Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7543

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
C/13/649030 / FA RK 18-3575 en C/13/659131 / FA RK 18-8134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding tussen partijen uitgesproken, verzoek mbt afwikkeling huwelijkse voorwaarden aangehouden in afwachting van onderling overleg partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/649030 / FA RK 18-3575 en C/13/659131 / FA RK 18-8134

Beschikking d.d. 22 mei 2019 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster] ,

volgens de huwelijksakte: [verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.C. van 't Hooft, gevestigd te Laren,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.A. Rispens, gevestigd te Hilversum.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 1 juni 2018;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 16 augustus 2018;

- het F9-formulier van de man met een akte exceptie van onbevoegdheid, ingekomen per fax op 3 april 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 april 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op 1 augustus 2015 te Dummerstorf, Duitsland. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet langer betwist.

2.2.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.2.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.2.4.

De rechtbank is van oordeel dat de duurzame ontwrichting voldoende is komen vast te staan. Het verzoek tot echtscheiding is dan ook toewijsbaar.

2.3.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.3.1.

Partijen hebben bij huwelijkse voorwaarden elke vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen uitgesloten. Zij zijn voorts een finaal verrekenbeding overeengekomen, inhoudende dat – voor zover thans van belang – in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding het vermogen van de echtgenoten wordt verrekend alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Voorts hebben zij een regeling getroffen ten aanzien van de meerwaarde van de woning.

De verzoeken

2.3.2.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man uiterlijk op een door de rechtbank te bepalen datum alle noodzakelijke medewerking dient te verlenen aan de vaststelling van de actuele economische waarde van de woning van de man aan het [adres] (hierna: de woning), vast te stellen door één of meer door de rechtbank aan te wijzen deskundigen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 50.000,-, voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft.

2.3.3.

Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man aan haar dient te voldoen de helft van de meerwaarde als bedoeld in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden van partijen van de woning binnen drie maanden na de einduitspraak in onderhavige procedure dan wel bij (de eerder plaatsvindende) levering van de woning.

2.3.4.

De man heeft zich verweerd tegen deze verzoeken van de vrouw. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd is ten aanzien van de verzoeken van de vrouw. Voorts verzoekt hij haar niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen, althans meer subsidiair te bepalen dat het bedrag waar de vrouw aanspraak op maakt in het kader van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, gematigd moet worden.

2.3.5.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt hij te bepalen dat partijen zullen worden verwezen naar een mediator teneinde in onderling overleg afspraken te maken over één of meer gevolgen van de echtscheiding.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.3.6.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.3.7.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Nu partijen een volgens dit Verdrag geldige keuze hebben uitgebracht voor het Nederlands recht, is dat recht van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.

De beoordeling

2.3.8.

Vast staat dat partijen in artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden een geschillenregeling zijn overeengekomen. Deze regeling luidt als volgt:

“ Artikel 11

GESCHILLENREGELING

1. a. Indien partijen omtrent de uitleg en uitvoering van de in deze overeenkomst vervatte bepalingen niet tot overeenstemming komen, zullen partijen eerst door middel van mediation trachten het geschil tot een oplossing te brengen.

Indien partijen het met betrekking tot de benoeming van de mediator niet eens worden zal de mediator worden aangewezen door de voorzitter van de Vereniging van Mediators in het Notariaat. (…)

2. a. Mocht de mediation mislukken dan zal een voor partijen bindend advies gegeven worden door een onafhankelijke deskundige. Deze zal worden benoemd door partijen in onderling overleg en bij geschil door de kantonrechter, binnen wiens ressort de laatste gemeenschappelijke woonplaats van partijen dan wel de woonplaats van de meest gerede partij is gelegen. (…)“

2.3.9.

Ter zitting is met partijen besproken de verzoeken ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan te houden in afwachting van bericht van partijen of zij hierover in onderling overleg, al dan niet door middel van mediation, overeenstemming kunnen bereiken. De rechtbank heeft tot op heden niets vernomen van partijen. Om die reden zal de behandeling ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma worden aangehouden als na te melden. Indien de rechtbank niet tijdig voldoende is geïnformeerd, zal de rechtbank de beslissing nemen die haar geraden voorkomt.

2.3.10.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Dummerstorf, Duitsland op

1 augustus 2015;

3.2.

bepaalt dat de behandeling omtrent de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma wordt voortgezet op 24 juni 2019, waarbij partijen de rechtbank uiterlijk 14 juni 2019 schriftelijk dienen te berichten omtrent het onderling overleg en de door hen gewenste voortgang van de procedure;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 22 mei 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..