Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7552

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
C/13/663815 / KG ZA 19-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen gebiedsverbod, wel een contactverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/663815 / KG ZA 19-300 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 20 september 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

4. [eiser sub 4],

5. [eiser sub 5],

6. [eiser sub 6],

7. [eiser sub 7],

allen wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 2 april 2019,

advocaat mr. S.E. de Vries te Hoofddorp,

tegen

[gedaagde] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.J. de Groot te Haarlem.

Eisers sub I tot en met sub III zullen hierna ook [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [eiser sub 3] worden genoemd en gedaagde [gedaagde] .

1 De procedure

Ter zitting van 12 april 2019 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht en eisers daarnaast producties.

Na verder debat is bepaald dat eisers tot uiterlijk 16 mei 2019 in de gelegenheid worden gesteld hun vorderingen met nadere stukken te onderbouwen en meer informatie te verschaffen over de invulling van de aan [gedaagde] opgelegde ISD-maatregel. Daarop hebben eisers zich schriftelijk uitgelaten op 14 mei 2019 en [gedaagde] op 15 mei 2019 met overlegging van een productie. Vervolgens hebben eisers op 16 mei 2019 nadere stukken in het geding gebracht. Aan de hand van de overgelegde stukken is vervolgens een zitting bepaald op 15 juli 2019, die na verplaatsing is gehouden op 20 augustus 2019. Voorafgaand aan deze zitting hebben partijen nog nadere stukken in het geding gebracht. Ter zitting hebben eisers hun eis gewijzigd en hebben partijen een pleitnota in het geding gebracht. Na de behandeling ter zitting is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen alsnog tot een regeling te komen. Met e-mails van 2 september 2019 hebben de advocaten van partijen verzocht vonnis te wijzen. Daarna is vonnis bepaald op vandaag.


Ter zitting van 12 april 2019 en 20 augustus 2019 waren aanwezig:

aan de zijde van eisers: [eiser sub 1] met mr. De Vries,

aan de zijde van [gedaagde] : mr. De Groot.

Verder waren op 20 augustus 2019 aanwezig: [naam 1] en [naam 2] , respectievelijk jeugdbeschermer en medewerker bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 3] en [gedaagde] zijn ex-partners en hebben samen drie kinderen:

- [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,

- [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014 en

- [kind 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015.

2.2.

[gedaagde] heeft [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] erkend. [eiser sub 1] heeft het ouderlijk gezag over de kinderen die thans (weer) bij haar hun hoofdverblijf hebben.

2.3.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de ouders van [eiser sub 3] en de groot- en pleegouders van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] .

2.4.

Bij verstekvonnissen van 24 augustus 2017 en 23 februari 2018 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn aan [gedaagde] , kort gezegd, straat- en contactverboden opgelegd, die thans zijn verlopen.

2.5.

Bij vonnis van 7 januari 2019 van deze rechtbank is [gedaagde] schuldig bevonden aan diefstal met geweld in vereniging en is aan hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar opgelegd. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is ingegaan op 22 januari 2019 en zal eindigen op 21 januari 2021.

2.6.

Bij vonnis van 2 juli 2019 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank onder meer bewezen geacht dat [gedaagde] :

- in de periode van 7 september 2017 tot en met 21 september 2017 [eiser sub 3] meermalen via berichten naar haar mobiele telefoonnummer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- in de periode 1 juli 2017 tot en met 21 september 2017 wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 3] door het sturen van sms- en WhatsApp berichten en het haar telefonisch benaderen;

- in de periode 15 augustus 2017 tot en met november 2017 opzettelijke de eer en goede naam van [eiser sub 3] heeft aangerand door op Facebook de suggestie te wekken dat zij in de prostitutie zou werken;

- in de periode van 10 mei 2017 tot en met 28 juli 2017 [eiser sub 3] heeft mishandeld door haar te duwen waardoor zij tegen een deurpost ten val is gekomen.

In het vonnis is overwogen dat deze strafbare feiten normaliter een behoorlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Verder is overwogen dat alle bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd voor de oplegging van de ISD-maatregel op 7 januari 2019 en dat als de strafzaken gelijktijdig waren behandeld, de rechtbank op 7 januari 2019 geen andere beslissing zou hebben genomen dan het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank heeft daarom in het vonnis van 2 juli 2019 geen straf of maatregel opgelegd aan [gedaagde] . Tot slot achtte de rechtbank de noodzaak van een contactverbod met [eiser sub 3] niet voldoende gebleken, omdat de bewezenverklaarde feiten zich bijna twee jaren geleden hebben voorgedaan, er geen indicaties zijn dat nog sprake is van een dreiging dat [gedaagde] ongewenst contact zal opnemen met [eiser sub 3] en de ISD-maatregel nog ruim anderhalf jaar zal duren.

2.7.

[gedaagde] heeft een document getiteld ‘Verblijfsplan ISD’ van 15 april 2019 in het geding gebracht. Daarin staat dat een klinisch traject voor [gedaagde] het meest passend is, omdat een ambulant traject onvoldoende veiligheid biedt richting het systeem en, nu de recidiverisco’s onbehandeld zijn, onveranderd risicovol is.

2.8.

In een verklaring van 16 mei 2019 van een medewerker van kinderopvang De Kleine Wereld, staat onder meer het volgende:

(…) Wij waren die dag (28 augustus 2018, vzr) tijdens een uitstapje (in de vakantie) met de BSO kinderen naar de speeltuin in het [locatie speeltuin] . In de wandeling daar naar toe liep de vader van [kind 2] ook in het park, over hetzelfde paadje in tegengestelde richting. Toen vader in de gaten kreeg dat [kind 2] bij ons was, ging hij op afstand door zijn knieën, hij zei hallo en draaide zich om en liep weg. (…) Dit is de eerste en laatste keer dat wij de vader van [kind 2] hebben gezien. (…)”.

2.9.

In een voortgangsrapportage van de jeugdbeschermer bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: LJ&R) van mei 2019 staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) De heer [gedaagde] was een is nog steeds onvoorspelbaar gezien zijn eigen problematiek en patroon van ernstige verslaving. Het ontbreekt vader aan zelfinzicht en het vermogen zich te kunnen verplaatsen in de ander, of in zijn kinderen. Ook staat vader niet echt open en is niet intrinsiek gemotiveerd om mee te werken aan een klinische traject nu hij geplaatst is binnen een ISD traject in [instelling] .

De beschikbaarheid en de onveiligheid die de heer [gedaagde] met zich meebrengt blijven voor het LJ&R een groot punt van zorg voor de veiligheid van moeder, haar kinderen en haar familie, Vader laat zich (in telefonische gesprekken met de jeugdbeschermer en tijdens een bezoek aan vader in de [instelling] meerdere malen verbaal agressief uit naar moeder en haar vader, opa (mz). Ook nu meneer [gedaagde] in een ISD traject zit tot 2021.

De heer [gedaagde] heeft genoemd tegen de jeugdbeschermer tijdens een gesprek binnen de [instelling] de voorkeur te hebben voor een ambulant traject i.p.v. een klinische traject. De heer [gedaagde] heeft een lange lijst van overtredingen van contact- en gebiedsverboden.

Het open staan voor therapie en behandeling met positief resultaat is voor het LJ&R een harde voorwaarde om te willen meewerken aan contact herstel- opbouw tussen de heer [gedaagde] en de kinderen. Zonder intensieve behandeling werkt het LJ&R niet mee aan contact met de kinderen. (…)

Gezien bovenstaande verzoekt het LJ&R Jeugdbescherming uw rechtbank dringend de gevraagde verzoeken over contact- en gebiedsverboden te verlengen en uit te breiden als gevraagd. Dit om de veiligheid voor moeder en haar drie kinderen en ook de veiligheid van opa (mz) en de rest van de familie te borgen, te vergroten. De ongewenste aanwezigheid van de heer [gedaagde] heeft in het verleden grote onveiligheid en angstgevoelens veroorzaakt. Vader, de heer [gedaagde] staat bij de politie al 10 jaar bekend als een zwaar drugsverslaafde persoon met en lange hulpverleningsgeschiedenis en bekend om zijn zorg vermijdend gedrag.”.

2.10.

In een e-mail van de GZ psycholoog van de [instelling] van 29 juli 2019 staat dat [instelling] voornemens is [gedaagde] aan te melden voor plaatsing in een kliniek.

2.11.

In een door de jeugdbeschermer opgesteld veiligheidsplan van augustus 2019 staat, voor zover van belang, het volgende:

“ (…) Het is onduidelijk hoe het ISD traject verloopt. De heer [gedaagde] weigert de jeugdbeschermer hierover te informeren. Op deze manier kan de het LJ&R geen reële inschatting maken over de veiligheid voor moeder en haar kinderen.”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] vordert, na wijziging van eis, samengevat:

I. het gebieds- en contactverbod dat aan [gedaagde] bij vonnis van 24 augustus 2017 en uitgebreid bij vonnis van 23 februari 2018 door de voorzieningenrechter van de deze rechtbank is opgelegd te verlengen met een periode van één jaar, althans een in goede justitie vast te stellen termijn;

II. [gedaagde] te verbieden om zich gedurende een periode van één jaar na het wijzen van dit vonnis, althans gedurende een in goede justitie vast te stellen periode, zich te bevinden en/of te begeven binnen het gebied zoals gemarkeerd in productie 3, productie 4 en geheel Amsterdam-Noord;

III. eisers te machtigen dit vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, onder bepaling dat eisers de kosten die zij in verband met de eventuele tenuitvoerlegging verschuldigd zijn, op gedaagde kunnen verhalen;

IV. te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een straat- en contactverbod vormen een inbreuk op het aan een ieder toekomende recht om zich vrijelijk te verplaatsen en te communiceren. Voor het toewijzen van deze ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.2.

[gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, omdat hij tot 7 januari 2021 in detentie zal doorbrengen.

4.3.

Ten aanzien van het gevorderde straatverbod wordt geoordeeld dat eisers geen spoedeisend belang hebben. Enerzijds omdat [gedaagde] thans in detentie verblijft in een intramuraal regime. Weliswaar kan in de intramurale fase (begeleid) verlof worden verleend, maar dit wordt pas toegekend als [gedaagde] de benodigde vooruitgang boekt. Bovendien kan de directeur van de penitentiaire inrichting/ kliniek de nodige voorwaarden verbinden aan het verlof. Anderzijds speelt mee dat [gedaagde] het laatste gebiedsverbod – naar het zich laat aanzien – niet bewust heeft overtreden. Hij is één keer toevallig tijdens een schooluitje [kind 2] in het [locatie speeltuin] tegengekomen. [gedaagde] heeft zich toen netjes gedragen; hij heeft van een afstandje ‘hallo’ gezegd en heeft zich vervolgens omgedraaid en is weggelopen. Voorshands is het daarom niet voldoende duidelijk dat het schadelijk is voor een van de kinderen om hem toevallig tegen te komen. Dat [gedaagde] , voordat hij in detentie is gegaan, [eiser sub 3] of een van de kinderen bewust heeft opgezocht hebben eisers onvoldoende onderbouwd, en is ook niet gebleken. Het verzoek van de jeugdbeschermer om het gebiedsverbod toe te wijzen, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Hij heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom de veiligheid in het geding is, mede in het licht van het feit dat [gedaagde] in detentie verblijft en opgenomen zal worden in een kliniek voor (verdere) behandeling.

4.4.

De advocaat van [gedaagde] heeft ter zitting bepleit dat eisers niet bang hoeven te zijn dat [gedaagde] voornemens is [eiser sub 3] of zijn kinderen op te zoeken als hij met verlof mag. Het is evenwel begrijpelijk dat eisers het minst genomen ‘ongemakkelijk’ vinden dat zij niet weten of en wanneer [gedaagde] ‘buiten’ komt en dat zij door die onzekerheid, in het licht van wat er in het verleden is gebeurd (zie het onder 2.6 aangehaalde vonnis), angstig blijven. Uit het Verblijfsplan ISD van 15 april 2019 en uit het verslag van de jeugdbeschermer naar aanleiding van recente contacten met [gedaagde] blijkt immers dat er risico op recidive is en dat [gedaagde] door zijn (verslavings)problematiek onvoorspelbaar gedrag vertoont. Deze angstgevoelens, hoe begrijpelijk ook, zijn echter onvoldoende om zoiets verstrekkends als een straatverbod op te leggen. [gedaagde] wordt meegegeven dat hij er goed aan doet om, voor zover redelijkerwijs mogelijk, via zijn advocaat of de jeugdbeschermer, [eiser sub 3] te informeren wanneer hij op onbegeleid verlof mag (onder vermelding van de datum en duur van het verlof) en wanneer hij in vrijheid wordt gesteld. Indien [gedaagde] dit kan toezeggen, mag worden aangenomen dat de onzekerheid bij eisers wordt weggenomen.

4.5.

Bij hun vordering tot het opleggen van een contactverbod hebben eisers wel een spoedeisend belang, omdat [gedaagde] vanuit de penitentiaire inrichting/kliniek contact kan opnemen met eisers.

4.6.

In het onder 2.6 aangehaalde vonnis heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank bewezen geacht dat [gedaagde] [eiser sub 3] in 2017 met de dood heeft bedreigd en heeft mishandeld. Hoewel inmiddels meer dan twee jaren zijn vestreken en [gedaagde] al geruime tijd geen contact meer heeft gezocht met [eiser sub 3] , vormen de hiervoor genoemde angstgevoelens voldoende grond voor het opleggen van een contactverbod jegens [eiser sub 3] . Gelet op de zeer slechte verstandhouding tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en [gedaagde] anderzijds en gelet op de verklaring van de jeugdbeschermer (zie 2.9), waarin staat dat [gedaagde] zich verbaal agressief heeft geuit jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , bestaat er voldoende grond ook een contactverbod jegens hen op te leggen. Hoewel [gedaagde] bij monde van zijn advocaat heeft verklaard dat omgang en contact met de kinderen nu helemaal niet aan de orde zijn, en dus contact tussen partijen ook helemaal nog niet nodig is, belemmert het contactverbod hem niet ernstig in zijn sociale en maatschappelijke leven, zodat de belangen van [eiser sub 3] , [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zwaarder wegen en het op te leggen contactverbod gerechtvaardigd is.

4.7.

Het middel van de sterke arm leent zich niet voor handhaving van het contactverbod en zal daarom worden afgewezen. Hoewel [gedaagde] ter zitting bij monde van zijn advocaat heeft laten weten dat hij niet voornemens is contact te zoeken, zal aan het contactverbod een dwangsom worden verbonden als na te melden.

4.8.

Tegen [gedaagde] is geen contactverbod met zijn kinderen gevorderd. [eiser sub 3] heeft te kennen gegeven in principe niet tegen contact en omgang tussen [gedaagde] en de kinderen te zijn, op voorwaarde dat de kinderen dit zelf willen en [gedaagde] volledig clean is. Voor zover er contact en omgang tussen de kinderen en [gedaagde] kan worden opgebouwd, kan de daartoe noodzakelijke communicatie verlopen via de jeugdbeschermer, die zich daartoe ter zitting bereid heeft verklaard.

4.9.

[gedaagde] heeft bij monde van zijn advocaat ter zitting kenbaar gemaakt dat [gedaagde] het verdrietig vindt dat hij geen enkel contact meer heeft met zijn kinderen, geen idee heeft hoe het met hen gaat en zelfs geen recente foto’s van de kinderen heeft, waardoor hij zich volledig buitengesloten voelt. [eiser sub 3] wordt meegegeven dat zij er goed aan doet om [gedaagde] , via de jeugdbeschermer, recente foto’s van hun kinderen te sturen en [gedaagde] regelmatig informatie te verstrekken over de kinderen, waaronder de voortgang op school en het kinderdagverblijf, zodat [gedaagde] zich niet zo buiten gesloten voelt.

4.10.

Eisers sub IV tot en met sub VII hebben, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende toegelicht op grond waarvan het door hen gevorderde contact- en gebiedsverbod voor toewijzing in aanmerking zou komen. Hun vorderingen worden daarom afgewezen.

4.11.

Gelet op de familierechtelijke band tussen partijen worden de proceskosten tussen hen verrekend in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] gedurende één jaar na betekening van dit vonnis – anders dan via zijn advocaat of (de jeugdbeschermer van) LJ&R – persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met [eiser sub 3] , [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 voor iedere overtreding van het onder 5.1 uitgesproken verbod, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

verrekent de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.1

1 type: MvG coll: TF