplossing aan te dragen voor de komende vier tot zes weken. Het enige dat EF – na het verstrijken van de termijn – liet horen is dat het haar spijt dat zij geen oplossing kan vinden (2.21).

4.12.

Voor het intreden van verzuim is vereist dat de gestelde termijn redelijk is. Volgens EF was de gestelde termijn voor nakoming in dit geval korter dan in de gegeven omstandigheden redelijk was. Voor de beantwoording van de vraag of de in een ingebrekestelling opgenomen termijn redelijk is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. In dit geval weegt de rechtbank mee dat de prestatie die EF moest leveren reeds was aangevangen en dat partijen in de week voorafgaande aan de ingebrekestelling al intensief contact hadden gehad over een oplossing. Bovendien zou EF, zo blijkt ook uit de Natural Parent Authorization die zij [eiser sub 2] heeft laten ondertekenen, de verantwoordelijkheid over [kind] op maandag 17 september 2018 weer overnemen van [eiser sub 2] . Van een termijnstelling die afloopt de dag ervoor om 20:00 uur Nederlandse tijd, kan in alle redelijkheid niet worden gezegd dat die voor EF uit de lucht kwam vallen, noch dat die onredelijk kort is. Voor zover de stellingen van EF inhouden dat zij niet binnen de termijn kón nakomen, omdat het vinden van een nieuw gastgezin en een nieuwe school vier tot zes weken in beslag neemt, geldt dat deze situatie aan EF zelf moet worden toegerekend. Immers: niet is gebleken dat [kind] in de tussentijd niet bij de familie [familienaam] kon blijven of dat niet een andere tijdelijke oplossing kon worden gevonden, waarbij het volgen van onderwijs gewaarborgd werd. Zoals hiervoor is overwogen, is van overmacht niet gebleken, zodat ook geen sprake is van een vertraging die niet kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:81 BW.

4.13.

Het beroep van EF op schuldeisersverzuim slaagt evenmin, reeds omdat niet is gebleken dat aan [kind] en/of [eisers] toe te rekenen omstandigheden ertoe hebben geleid dat [kind] werd overgeplaatst, noch dat zij niet bereid waren in te stemmen met een andere oplossing. Het feit dat [eisers] niet wilden instemmen met de door EF geboden ‘oplossing’ waarbij [kind] tot nader order (en naar verwachting vier tot zes weken) niet naar school kon, brengt nog geen schuldeisersverzuim mee. De aanvankelijk door [eisers] gestelde eis dat [kind] voorlopig zou verblijven bij schoolgenoot [naam 3] , is in de ingebrekestelling van 16 september 2018 niet herhaald.

4.14.

Tot slot rechtvaardigde de tekortkoming de ontbinding ook. Het verzorgen van onderwijs gedurende het schooljaar is bij een High School Year één van de kernelementen van de overeenkomst en aan die verplichting werd door de plaatsing van [kind] bij [naam 1] niet meer voldaan. Overeenkomstig de mededelingen van EF moesten [eisers] ervan uitgaan dat deze situatie vier tot zes weken zou voortduren. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat gezien de bijzondere aard van de tekortkoming of haar geringe betekenis de ontbinding niet is gerechtvaardigd.

4.15.

De slotsom van het voorgaande is dat EF na het verstrijken van de gestelde termijn (16 september 2018 om 20:00 uur, Nederlandse tijd) in verzuim is en dat [eisers] de overeenkomst met EF terecht hebben ontbonden.

Ongedaanmakingsverbintenis

4.16.

Op grond van artikel 6:271 BW ontstaat door de ontbinding voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van reeds verrichte prestaties. Dat betekent dat EF bij volledige ontbinding het volledige aan haar betaalde bedrag van € 13.745,00 dient terug te betalen aan [eisers] heeft echter gevorderd dit bedrag te verminderen met de kosten van verblijf van 32 dagen (van 11 augustus 2018 tot 13 september 2018). De rechtbank begrijpt [eisers] aldus dat zij een (naar rato) gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wenst in te roepen en de overeenkomst gedeeltelijk in stand wil laten. Nu in de stellingen van partijen en het dossier geen andersluidende aanknopingspunten zijn gevonden, bepaalt de rechtbank de ongedaanmakingsverbintenis ten aanzien van het deel dat [eisers] kennelijk wenst te ontbinden als volgt. Nu [kind] bij het gastgezin is aangekomen op 11 augustus 2018 en het schooljaar contractueel eindigde op 30 juni 2019 (een periode van in totaal 324 dagen), wordt het niet-ontbonden deel van de betalingsverplichting bepaald op (32/324e deel van € 13.745,00 =) € 1.357,53. De hoogte van de ongedaanmakingsverbintenis is dus (€ 13.745,00 -/- € 1.357,53 =) € 12.387,47.

4.17.

EF voert aan dat de prestaties niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Zij heeft reeds alle prestaties uit hoofde van de overeenkomst verricht, zoals de plaatsing op een school en in een gastgezin en het voldoen van de kosten van een verzekering en bijkomende kosten.

4.18.

In artikel 6:272 BW is bepaald dat indien de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, daarvoor een vergoeding in de plaats treedt van de waarde op het tijdstip van ontvangst. Daarmee is de situatie bedoeld dat de prestatie naar haar aard onvatbaar is voor ongedaanmaking. Daarvan is geen sprake in het geval van de betaling van een geldbedrag. Die prestatie is bij uitstek geschikt om ongedaan te worden gemaakt. Ook als EF reeds kosten heeft gemaakt die niet ongedaan kunnen worden gemaakt, kan dat – ten aanzien van de ongedaanmakingsverbintenis ten aanzien van de prestatie van [eisers] – dus niet tot een ander oordeel leiden.

4.19.

De slotsom van het voorgaande is dat een bedrag van € 12.387,47 terugbetaald moet worden. De vordering onder 1 is toewijsbaar tot dat bedrag.

Schadevergoeding

4.20.

[eisers] stellen dat de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst heeft geleid tot verschillende schadeposten, die dienen te worden vergoed door EF. De rechtbank zal eerst beoordelen of de posten zoals opgenomen onder a tot en met f (zie 3.1 onder 2), samen te vatten als de reis- en verblijfkosten van [kind] en [eiser sub 2] , voor vergoeding in aanmerking komen.

4.21.

Nu een deel van deze kosten reeds was gemaakt voordat het verzuim op 16 september 2018 intrad, geldt ten aanzien van dat deel het volgende. Artikel 6:74 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Ten aanzien van de periode voorafgaande aan het verzuim, waarin [kind] bij [naam 1] was gehuisvest, is sprake van een onherstelbare tekortkoming, omdat zij in die periode niet naar school kon gaan en het verblijf in de woonkamer niet voldeed. EF hoefde ten aanzien van die periode dus niet eerst in verzuim te zijn (zie artikel 6:74 lid 2 BW). De rechtbank zal de gevorderde schade, ingetreden voor en na het verzuim, dus integraal inhoudelijk beoordelen op toewijsbaarheid

4.22.

De kosten van het vliegticket van [kind] terug naar Nederland worden geacht grotendeels te zijn vergoed door terugbetaling van het bedrag van € 12.387,47, in welk bedrag die kosten zijn verdisconteerd. Voor het deel dat wel toewijsbaar zou zijn, geldt dat niet is gesteld wat de specifieke kosten waren van het retourticket van [kind] . Er is slechts een totaalpost ‘vliegtickets’ opgenomen waar ook de kosten van het ticket van [eiser sub 2] onder vallen. Deze post is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

4.23.

De overige schadeposten komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge artikel 6:98 BW komt slechts voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van de gebeurtenis kan worden toegerekend. EF betoogt dat het de eigen keuze is geweest van [eisers] dat [eiser sub 2] naar de Verenigde Staten is afgereisd om haar dochter te bezoeken. In deze zaak betreft de aard van de aansprakelijkheid de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tussen [eisers] en EF en niet – bijvoorbeeld – uit onrechtmatige daad. De aard van de schade betreft vermogensschade (gemaakte reiskosten en gederfde inkomsten). Deze factoren nopen niet tot een ruime toerekening van schade.

4.24.

Daarbij was voor EF in redelijkheid niet voorzienbaar dat de tekortkoming ertoe zou leiden dat [eiser sub 2] reeds zo snel naar de Verenigde Staten zou afreizen. Weliswaar hebben de ouders de zorg over hun minderjarige in het buitenland in handen gegeven van EF, waardoor een tekortkoming in de nakoming eerder zal kunnen leiden tot ingrijpen van de ouders met bijkomende kosten van dien. Echter, in dit geval waren de omstandigheden op het moment van afreizen (twee à drie dagen na aankomst bij [naam 1] ), mede gelet op de leeftijd van [kind] (17 jaar, bijna 18 jaar), niet dusdanig ernstig dat de kosten van het overkomen van één van de ouders aan EF moeten worden toegerekend. Het is, hoewel in de gegeven omstandigheden invoelbaar, de zelfstandige en vrije beslissing van [eisers] geweest om [eiser sub 2] naar de Verenigde Staten te laten reizen. Gelet op de causaliteitsmaatstaf uit artikel 6:98 BW en voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.25.

[eisers] hebben hun kale stelling dat [kind] een jaar ‘heeft verloren’ en zodoende per maand € 1.500 schade heeft geleden, tegenover de betwisting van EF niet nader concreet toegelicht. Zo hebben [eisers] geen zicht gegeven op de verdere activiteiten van [kind] na terugkomst in Nederland, noch hoe en in hoeverre de wanprestatie ertoe heeft geleid dat de kansen van [kind] op de arbeidsmarkt negatief zijn beïnvloed. [eisers] hebben niet aan hun stelplicht voldaan zodat het ter zake hiervan gevorderde bedrag (zie 3.1 onder 2, de posten g en h) zal worden afgewezen.

Proces- en nakosten

4.26.

EF zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 102,80

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 2.083,80

4.27.

De nakosten worden ambtshalve als volgt toegewezen.

in reconventie

4.28.

De kern van het geschil in reconventie betreft de vraag of [eisers] onrechtmatig jegens EF hebben gehandeld door via televisie en internet negatieve uitlatingen te doen over EF. EF heeft aan het door haar gestelde onrechtmatig handelen door [eisers] onder meer ten grondslag gelegd dat [eisers] de media hebben opgezocht, te weten het televisieprogramma [naam programma] en de publicatie van het in dat programma door [kind] gegeven interview op de Facebookpagina van [naam pagina 1] . Bij gebreke van concrete verwijten over hetgeen daarin naar voren is gebracht, kan de rechtbank ten aanzien van dit interview niet beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen. Het lag op de weg van EF om te stellen welke specifieke uitspraken van [kind] / [eisers] in [naam programma] en op ‘ [naam pagina 1] ’ als onrechtmatig handelen moeten worden gekwalificeerd. Dat heeft zij niet gedaan. Het enkele feit dat het interview en de publicatie van het interview op Facebook tot negatieve reacties van derden hebben geleid, kan – zeker nu over de inhoud van het interview niets is gesteld – [eisers] niet worden aangerekend.

4.29.

EF stelt daarnaast dat [eisers] op hun eigen Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’ onrechtmatige uitlatingen hebben gedaan over EF. Zij heeft daarbij een reeks uitlatingen met negatieve toonzetting opgesomd. Bij de beantwoording van de vraag of [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld staat voorop dat op grond van artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een ieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting. De vorderingen zoals ingesteld door EF vormen een beperking van dit recht. Of een dergelijke beperking is toegelaten, dient te worden beoordeeld aan de hand van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM, dat bepaalt dat onder omstandigheden aan het recht op vrijheid van meningsuiting beperkingen mogen worden gesteld. Volgens dit artikellid mag het recht op vrijheid van meningsuiting slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.

4.30.

Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [eisers] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. De vraag of de uitlatingen onrechtmatig zijn ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de eer en goede naam. Voor het antwoord op de vraag welk recht in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van EF is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan beweringen die haar eer en goede naam aantasten. Dat recht vindt erkenning in artikel 8 lid 1 van het EVRM. Het belang van [eisers] is erin gelegen dat zij in het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting in het openbaar kritisch mogen zijn en door haar beweerde misstanden door EF in de zorg voor minderjarigen ter sprake mogen brengen. Welk van voornoemde belangen de doorslag geeft, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de vraag of de uitlating een bijdrage levert aan een debat dat in de belangstelling staat, of sprake is van een feitelijk bericht of van een waarde-oordeel, de inhoud en de vorm van de uitlating en de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.31.

Tegen voornoemde achtergrond acht de rechtbank de volgende uitlatingen, dan wel uitlatingen met een soortgelijke strekking, op de Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’ niet onrechtmatig:

- de oproep om negatieve ervaringen met EF te delen zodat ‘voorkomen kan worden dat andere kinderen hetzelfde ervaren’,

- de kenschetsing van EF als een organisatie die zich niet bekommert om het welzijn van kinderen, en

- de uitlating dat ‘EF financieel gewin boven maatschappelijk verantwoord ondernemen stelt en zich niet druk maakt over het welzijn van jonge kinderen’.

4.32.

[eisers] hebben beoogd een maatschappelijke discussie op gang te brengen. EF moet als bedrijf en aanbieder van taalreizen tot op zekere hoogte dulden dat haar handelen publiekelijk aan de kaak wordt gesteld, meer dan een particulier/privépersoon dat zal moeten toelaten. De bewuste uitlatingen zijn getoonzet als waarde-oordelen. Waardeoordelen zijn in beginsel vrij. Uit de context van de uitlatingen kan worden afgeleid dat de uitlatingen de persoonlijke beleving van [eisers] weergeven en de gemiddelde lezer zal dat ook in die zin hebben opgevat. Daarmee kan niet worden gezegd dat de uitlatingen geen enkele basis hebben en daarom onrechtmatig zijn. Alle omstandigheden in aanmerking genomen prevaleert in dit geval het recht van [eisers] op vrijheid van meningsuiting.

4.33.

Dat ligt anders met betrekking tot de uitlating ‘Leugens, intimidatie en stalking van EF met telefoontjes naar [kind] waren het gevolg met als dieptepunt overplaatsing naar het (gescreende???) huis van de IEC wat je in het filmpje kan zien’. In het bijzonder de zinsnede ‘Leugens, intimidatie en stalking’ bevat ernstige beschuldigingen aan het adres van EF. [eisers] hebben het recht om hun onvrede over hun ervaringen met EF in het openbaar uit te spreken, echter dit recht vindt begrenzing waar het ernstige beschuldigingen betreft waarvoor geen steun is te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Voor de aantijging dat EF zich schuldig heeft gemaakt aan intimidatie en stalking zijn in deze procedure geen feiten komen vast te staan die daarvoor onderbouwing bieden. [eisers] hebben die aantijgingen echter wel publiekelijk naar voren gebracht. De rechtbank komt tot de conclusie dat deze uitlating onnodig grievend is en daarmee de eer en goede naam van EF aantast. Het recht op bescherming van de eer en goede naam van EF weegt in dit geval zwaarder dan het recht op vrije meningsuiting van [eisers] Dat brengt met zich dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [eisers] , enkel ten aanzien van voornoemde uitlating, onrechtmatig hebben gehandeld jegens EF. [eisers] zullen ertoe worden veroordeeld de uitlating te verwijderen en iedere verspreiding te staken en gestaakt te houden. De vordering onder 3 is in zoverre toewijsbaar. De gevorderde dwangsom zal als volgt worden beperkt en gemaximeerd.

4.34.

De vordering onder 3 wordt voor het overige afgewezen. De rechtbank acht een veroordeling om ‘alle negatieve uitlatingen die [eisers] op enige website hebben geplaatst te verwijderen en verdere verspreiding van negatieve berichten te staken en gestaakt te houden’ te algemeen en te ruim omschreven en daarmee een te grote beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van [eisers]

4.35.

EF heeft vergoeding van schade, op te maken bij staat, gevorderd. In beginsel zijn [eisers] aansprakelijk voor de ten gevolge van de onrechtmatige publicatie geleden schade. EF stelt dat zij aanzienlijk gezichtsverlies heeft geleden en klanten heeft verloren als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen.

4.36.

De vordering betreft een vordering in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde (…) in zijn eer of goede naam is geschaad (…)”. De rechtbank zal geen verwijzing naar de schadestaatprocedure uitspreken, omdat de rechtbank de hoogte van de schade nu reeds kan begroten. Nu die schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, in dit geval omdat het ondoenlijk is om het effect van één onrechtmatige uitlating in een geheel van verder niet als onrechtmatig te bestempelen uitlatingen te bepalen, wordt de hoogte van de schade geschat.

4.37.

De rechtbank acht de impact van de betreffende uitlating niet verreikend. Niet is gesteld of gebleken dat de Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’ een groot publiek heeft bereikt. Verder is de uitlating gedaan in een reactie (van [eisers] ) op een reactie van een derde, zodat aangenomen moet worden dat het bereik van deze reactie kleiner is dan die van de hoofdberichten op de Facebookpagina. Daar staat tegenover dat de uitlating publiekelijk is gedaan, dat de Facebookpagina wel is bekeken door derden en dat het waarschijnlijk is dat EF hierdoor enige reputatieschade heeft geleden en in enige mate in haar ondernemerschap is geraakt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een schadevergoeding van € 500,00 passend. [eisers] zullen worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan EF.

4.38.

EF vordert veroordeling van [eisers] in de werkelijke proceskosten. Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente gegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Aan voornoemd criterium is, nu in reconventie EF de eisende partij is en niet [eisers] , niet voldaan.

4.39.

Nu beide partijen in reconventie over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in reconventie te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt EF om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 12.387,47 (twaalf duizend driehonderdenzevenentachtig euro en zevenenveertig cent),

5.2.

veroordeelt EF in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.083,80 (tweeduizend drieëntachtig euro en tachtig cent),

5.3.

veroordeelt EF in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat EF niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

verklaart voor recht dat [eisers] onrechtmatig jegens EF hebben gehandeld door de uitlating ‘Leugens, intimidatie en stalking van EF met telefoontjes naar [kind] waren het gevolg met als dieptepunt overplaatsing naar het (gescreende???) huis van de IEC wat je in het filmpje kan zien’ op de Facebookpagina ‘ [naam pagina 2] ’ te plaatsen,

5.7.

veroordeelt [eisers] om binnen drie werkdagen na de betekening van dit vonnis de onder 5.6. genoemde uitlating te verwijderen en verspreiding daarvan te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 (vijfhonderd euro) voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [eisers] aan deze veroordeling niet voldoen tot een maximum van € 10.000,00 (tienduizend euro) is bereikt;

5.8.

veroordeelt [eisers] om aan EF een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) te betalen,

5.9.

verklaart de veroordelingen in reconventie onder 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Zaagsma, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.