Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7564

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
AMS 19/2062
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft het verzoek om planschade terecht afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat de woonarken niet duurzaam met de bodem of de oever zijn verenigd en derhalve geen onroerende zaak in de zin van artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zijn. Bovendien staat eiser in de basisregistratie kadaster niet vermeld als eigenaar van de bij de woonarken gelegen tuinen en opstallen, zodat voor de door eiser gestelde planschade niet op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een tegemoetkoming kan worden toegekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Looij).

Partijen worden hierna [eiser 1] en het college genoemd.

Procesverloop

Met het besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van [eiser 1] om vergoeding van planschade afgewezen.

Met het besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser 1] ongegrond verklaard.

[eiser 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 oktober 2019. [eiser 1] was aanwezig en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en N.A.E. van Offeren, beiden juristen bij de gemeente.

Inleiding

1. [eiser 1] is eigenaar van de woonarken gelegen aan het begin (het noordelijke stuk) van [adres] in Amsterdam.

2. [eiser 1] heeft een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in de planschade die hij stelt te hebben geleden door de inwerkingtreding van drie ruimtelijke besluiten, namelijk [bestemmingsplan] 2e fase; [uitwerkingsplan] tweede fase, weststrook noord; [bestemmingsplan Zone] , en de [Visie] . Daartoe heeft hij aangevoerd dat de nieuwe plannen het mogelijk hebben gemaakt op een nabij de ligplaatsen gelegen terrein hoogbouw en een brug te realiseren. Dit heeft de waarde van zijn woonarken en naastgelegen tuinen en opstallen aan de oever verminderd.

3. Het college heeft het verzoek van [eiser 1] afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat de woonarken niet duurzaam met de bodem of de oever zijn verenigd en derhalve geen onroerende zaak in de zin van artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn.1 Bovendien staat [eiser 1] in de basisregistratie kadaster niet vermeld als eigenaar van de bij de woonarken gelegen tuinen en opstallen, zodat voor de door [eiser 1] gestelde planschade niet op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een tegemoetkoming kan worden toegekend. Het college heeft deze beslissing na bezwaar in stand gelaten. Voor de motivering heeft het college verwezen naar een advies van de bezwaarschriftencommissie van 25 maart 2019.

4. De rechtbank zal in het hiernavolgende beoordelen of het college de aanvraag van [eiser 1] terecht heeft afgewezen.

Beoordeling van het beroep

5. In beroep betoogt [eiser 1] dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn woonarken geen onroerende zaken zijn. Daartoe voert hij aan dat zijn woonarken met stalen beugels aan de meerpalen zijn vastgelegd en met kettingen aan de wal. Zijn woonarken zijn dan ook naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De kans dat zijn woonarken daadwerkelijk worden verplaatst, is zeer gering en vergt veel moeite, aldus [eiser 1] . Dit standpunt wordt volgens hem ook ondersteund door recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin woonboten worden aangemerkt als bouwwerken in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

6. De rechtbank geeft [eiser 1] daarin geen gelijk. Een verzoek om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, wordt ingewilligd indien sprake is van een waardedrukkend effect op een onroerende zaak wegens de ruimtelijke gevolgen en van de daarvan objectief te verwachten overlast. In de Wro is geen definitie gegeven van een onroerende zaak. Het college heeft voor de uitleg van dat begrip terecht verwezen naar artikel 3:3 van het BW en in aansluiting daarop naar de jurisprudentie van de Hoge Raad.2 Op grond van de stukken, in het bijzonder de toelichting van [eiser 1] tijdens de hoorzitting, de foto’s van de woonarken en de nadere toelichting van [eiser 1] ter zitting, stelt de rechtbank vast dat de woonarken van [eiser 1] niet duurzaam met de grond zijn verenigd. De woonarken zijn verplaatsbaar, indien de verbindingen afgekoppeld worden. Dat de afkoppeling van de meerpalen slechts met de nodige moeite gepaard zal kunnen gaan en, volgens [eiser 1] , wel een week in beslag neemt en het de bedoeling is (geweest) om langdurig ligplaats in te nemen, leidt niet tot het oordeel dat zijn woonarken onroerende zaken zijn. Beslissend is dat de woonarken niet duurzaam met de bodem of de oever zijn verenigd.3 Dat de woonarken van [eiser 1] positief zijn bestemd en voor de toepassing van de Wabo worden aangemerkt als een bouwwerk4 doet daaraan niet af. In het onderhavige geval ligt niet een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor maar een aanvraag in het kader van de Wro.

7. Ter zitting heeft [eiser 1] nog aangevoerd dat woonarken gelijk zijn aan woonhuizen die met de bodem zijn verenigd. Ook woonarken kunnen immers schade leiden door planologische ontwikkelingen, zodat het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken niet op een objectieve en redelijke rechtvaardiging is gebaseerd.

8. De rechtbank geeft [eiser 1] ook op dit punt geen gelijk. Daargelaten of woonarken gelijk zijn aan de met de bodem verenigde woonhuizen, bestaat voor het bij de wet gemaakte onderscheid tussen roerende en onroerende zaken, gelet op het doel van de planschaderegeling, een objectieve en redelijke rechtvaardiging.5 Anders dan een onroerende zaak, kan een roerende zaak, zoals een woonark, buiten de invloedssfeer van de planologische ontwikkeling worden verplaatst, zodat die ontwikkeling geen betekenis meer heeft voor de waarde van de betrokken roerende zaak. Indien geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de betrokken roerende zaak wordt verplaatst, zou dat ertoe kunnen leiden dat de aanvrager een vergoeding ontvangt voor schade, die hij, nadat hij de betrokken roerende zaak heeft verplaatst, niet lijdt.

9. [eiser 1] voert ten slotte aan dat hij door verkrijgende verjaring (als bedoeld in artikel 3:99 BW) eigenaar is geworden van de tuinen en opstallen aan de oever, zodat hij ten aanzien van die zaken in aanmerking moet worden gebracht voor een tegemoetkoming in de door hem geleden planschade. Het college betwist dit standpunt door zich op de kadastrale gegevens te beroepen. De enkele stelling dat [eiser 1] eigenaar is geworden door verjaring acht de rechtbank onvoldoende om voorbij te gaan aan de kadastrale gegevens die in geding zijn gebracht waarop staat vermeld dat de gemeente eigenaar is van de tuinen en opstallen.

10. Het voorgaande betekent dat het college het verzoek om vergoeding van planschade terecht heeft afgewezen.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. [eiser 1] krijgt dus geen gelijk.

12. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gayir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2015, ECLI:NL:HR:2010:BK9136.

2 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:32.

3 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:32.

4 Ingevolge de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet verduidelijking voorschriften woonboten (Stb. 2017, 32).

5 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:32.