Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
13-751722-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Polen, overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW (zie arrest Hof van Justitie van de EU van 24 mei 2016, Dworczecki).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751722-19

RK nummer: 19/4593
EAB 1

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 april 2019 door de Regional Court in Radom (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 24 september 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 september 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 8 oktober 2019, 11:30 uur en heeft aan de officier van justitie verzocht nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit teneinde te kunnen beoordelen of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan overlevering in de weg staat.

De rechtbank heeft met onmiddellijke ingang de overleveringsdetentie onder voorwaarden geschorst.

Zitting 8 oktober 2019

Op 8 oktober 2019 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, in andere samenstelling het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Gehoord zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie.
De opgeëiste persoon is ook dit keer bijgestaan door een tolk voor de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een cumulative judgement of the District Court in Radom of 13 December 2006 in the case ref. II K 721/05.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon bij boven aangeduid verzamelvonnis opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, drie maanden en twee dagen.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

1. On 29 January 2001 in Radom, acting jointly and in concert with unknown perpetrators, having previously burgled it, the above stole a Seat Toledo car, reg. mark [nummer 1] worth PLN 16,000 to the detriment of [naam 1] ,

2. On 5 February 2001 in Radom, acting jointly and in concert with unknown perpetrators having previously burgled it, the above stole a Fiat Uno car, reg. mark [nummer 2] worth PLN 13,000 to the detriment of [naam 2] in Radom,

3. In the period from 8 September 2002 to 10 September 2002, acting jointly and in concert with other people for private material gain, while threatening a Fiat Uno car, reg. mark [nummer 3] worth PLN 8,000, which had been lost at night of 6/7 September 2002 to the detriment of [naam 3] , the above caused [naam 4] to pay him PLN 3,500.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Om te beoordelen of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan overlevering in de weg staat overweegt de rechtbank als volgt.

In het EAB onder D staat het volgende vermeld:

“No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision in the case ref. II K 721/05”. (…) “The sentenced did not attend the trial during which the cumulative judgment in the case II K 721/05 was issued. However, he was duly informed about the date of the hearing. He was also aware of proceedings pending and sentences covered by the cumulative judgment as since he himself requested that a cumulative judgment be issued, which would cover all his cases. He also knew the content of the cumulative judgment since after it was issued, he requested that the cumulative judgment be suspended, but his request was not considered by the court”.

Bij zijn verhoor door de officier van justitie op 30 juli 2019 heeft de opgeëiste persoon onder meer het volgende verklaard: (…) “mijn moeder had die samenvoeging gevraagd. Ik was het daarmee eens. Het klopt dat ik niet aanwezig was bij de samenvoegingszitting in 2006. Ik weet niet meer of ik voor die zaak een advocaat had. U vraagt mij hoe ik op de hoogte ben geraakt van de uitspraak in die zaak. Ik kreeg een brief. Ik weet niet meer wanneer dit was. Ik heb gevraagd de tenuitvoerlegging op te schorten maar dat is niet gelukt”.

Bij e-mail van 2 augustus 2019 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) Amsterdam de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd:

In section D of the EAW it is mentioned that Mr. [opgeëiste persoon] did not appear at the trial resulting in the decision II K 721/05 issued by the district Court of Radom dated 13 December 2006.

In order to execute the EAW, the Court of Amsterdam needs to establish whether or not the conditions mentioned in Article 4a (1)(a) of Framework Decision 2002/584/JHA were met during the trial which resulted in the aforementioned decision.

Therefore, I would like to request you to answer the following questions.

1. With reference to the cumulative judgement of the District Court of Radom issued on 13 December 2006 (II K 721/05);

- Since Mr. [opgeëiste persoon] DID NOT appear in person at the trial, could you please inform me how it can be established that he was actually aware of the court hearing?

- Could you furthermore inform me if Mr. [opgeëiste persoon] was represented by a legal counsellor at the court hearing to whom he had given a legal mandate?

- Could you indicate in which manner mr. [opgeëiste persoon] has been informed of the cumulative judgement? (has he signed for its receipt and if so on which date?)

- Mr. [opgeëiste persoon] requested the suspension of the execution of the sentence that was a result of this cumulative judgment. Could you please inform me on which date he filed this request? Was this still within the timeframe to file an appeal against the cumulative judgement (which date was the deadline for him to lodge an appeal against the cumulative judgement?)?

Op 14 augustus 2019 zijn deze vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit beantwoord. Door een misverstand was deze brief op de zitting van 24 september 2019 nog niet in het dossier gevoegd.


De antwoorden luiden als volgt:

[opgeëiste persoon] did not appear in person at the trial on 13 December 2006 in the case with file no. II K 721/05 of the District Court in Radom but it was on his initiative (request of 29 November 2005 - date of receipt) that the proceedings pertaining to the issue of an aggregate sentence were being held.
The notice stating the trial date was sent to the correspondence address indicated by him ( [adres] ) and was received by his mother (…) on 24 November 2006. When confirming receipt of the notice stating the date, she committed to hand it over to [opgeëiste persoon] . Such delivery is considered proper in the light of the Polish law (art. 132(2) of the Code of Criminal Procedure). Moreover, it ensues from the community enquiry carried out by the case worker for the purpose of proceedings II K 721/05 that [opgeëiste persoon] did in fact live at the indicated address with his mother (among others).

In proceedings II K 721/05 [opgeëiste persoon] was not represented by a lawyer at the time of pronouncement of the sentence (13 December 2006).

[opgeëiste persoon] was notified of the aggregate sentence passed on 13 December 2006 in an indirect mode - as in the case described above. This means that a copy of the sentence passed against him was sent to the correspondence address indicated by him and was received by his mother (…) on 19 December 2006. When confirming receipt of the sentence, she committed to hand it over to [opgeëiste persoon] .

After the period provided for submitting an appeal against the aggregate sentence (which expired on 20 December 2006 - 7 days from the date of passing the sentence) [opgeëiste persoon] filed a request for respite in the enforcement of the aggregate penalty imposed upon him. On 3 September 2007, the District Court in Radom refused his request and the Regional Court in Radom upheld this decision in its ruling of 9 November 2007.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in het geval dat de overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis en de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW zich niet voordoen, de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Een dergelijke verklaring is niet verstrekt.

Standpunten ter zitting

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan overlevering in de weg staat.

Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat overlevering voor de executie van het verzamelvonnis moet worden geweigerd nu uit de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid en daarvoor ook niet in persoon is gedagvaard of opgeroepen.
Evenmin blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting en een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren.

De rechtbank concludeert dat in het onderhavige geval geen van de in de onderdelen a) tot en met d) van artikel 12 OLW geformuleerde uitzonderingen op de verplichting tot weigering van de overlevering zich voordoet.

Hoewel de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de behandeling ter terechtzitting die heeft geleid tot de onderliggende vonnissen en hoewel hij met betrekking tot het verzamelvonnis een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging heeft ingediend – waaruit de conclusie getrokken moet worden dat hij op enig moment op de hoogte is gekomen van de inhoud van het verzamelvonnis – kan deze conclusie niet tot het achterwege laten van weigering van de overlevering leiden. Waar de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ de uitvoerende justitiële autoriteit de ruimte biedt om de handelwijze van de betrokkene in aanmerking te nemen (zie punt 51 van het arrest van het Hof van Justitie), heeft de Nederlandse wetgever bewust gekozen voor een dwingende implementatie van die bepaling.

Gelet op de dwingende formulering laat artikel 12 OLW de overleveringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat zich geen van de – kaderbesluitconform uitgelegde – gevallen van de onderdelen a) tot en met d) voordoet, geen ruimte om af te zien van weigering van de overlevering op basis van omstandigheden als bedoeld in punt 51 van het arrest van het Hof van Justitie. In zoverre gaat artikel 12 OLW dus verder dan waartoe de bescherming van het recht op een eerlijk proces en de eisen van een duidelijke en transparante rechtspraak nopen (vergelijk ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7718).

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 mei 2016, C-108/16 PPU (‘Dworzecki’), ECLI:EU:C:2016:346 zal de rechtbank de overlevering voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, opgelegd bij het verzamelvonnis II K 701/05 moeten weigeren.

5 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

6 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Radom (Polen).

STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 oktober 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.