Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
C/13/671305 / KG ZA 19-897
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executieverkoop mag doorgaan. Recht van parate executie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/671305 / KG ZA 19-897 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 5 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij gelijkluidende dagvaardingen van 26 en 27 augustus 2019,

advocaat mr. Ch.W.A. van Dam te Amsterdam,

tegen

1. de stichting

STICHTING LAURIER,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.P. van Overeem te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABN AMRO HYPOTHEKEN GROEP B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.M. Ewalds te Rosmalen.

Partijen zullen hierna [eiser] , Stichting Laurier en ABN AMRO worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 4 september 2019 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Stichting Laurier en ABN AMRO hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Alle partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 5 september 2019 de beslissing gegeven in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het hierna volgende is de uitwerking daarvan en is afgegeven op 18 september 2019.

Ter zitting waren aanwezig:

[eiser] met mr. Van Dam,

aan de zijde van Stichting Laurier: [naam 1] , [functie] , met mr. Van Overeem,

aan de zijde van ABN AMRO: mr. Ewalds.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is [functie] van [naam bedrijf] . Tussen Stichting Laurier en [naam bedrijf] heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot bedrijfsruimten aan de [pand 1] en de [pand 2] in [plaats] (hierna: de huurovereenkomst).

2.2.

Stichting Laurier heeft op 13 november 2017 conservatoir beslag gelegd op de woning van [eiser] aan de [adres] in [plaats] . ABN AMRO heeft een recht van eerste hypotheek op de woning.

2.3.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 19 juni 2018 van de kantonrechter van deze rechtbank is de huurovereenkomst ontbonden en zijn [eiser] en [naam bedrijf] onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling van

€ 357.781,49 aan huurachterstand, € 349.459,45 aan contractuele rente tot 31 augustus 2017, vermeerderd met nog te vervallen contractuele rente, en € 3.141,32 aan proceskosten. [eiser] en [naam bedrijf] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, maar zij hebben geen memorie van grieven ingediend en het hoger beroep is van de rol gehaald.

2.4.

Na betekening van het vonnis aan [eiser] op 2 juli 2018 is het conservatoire beslag van 13 november 2017 executoriaal geworden. Stichting Laurier heeft het vonnis bij exploot van 6 juli 2018 aan ABN AMRO laten overbetekenen, waarop ABN AMRO Stichting Laurier heeft meegedeeld de executie van de woning over te nemen.

2.5.

[eiser] , [naam bedrijf] , [naam investeringsmij.] , een vennootschap van [eiser] , en Stichting Laurier hebben op 5 december 2018 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij onder meer het volgende zijn overeengekomen:

“(…) De heer [naam 2] in privé en [naam bedrijf] zijn ieder hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Stichting Laurier terzake van huurschuld en bijkomende renten, per 31 november 2018 een bedrag ad (…) (€ 879.934,27). (…)

1. [naam investeringsmij.] zijnde een 100% belang van de heer [naam 2] stelt zich, zonder enig voorbehoud, tot hoofdelijk medeschuldenaar voor de schulden van de heer [naam 2] en [naam bedrijf] en verklaart de bedragen genoemd in deze overeenkomst te beschouwen en erkennen als zijnde haar eigen schuld jegens de schuldenaar.

2. Schuldeiser en schuldenaar komen overeen het bedrag ad (…) (€ 879.934,27) te matigen tot (…) (€ 650.000,00) op voorwaarde dat de schuldenaar volledig voldoet aan de navolgende voorwaarden en stipt nakomt de daaruit voortvloeiende verplichtingen.

3. Schuldenaar betaalt aan de schuldeiser uiterlijk 31 januari 2019 een bedrag groot € 400.000,00;

4. Schuldenaar betaalt aan de schuldeiser ingaande 1 december 2018 een bedrag groot € 1.333,33 per iedere eerste van de maand, (…), als rente ad 4% over € 400.000; (…)

5. Schuldenaar betaalt aan de schuldeiser een bedrag groot € 250.000,00 vermeerderd met 4% rente, te voldoen in zestig (60) maandelijkse termijnen van (…) (€ 4.604,13) (…)

6. De ten behoeve van schuldeiser gelegde beslagen op het woonappartement [adres] blijft gehandhaafd tot het moment waarop de volledige schuld is ingelost.

7. De executie van het appartement [adres] wordt opgeschort tot na 1 februari 2019; indien uiterlijk 31 januari 2019 voornoemd bedrag groot (…) (€400.000) tijdig is voldaan wordt de veiling ingetrokken het beslag blijft evenwel gehandhaafd.

8. Indien op 31 januari 2019 niet (…) (€ 400.000) is betaald, dan vervalt bovenstaande regeling en herleeft de oorspronkelijke vordering (ad € 879.934,27 per 30-11-2018 vermeerderd met de rente vanaf die datum) en wordt de executie van [adres] voortgezet; (…)”.

2.6.

[eiser] heeft het op grond van artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde bedrag van € 400.000,00 niet uiterlijk op 31 januari 2019 betaald aan Stichting Laurier. Aan de verplichtingen tot maandelijkse rentebetalingen en aflossing op de rentevordering heeft hij wel voldaan.

2.7.

In een e-mail van 14 februari 2019 van de advocaat van Stichting Laurier aan de advocaat van [eiser] staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) Vooralsnog is de enkele toezending van een “kredietvoorstel” onvoldoende om de oude regeling te laten herleven. Pas op het moment dat er daadwerkelijk geld beschikbaar is, bestaat er de mogelijk aanleiding om hernieuwde afspraken te maken. (…)

Kort en goed, op het moment dat het duidelijk is dat er echt betaald kan worden zal ik cliënte adviseren om met de nodige welwillendheid te bezien of er wederom een regeling kan worden getroffen. (…)”.

2.8.

Nadien heeft [eiser] meerdere pogingen gedaan om een financiering te krijgen voor de betaling van het bedrag van € 400.000,00 aan Stichting Laurier en heeft hij meerdere betalingsregelingen voorgesteld. Tot betaling van dit bedrag aan Stichting Laurier is het echter niet gekomen, omdat de financiers zich telkens op het laatste moment hebben teruggetrokken. De maandelijkse rentebetalingen en aflossing op de rentevordering is hij wel blijven verrichten.

2.9.

Bij brief van 29 maart 2019 heeft ABN AMRO [eiser] meegedeeld dat zij de totale geldlening opeist, vanwege het executoriale beslag op de woning en een achterstand van € 513,85 en hem verzocht een bedrag van € 273.583,35 te betalen, bij gebreke waarvan de openbare verkoop van de woning wordt aangezegd.

2.10.

Stichting Laurier heeft op 8 mei 2019 een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank waarin zij op grond van 545 lid 1 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht te bepalen dat ABN AMRO binnen twee maanden na betekening van de beschikking diende over te gaan tot openbare verkoop van de woning van [eiser] . Op gezamenlijk verzoek van Stichting Laurier en ABN AMRO is deze procedure aangehouden tot en met 5 september 2019.

2.11.

Bij exploten van 20 mei 2019 is de online executieverkoop van de woning aangezegd tegen 5 september 2019.

2.12.

De dagen voor de zitting hebben [eiser] en Stichting Laurier nog onderhandeld over een oplossing, die er niet is gekomen omdat de financier van [eiser] zich heeft teruggetrokken.

2.13.

De dag voor de zitting heeft [eiser] € 30.000,00 betaald aan Stichting Laurier.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, de geplande executieverkoop van de [adres] in [plaats] op 5 september 2019 af te wijzen, dan wel ABN AMRO en Stichting Laurier te bevelen om met onmiddellijke ingang de executieverkoop te staken en gestaakt te houden, dan wel te schorsen, dan wel op te schorten, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van ABN AMRO en Stichting Laurier in de proceskosten.

3.2.

ABN AMRO en Stichting Laurier voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil waarin het recht van parate executie als bedoeld in artikel 3:268 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) in geschil is, kan staking van de uitvoering worden bevolen, indien niet aan de vereisten voor het uitoefenen van het recht van parate executie is voldaan of indien wordt geoordeeld dat ABN AMRO misbruik maakt van recht. Hiervan kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn, bijvoorbeeld als ABN AMRO geen redelijk te respecteren belang heeft bij de parate executie.

4.2.

Op grond van artikel 3:278 BW heeft de hypotheekhouder het recht om bij voorrang op de andere schuldeisers te worden voldaan uit de opbrengst van een executoriale verkoop. Indien door een derde - in dit geval Stichting Laurier - executoriaal beslag wordt gelegd, is de hypotheekhouder - in dit geval ABN AMRO - bevoegd de executie over te nemen.

4.3.

ABN AMRO heeft onbetwist aangevoerd dat zij op grond van haar algemene voorwaarden de totale geldlening van [eiser] mag opeisen, omdat Stichting Laurier beslag heeft gelegd op de woning. Bij brief van 29 maart 2019 heeft ABN AMRO aan [eiser] meegedeeld dat de totale geldlening vanwege het door Stichting Laurier gelegde beslag en een achterstand in de betalingsverplichting opeisbaar is geworden en hem verzocht de totale schuld van € 273.583,35 te betalen. [eiser] heeft niet aan deze aanmaning voldaan en zal daar zonder de verkoop van de woning ook niet aan kunnen voldoen. ABN AMRO is dan ook bevoegd de executie van Stichting Laurier over te nemen. Omdat Stichting Laurier over een executoriale titel beschikt, had zij, indien ABN AMRO de executie niet van Stichting Laurier zou hebben overgenomen, zelf tot executoriale verkoop van de woning kunnen overgaan (of de bank te dwingen dat te doen middels de onder 2.10 door haar geïnitieerde procedure). Onder deze omstandigheid kan van ABN AMRO niet worden verlangd dat zij afziet van haar bevoegdheid om zelf over te gaan tot executoriale verkoop en ervoor te zorgen dat uit de opbrengst daarvan haar vordering op [eiser] als eerste wordt voldaan. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat ABN AMRO geen misbruik maakt van haar bevoegdheid door het overnemen van de executie van de woning.

4.4.

[eiser] stelt dat Stichting Laurier misbruik van bevoegdheid maakt door ABN AMRO te dwingen de woning executoriaal te verkopen, omdat sprake is van een onevenredige aantasting van zijn belangen. Omdat Stichting Laurier over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis beschikt, geldt het volgende.

4.5.

Voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is slechts plaats, indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn, indien het vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

4.6.

Gesteld noch gebleken is dat het vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Ook is niet gebleken dat de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan. Dat ontruiming aan de zijde van [eiser] mogelijk een noodtoestand zal doen ontstaan omdat hij dan geen woning meer heeft is een omstandigheid waarmee thans in het kader van de belangenafweging marginaal rekening kan worden gehouden.

4.7.

Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van [eiser] bij de verkoop van de woning. Na het wijzen van het vonnis zijn bijna vijftien maanden verstreken. Stichting Laurier heeft [eiser] met de betalingsregeling in de vaststellingsovereenkomst (zie hiervoor onder 2.5) de kans gegeven de vordering voor minder dan het volledige bedrag te voldoen. De belangrijkste verplichting uit de vaststellingsovereenkomst - betaling van € 400.000,00 uiterlijk op 31 januari 2019 - is [eiser] niet nagekomen, waarmee de regeling is komen te vervallen en de volledige vordering weer verschuldigd is geworden. Ook daarna heeft Stichting Laurier [eiser] nog vele malen tevergeefs de kans geboden de vordering te voldoen. Daarbij heeft [eiser] overigens ten onrechte telkens het bedrag van € 400.000,00 als uitgangspunt genomen, omdat, zoals gezegd, de volledige vordering vanaf 1 februari 2019 weer het uitgangspunt diende te zijn. [eiser] is weliswaar in hoger beroep gegaan tegen het vonnis, maar heeft geen grieven ingediend en de procedure is van de rol gehaald. Stichting Laurier heeft een groot belang bij de executoriale verkoop, omdat de woning een aanzienlijke overwaarde vertegenwoordigt en daarmee een niet gering deel van haar vordering kan worden voldaan. Tot slot heeft Stichting Laurier ter zitting aannemelijk gemaakt dat [eiser] geen andere verhaalsobjecten heeft.

4.8.

Bovenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van Stichting Laurier en ABN AMRO.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Stichting Laurier begroot op:

  • -

    € 639,00 aan griffierecht en

  • -

    € 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van ABN AMRO begroot op:

  • -

    € 639,00 aan griffierecht en

  • -

    € 980,00 aan salaris advocaat,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2019.1

1 type: MvG coll: EB