Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7542

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
13/730006-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, seksuele uitbuiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730006-19 (Promis)

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting “ [naam PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 juli 2019 (pro forma zitting) en 18 september 2019. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 10 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat door de raadsvrouw van verdachte, mr. A. Petrescu, naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 18 september 2019 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie van [naam 1] in de periode van 1 januari 2019 tot en met 3 april 2019 (feit 2);

illegale tewerkstelling van [naam 2] in de periode van 11 februari 2019 tot en met 3 april 2019 (feit 3).

Er staat geen feit 1 op de tenlastelegging.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Met betrekking tot de mensenhandel door uitbuiting van [naam 1] (het onder feit 2 ten laste gelegde), heeft de officier van justitie betoogd dat de aangifte die [naam 1] op 20 mei 2019 heeft gedaan en de verklaring die zij op 4 juli 2019 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Daarnaast zijn er de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] die, samen met WhatsAppberichten in de telefoons van verdachte en [naam 1] , ondersteunend zijn voor die verklaringen en die samen voldoende bewijs leveren voor een bewezenverklaring van mensenhandel door middel van seksuele uitbuiting van aangeefster [naam 1] .

De officier van justitie heeft met betrekking tot de illegale tewerkstelling van [naam 2] (het onder feit 3 ten laste gelegde) betoogd dat [naam 2] , die de Moldavische nationaliteit heeft, niet in Nederland mocht werken, maar dit wel deed. Uit haar verklaringen en die van haar partner [naam 3] blijkt de actieve betrokkenheid van verdachte bij haar werkzaamheden in Nederland en zijn verdiensten daaraan. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [naam 1] , die bevestigt dat verdachte het account van [naam 2] beheerde, en door de foto’s in de laptop van verdachte die gebruikt zijn voor Kinky.nl. Daarmee is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte een illegale vreemdeling arbeid heeft laten verrichten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de mensenhandel door seksuele uitbuiting van [naam 1] (feit 2)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] niet als voldoende betrouwbaar dan wel geloofwaardig kunnen worden aangemerkt. [naam 2] en [naam 3] hadden geld geleend van verdachte en wilden dat niet terugbetalen. Hun verklaringen zijn niet duidelijk en er komt weinig naar voren wanneer doorgevraagd wordt op specifieke details. Ook uit sms-berichten blijkt dat zij niet waarheidsgetrouw verklaren. [naam 1] heeft niet de waarheid verteld toen zij verklaarde nooit eerder in de prostitutie te hebben gewerkt, aangezien uit haar telefoon blijkt dat zij ook in Roemenië als prostituee heeft gewekt. Zij heeft herhaaldelijk andersluidende verklaringen afgelegd. Daarnaast lijkt [naam 1] blijkens haar eigen berichten een zeer geëmancipeerde, uitgekookte vrouw die goed weet wat zij doet en zegt en wat zij daarmee wil bereiken. Gelet hierop kunnen de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] niet voor het bewijs gebezigd worden en moet verdachte vrijgesproken te worden van mensenhandel door middel van seksuele uitbuiting van aangeefster [naam 1] . Mocht de rechtbank anders oordelen, dan was er bij verdachte in ieder geval geen sprake van oogmerk tot uitbuiting en dient ook daarom vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van de illegale tewerkstelling van [naam 2] (feit 3)

De raadsvrouw heeft betoogd dat [naam 2] , als een uit Moldavië afkomstige burger, zich vrij binnen de Europese Unie mocht begeven voor de duur van drie maanden en dat zij Moldavië wel vaker heeft verlaten. [naam 2] en [naam 3] hebben verklaard dat verdachte hun vliegtickets naar Nederland zou hebben betaald, maar het vliegticket waarnaar wordt verwezen, is van een vliegreis tussen Italië en Roemenië. Dit heeft niets met verdachte te maken; [naam 2] werkte in de thuiszorg in Italië. Daarmee staat vast dat de toegang, het verblijf en de doorreis van [naam 2] rechtmatig zijn geweest. Volgens een arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 5 december 2005 kan uit de ratio van artikel 197b Wetboek van Strafrecht (Sr) afgeleid worden dat de wederrechtelijkheid van het verblijf al aanwezig moet zijn ten tijde van de tewerkstelling en komt voor situaties waarin de wederrechtelijkheid als gevolg van het tewerkstellen intreedt, alleen artikel 197a Sr in aanmerking. De wederrechtelijkheid van het verblijf van [naam 2] is pas gaan intreden als gevolg van haar werk als prostituee en verdachte diende dan ook vervolgd te worden voor artikel 197a Sr in plaats van artikel 197b Sr. Daar komt bij dat uit het dossier niet blijkt van enige aanknopingspunt om aan te nemen dat het de bedoeling van verdachte was om [naam 2] in de prostitutie te laten werken. Uitsluitend [naam 2] en [naam 3] verklaren dat [naam 2] in de prostitutie zou hebben gewerkt voor verdachte en dat hij de advertentie voor haar zou hebben gemaakt; enig objectief bewijs hiervoor ontbreekt. Nu nergens uit blijkt dat verdachte [naam 2] te werk zou hebben gesteld, moet verdachte ook om die reden worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van de illegale tewerkstelling van [naam 2] (het onder 3 ten laste gelegde)

De rechtbank overweegt dat artikel 197b Sr het doen verrichten van arbeid door iemand die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, strafbaar stelt. De rechtbank is van oordeel dat er bij [naam 2] geen sprake was van wederrechtelijk toegang of verblijf in Nederland ten tijde van de tewerkstelling, om de redenen die door de raadsvrouw zijn aangevoerd. Daarom wordt niet voldaan aan de eisen die artikel 197b Sr aan de strafwaardigheid stelt. Daar komt bij dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat het de bedoeling was dat [naam 2] in Nederland voor verdachte zou werken. De rechtbank volgt daarom de raadsvrouw en acht, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, niet bewezen wat aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het illegaal tewerkstellen van [naam 2] .

3.3.2

Het oordeel over de mensenhandel door uitbuiting van [naam 1] (het onder 2 ten laste gelegde)

3.3.2.1 Algemene overwegingen

De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af.

[naam 2] heeft op 3 en 4 april 2019 bij de politie verklaard dat verdachte een meisje van achttien jaar oud met rood haar uit Roemenië naar Nederland heeft gehaald om te werken in de prostitutie en daarvoor het paspoort van [naam 2] heeft gebruikt. Dat meisje zou in Nederland werkzaam zijn op Kinky.nl onder de naam [naam 4] en zichzelf voorgesteld hebben als [naam 5] . Het meisje is door haar ouders in Roemenië als vermist opgegeven.

[naam 5] werkte in dezelfde kamer als [naam 2] . Zij hebben een week samen in een hotel gezeten. [naam 5] werkte ook in de escort, soms tot 3:00 à 4:00 uur in de nacht.

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 2] op 18 april 2019 verklaard dat [naam 5] haar een keer huilend had verteld dat zij geld opzij wilde zetten, maar dat verdachte wilde dat zij alles aan hem gaf en tegen haar schreeuwde. [naam 2] heeft zelf gezien dat als [naam 5] 1.000,- euro had verdiend, verdachte haar achterliet met 20,- of 30,- euro.

De vriend van [naam 2] , [naam 3] , heeft op 3 april 2019 ook een verklaring afgelegd en het verhaal van [naam 2] bevestigd. Hij heeft daarbij verteld dat het meisje van achttien jaar [naam 5] heet, maar dat haar naam is verwisseld naar [naam 4] , dat zij Roemeens is en dat hij heeft gezien dat verdachte dagelijks geld van haar afpakte.

De politie heeft via een advertentie van de website Kinky.nl op 3 april 2019 contact opgenomen met dit meisje. Het meisje is aangetroffen in het [naam hotel 1] in Alkmaar . Zij bleek te zijn: [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2000 in Roemenië. [naam 1] heeft aan de politie verteld dat zij op 11 februari 2019 met haar vriend, [verdachte] , naar Nederland is gekomen, met als doel op vakantie te gaan, maar dat zij na een paar dagen in de prostitutie is gaan werken. Haar vriend, verdachte, heeft de advertentie daarvoor gemaakt op een sekssite. Zij heeft verdachte leren kennen in Roemenië toen ze vijftien à zestien jaar oud was en heeft sinds november 2018 een relatie met hem. [naam 1] heeft verklaard dat zij op 14 of 15 februari 2019 voor het eerst is begonnen met prostitutie in hotel [naam hotel 2] . Zij heeft gemiddeld drie tot vier klanten per dag en verdient ongeveer € 400,- tot € 500,- per dag. Zij heeft in totaal ongeveer € 7.000,- verdiend en zelf € 25,- bij zich. Haar vriend past op het geld dat zij verdient en stuurt dit naar Roemenië om een ruimte te betalen voor hun trouwerij. Zij heeft zelf geen beschikking over het geld dat zij in de prostitutie verdient. Zij heeft geen bankrekening en heeft niemand in Nederland. Desgevraagd verklaarde [naam 1] dat zij de persoon op de foto is in de advertentie op de website Kinky.nl die de politie haar liet zien en dat haar werknaam [naam 4] is.

Zij kent [naam 2] via verdachte en weet dat zij in de prostitutie werkt. [naam 3] kent zij als de geliefde van [naam 2] .

De politie heeft twee telefoons van [naam 1] in beslag genomen. Ook is een paarse laptoptas in beslag genomen die [naam 1] bij zich had met daarin onder andere een telefoon en papieren. Deze tas met inhoud was volgens haar van haar vriend.

Desgevraagd geeft [naam 1] in deze verklaring aan dat het haar idee was om in de prostitutie te werken en dat ze daartoe niet gedwongen werd.

Verdachte is op 3 april 2019 in de avond aangehouden. Hij heeft de volgende dag verklaard dat hij een relatie heeft met [naam 1] , dat hij met zijn vriendin naar Nederland is gekomen om een auto te kopen en voor vakantie. Hij heeft in [naam hotel 2] Roemeense vrienden ontmoet en is met hen naar clubs geweest. Hij verbleef samen met zijn vriendin in hotels in Nederland. Vragen over prostitutiewerk wilde verdachte niet beantwoorden. In latere verhoren bij de politie, bij de rechter-commissaris en in raadkamer heeft verdachte geen vragen willen beantwoorden en ontkend iets te maken te hebben met de beschuldigingen.

[naam 1] heeft op 9 mei 2019 in een gesprek met de politie verteld dat zij nog niet wist of zij aangifte wilde doen en bang is voor de gevolgen daarvan. Zij verklaarde dingen te hebben gedaan die zij eigenlijk niet wilde doen, maar die zij toch had gedaan omdat zij geloofde dit te doen voor een toekomst met verdachte en er nu niet meer zeker van te zijn of zijn beloftes wel waar waren. Verdachte heeft haar gebeld vanuit de gevangenis en zij wil niet meer dat hij dit doet, maar durft dit niet tegen hem te zeggen. [naam 1] verklaarde tevens dat zij bang was voor verdachte, maar misschien een schuldgevoel zou krijgen naar andere meisjes wanneer zij geen aangifte zou doen.

Op 20 mei 2019 heeft [naam 1] dan toch aangifte gedaan. Zij verklaarde dat verdachte haar heeft overtuigd samen met hem van huis weg te gaan en dat zij voor hem afstand heeft genomen van haar familie. Zij is met verdachte met de auto naar Nederland gekomen en kort daarna heeft verdachte de advertentie op kinky.nl gezet. [naam 1] is vanaf 14 februari 2019 gaan werken met klanten en aan het einde van de dag ging al het geld naar verdachte. Zelf mocht zij niet meer dan 30,- euro in haar portemonnee hebben. Verdachte heeft een keer 1.000,- euro en 4.000,- euro gestuurd naar Roemenië, voor het restaurant voor hun bruiloft, maar toen [naam 1] het restaurant belde, bleek dat er niks was gestort. Toen zij verdachte hiernaar vroeg, zei hij dat zij niet goed bij haar hoofd was. [naam 1] verklaarde dat zij zodanig gemanipuleerd was door verdachte dat hij haar liet geloven dat wat hij deed, goed was en dat zij het daar erg moeilijk mee heeft. Verdachte was gelukkig als zij geld produceerde. Als zij even ergens heen wilde, moest zij hem op de hoogte stellen. Verdachte wilde dat [naam 1] zo lang mogelijk in het hotel bleef, zodat zij zoveel mogelijk klanten kon ontvangen. [naam 1] heeft ongeveer twee maanden gewerkt in Nederland en had bijna iedere dag klanten. Verdachte had liever dat zij zoveel mogelijk diensten zou verlenen aan klanten, zodat zij meer geld zou verdienen. Zij heeft daar zelf tussen de 20,- en 30,- euro per dag aan overgehouden, waarvan zij haar sigaretten, snoep en snacks moest betalen. Verdachte werkte niet; hij leefde van het geld van [naam 1] .

[naam 1] heeft op 4 juni 2019 nog telefonisch laten weten dat zij via Messenger bedreigd werd door de moeder van verdachte, dat de moeder al haar geld zou teruggeven als ze geen aangifte deed en dat ook haar nieuwe vriend door haar was benaderd.

Op 4 juli 2019 is [naam 1] nogmaals gehoord. Zij heeft haar aangifte bevestigd en uitgebreid verklaard hoe het allemaal is gegaan. Zij vertelde door verdachte gemanipuleerd te zijn. Zij was verliefd op verdachte en hij beloofde haar van alles. [naam 1] denkt dat ze meer dan 10.000,- euro heeft verdiend en misschien 250,- euro daarvan zelf heeft gehouden. Verdachte wilde weten waar zij was en wat zij deed. [naam 1] was afhankelijk van verdachte en al haar geld verdween naar hem.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte verschillende hotelboekingen heeft gedaan. Hij heeft van 3 april tot 5 april 2019 geboekt bij hotel [naam hotel 1] in Alkmaar , van 26 maart tot 30 maart 2019 en van 31 maart tot 3 april 2019 bij [naam hotel 3] in Amsterdam, van 18 maart tot

21 maart 2019 en van 20 maart tot 22 maart 2019 bij [naam hotel 4] Hotel in Amsterdam.

Er is ook onderzoek gedaan naar de laptop die onder verdachte inbeslaggenomen is. Daarop zijn onder andere seksueel getinte foto’s aangetroffen van [naam 1] , die tevens te vinden waren in advertenties van ‘ [naam 4] ’ op de website kinky.nl.

Tevens is onderzoek verricht naar de inbeslaggenomen telefoon van verdachte, een iPhone XR, waarin chatgesprekken tussen verdachte en ‘ [naam 6] ’ zijn aangetroffen. Deze gesprekken gaan volgens de politie over meisjes in de prostitutie brengen, het geld dat daarmee verdiend kan worden, Kinky advertenties en accounts om meisjes aan te bieden aan klanten, prijsafspraken voor de meisjes en hoe ze moeten reageren. Daarnaast zijn in de telefoon van verdachte gesprekken met [naam 1] aangetroffen over afspraken met klanten, afspraken over prijzen en het aansturen van [naam 1] over het sturen van tekstberichten.

Ook blijkens onderzoek naar twee telefoons van [naam 1] hebben er chatgesprekken tussen [naam 1] en verdachte plaatsgevonden, waarin volgens de politie duidelijk naar voren komt dat zij afhankelijk was van verdachte, dat zij door hem gecontroleerd werd, dat verdachte meisjes vervoerde voor escort, dat hij [naam 1] aanstuurde met wat zij moest doen, wat zij moest zeggen en welke klant zij moest nemen voor de prostitutie, dat verdachte wist wanneer zij een klant had, wanneer zij klaar was en wilde weten wat zij zoal deed, dat hij hotels regelde voor haar voor prostitutie en dat hij haar misleidde door een gezamenlijke toekomst te beloven. Tevens is gebleken dat [naam 1] ook via escortbureaus werkte en ook zonder condoom seks had met klanten.

3.3.2.2 Bruikbaarheid verklaringen voor bewijs

De raadsvrouw heeft vrijspraak van verdachte bepleit omdat de verklaringen van de getuigen [naam 2] en [naam 3] en van aangeefster [naam 1] onbruikbaar zouden zijn voor het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid dan wel ongeloofwaardigheid daarvan.

De raadsvrouw heeft ter onderbouwing hiervan onder meer aangevoerd dat [naam 2] en [naam 3] geld van verdachte hadden geleend en dit niet terug wilden betalen en dat zij niet waarheidsgetrouw hebben verklaard, hetgeen ook zou blijken uit sms-berichten.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] voldoende consistent, duidelijk en op wezenlijke punten met elkaar in overeenstemming zijn, zoals uit het voorgaande wel blijkt. Dit geldt eveneens voor de verklaringen van [naam 1] . Deze verklaringen vinden niet alleen steun in elkaar, maar ook in de vele WhatsApp berichten die over en weer tussen onder anderen verdachte en [naam 1] zijn verzonden. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, vindt de rechtbank geen aanleiding die verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Met betrekking tot de verklaringen van [naam 1] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij heeft gelogen toen zij zei dat zij in Roemenië niet als prostituee had gewerkt.

Wat daar ook van zij, dit gegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig relevant dat daarmee de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaringen komen te vervallen. Eenzelfde conclusie trekt de rechtbank ten aanzien van de stelling van de raadsvrouw dat [naam 1] wel meer dan 20,- of 30,- euro per dag moet hebben gehad, omdat zij afspraken had bij de kapper, haar nagels heeft laten doen, een tatoeage kon betalen en heeft gewinkeld en zij dit met een dergelijk bedrag niet kon betalen.

Los van het feit dat niet uit te sluiten is dat verdachte bij deze activiteiten van aangeefster aanwezig was en dat hij hiervoor heeft betaald, is het ook zo dat deze activiteiten gezien kunnen worden als nodige uitgaven voor haar werkzaamheden als prostituee en in die zin een investering waren.

De raadsvrouw heeft ook betoogd dat aangeefster wel over meer geld moest beschikken dan zij heeft verklaard omdat zij geld stuurde naar haar ex-vriend.

Ook dit leidt niet tot de conclusie dat aangeefster onbetrouwbaar dan wel ongeloofwaardig is, aangezien niet uit te sluiten is dat zij, naast het geld dat zij in de prostitutie verdiende, beschikte over ander geld.

[naam 1] heeft aanvankelijk geen aangifte willen doen en heeft dit later toch wel gedaan. Een dergelijke verandering is niet ongebruikelijk voor slachtoffers van seksuele uitbuiting en is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om onbetrouwbaarheid of ongeloofwaardigheid aan te nemen. Uit het dossier blijkt duidelijk waar die gewijzigde houding op is gebaseerd; [naam 1] was verliefd op verdachte en hoopte ondanks alles toch op een toekomst met hem, maar zag uiteindelijk in dat zij slechts door hem werd gemanipuleerd en gecontroleerd, zoals zij zelf heeft verklaard. Verdachte daarentegen heeft gedurende het gehele proces niets willen verklaren en heeft de kans aan zich voorbij laten gaan om openheid van zaken te geven en om in te gaan op de beschuldigingen. Een aannemelijk alternatief scenario is daarmee achterwege gebleven.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de verklaringen van de getuigen [naam 2] en [naam 3] en van aangeefster [naam 1] gebruikt kunnen worden voor het bewijs, voor zover deze onderling door elkaar en door WhatsApp berichten worden ondersteund.

3.3.2.3 Inhoudelijke beoordeling of er sprake is van mensenhandel

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mensenhandel van [naam 1] in de zin van artikel 273f, eerste lid, subonderdelen 1, 3, 4, 6 en 9 Sr.

Bij de beoordeling van de vraag of mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid Sr bewezen kan worden, dient – gelet op hetgeen ten laste is gelegd – vastgesteld te worden dat sprake was van drie bestanddelen, te weten dwangmiddelen (dwang, geweld, bedreiging met geweld, een andere feitelijkheid, misleiding, misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie), handelingen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen) en het oogmerk van uitbuiting. Voor niet alle subonderdelen geldt dat de vaststelling van al deze bestanddelen nodig is om tot een bewezenverklaring te komen.

Sub 1: dwangmiddelen, gedragingen en oogmerk van uitbuiting

Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel moet sprake zijn van ten eerste één of meer dwangmiddelen en ten tweede één of meer gedragingen. Ten derde moet er bij de verdachte sprake zijn van het oogmerk om het slachtoffer uit te buiten.

Dwangmiddelen

Allereerst dient te worden vastgesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 237f, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr. Daarbij is van belang dat, zodra het hanteren van een van deze middelen bewezen wordt verklaard, de (eventuele) instemming van aangeefster met de uitbuitingssituatie niet meer relevant is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte tegen [naam 1] gebruik gemaakt van de middelen: een feitelijkheid, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

Een feitelijkheid

Wanneer een handeling niet als (bedreiging met) geweld aangemerkt kan worden, maar er wel dwang of druk van uitgaat, kan er sprake zijn van een andere feitelijkheid. Over het algemeen moet dan sprake zijn van een bepaalde mate van psychische druk.

[naam 1] heeft verklaard dat verdachte haar onder controle hield en onder druk zette om zoveel mogelijk geld te verdienen in de prostitutie en dat zij daartoe zo lang mogelijk in haar hotelkamer moest blijven. Hij deed dit onder andere door haar veelvuldig telefonisch te benaderen. Zij moest hem overal van op de hoogte stellen en mocht niet weg zonder zijn toestemming. Omdat [naam 1] bijna al haar verdiende geld aan verdachte moest geven, had zij ook niet de financiële middelen om weg te kunnen komen. Zij kon zich aldus niet aan zijn controle en aan de prostitutiewerkzaamheden onttrekken, omdat verdachte op die wijze psychische druk op haar uitoefende. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het dwangmiddel ‘een feitelijkheid’ is bewezen.

Misleiding

Verdachte knoopte een relatie aan met [naam 1] en zij was verliefd op hem. Verdachte deed het voorkomen alsof hij met haar wilde trouwen en dat zij daar geld voor moesten sparen. Hij heeft haar voorgehouden dat hij met haar zou trouwen en heeft, in strijd met de waarheid, tegen haar gezegd dat hij daartoe een zaal had gehuurd. [naam 1] dacht dat zij een gezamenlijke toekomst had met verdachte. Zij wilde zo veel mogelijk geld verdienen voor die toekomst en werkte daarom zo hard mogelijk. Als dat een keer wat minder was, werd verdachte boos. [naam 1] gaf haar geld aan verdachte in de veronderstelling dat hij dat bewaarde voor hun toekomst. Verdachte heeft haar verliefdheid en hun relatie gebruikt om haar aan het werk te houden, wat het dwangmiddel misleiding oplevert.

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht wordt verondersteld aanwezig te zijn als, kort gezegd, het slachtoffer in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden van een mondige prostituee in Nederland. Een dergelijke situatie wordt aangeduid als uitbuitingssituatie. Met het misbruik maken van een kwetsbare positie wordt gedoeld op een situatie waarin de betrokkene geen reële of aanvaardbare keuze heeft anders dan het misbruik te ondergaan.

Deze situaties overlappen elkaar grotendeels. Uit jurisprudentie volgt dat beide situaties ruim worden uitgelegd. Beoogd wordt een ruime bescherming te bieden aan slachtoffers. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen. Te denken valt aan familieomstandigheden en de financiële, psychische en sociale situatie waarin het slachtoffer zich bevindt.

Alleen al de omstandigheid dat [naam 1] niet zelfstandig over de door haar gegenereerde inkomsten kon beschikken en haar geld aan verdachte moest afdragen, duidt op een afhankelijks- dan wel een uitbuitingssituatie. Daar komt bij dat [naam 1] niemand had in Nederland en nergens heen kon, temeer nu verdachte haar zo intensief in de gaten hield en zij daar overigens de (financiële) middelen niet voor had. Toen verdachte een relatie aanging met [naam 1] , was zij een jong meisje van achttien jaar dat thuis problemen had. Verdachte heeft haar gestimuleerd om van school te gaan, haar ouders de rug toe te keren en met hem mee te gaan naar Nederland, waar zij snel na aankomst al in de prostitutie belandde, bijna dagelijks klanten ontving en bijna de hele dag in een hotelkamer zat. [naam 1] verkeerde in die zin in een kwetsbare positie en daar maakte verdachte misbruik van.

Gedragingen

De rechtbank is van oordeel dat uit het hiervoor overwogene tevens volgt dat verdachte met voornoemde middelen [naam 1] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in Roemenië een relatie met [naam 1] is aangegaan, haar met de auto heeft meegenomen naar Nederland en hotelkamers voor haar heeft geregeld, van waaruit zij haar werkzaamheden als prostituee verrichtte. Daarmee zijn deze gedragingen bewezen.

Oogmerk van uitbuiting

Het bestanddeel ‘(oogmerk van) uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in artikel 273f, tweede lid Sr van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van voornoemde vraag komt in elk geval betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (Vergelijk: HR 5 februari 2002, LJN AD5235).

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat [naam 1] blijkens haar eigen berichten een zeer geëmancipeerde, uitgekookte vrouw lijkt die goed weet wat zij doet en zegt en wat zij daarmee wil bereiken. [naam 1] zou daarmee een mondige prostituee zijn naar Nederlandse maatstaven. De rechtbank gaat hierin, gelet op het vorenstaande, niet mee.

Verdachte heeft dwangmiddelen gebruikt en handelingen verricht waardoor geen sprake is van omstandigheden vergelijkbaar met de situatie waarin een mondige prostituee verkeert. Verdachte heeft [naam 1] na haar komst naar Nederland bewogen om in de prostitutie werkzaam te blijven. Alleen al het feit dat [naam 1] , als zij echt geen zin had om te werken, stiekem vrij moest nemen, zoals zij zelf heeft verklaard, weerlegt deze bewering van de raadsvrouw. Een mondige prostituee bepaalt immers zelf wanneer zij vrij neemt en hoeft dit niet stiekem te doen. De rechtbank stelt vast dat verdachte financieel gewin heeft gehad van de prostitutiewerkzaamheden van [naam 1] . [naam 1] heeft verklaard dat zij vrijwel al haar verdiende geld aan verdachte heeft afgedragen. Dit was volgens [naam 1] in totaal rond de 10.000,- euro, waarvan zij zelf slechts ongeveer 250,- euro heeft gehouden. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij de hiervoor genoemde handelingen verrichtte, maar dat hij [naam 1] ook daadwerkelijk heeft uitgebuit. Daarmee wordt het verweer van de raadsvrouw, dat verdachte geen oogmerk van uitbuiting had, verworpen.

Sub 3, sub 4, sub 6 en sub 9

Op grond van hetgeen ten aanzien van sub 1 is overwogen, kan ook bewezen worden dat verdachte [naam 1] heeft aangeworven en medegenomen (sub 3) en dat verdachte handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist dat [naam 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (sub 4). Voorts blijkt uit het voorgaande dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [naam 1] (sub 6) en dat hij haar heeft bewogen tot het afstaan van (het merendeel van) de opbrengsten van haar prostitutiewerkzaamheden (sub 9).

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aan verdachte onder 2 ten laste gelegde mensenhandel wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

in de periode van januari 2019 tot en met 3 april 2019 in Nederland en/of Roemenië een ander, genaamd [naam 1] , geboren [geboortedag 2] 2000, door een feitelijkheid, door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1 Sr)

en

heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [naam 1] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 3 Sr)

en

enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist dat die [naam 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) (artikel 273f lid 1 sub 4 Sr)

en

heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9 Sr)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam 1] (artikel 273f lid 1 sub 6 Sr)

waarbij die feitelijkheid heeft bestaan uit:

  • -

    het zich op overheersende wijze te uiten tegen die [naam 1] en

  • -

    het onder controle houden en onder druk zetten van die [naam 1] , onder andere door die [naam 1] veelvuldig te benaderen via de telefoon en die [naam 1] hem, verdachte, overal van op de hoogte te laten stellen, waardoor het voor die [naam 1] werd bemoeilijkt zich aan die controle en die prostitutiewerkzaamheden te onttrekken en

  • -

    het brengen en houden van die [naam 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken;

en waarbij voornoemde "enige handeling" heeft bestaan uit:

  • -

    het laten verblijven van die [naam 1] in een door verdachte geboekte hotelkamer en het ter beschikking stellen van die hotelkamer als werkplek voor prostitutiewerkzaamheden van die [naam 1] en

  • -

    het maken van foto's voor advertenties op websites waarin die [naam 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en het maken van de advertentie op www.kinky.nl en

  • -

    het geven van uitleg en instructies aan die [naam 1] met betrekking tot de door [naam 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en

  • -

    het begeleiden van die [naam 1] bij/naar escortwerkzaamheden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, niet uitgelaten over de strafoplegging.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [naam 1] , een jonge vrouw die zich in een kwetsbare positie bevond. Hij heeft grof misbruik gemaakt van deze kwetsbare positie en van de bereidheid van [naam 1] om verdachte veel geld af te staan om een toekomst op te bouwen met verdachte. Verdachte heeft [naam 1] , die verliefd op hem was, gemanipuleerd om steeds meer te werken en meer geld te verdienen en liet zijn teleurstelling duidelijk blijken als dat een keer iets minder ging. Zij mocht van dat geld zelf slechts twee of drie tientjes houden, voor sigaretten en snacks. De rest van het geld belandde in de zakken van verdachte om vervolgens niet meer teruggevonden te worden, met het excuus dat hij het spaarde voor een zaal voor hun huwelijk. Deze zaal bleek, tot grote teleurstelling van [naam 1] , nooit gehuurd te zijn.

Door zo te handelen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij hij zijn eigen (financiële) belangen op de voorgrond heeft gesteld. Verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de lichamelijke integriteit en gevoelens van zijn slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten daar nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade van kunnen ondervinden.

In haar schriftelijke slachtofferverklaring vertelt [naam 1] dat verdachte haar leven heeft geruïneerd. Zij heeft alles en iedereen achtergelaten voor verdachte. Haar familie, haar vrienden en haar studie en dat allemaal omdat hij haar een mooie toekomst samen had beloofd. [naam 1] geeft aan dat zij verliefd was op verdachte en dat iemand in die situatie alles zou doen om hem gelukkig te maken, terwijl verdachte alleen gelukkig was omdat zij geld verdiende. Verdachte manipuleerde haar, daarom had zij niet door hoe de situatie werkelijk was. Verdachte kon [naam 1] bespelen zoals hij wilde, omdat zij niemand anders had en hij ervoor had gezorgd dat zij alleen hem vertrouwde. [naam 1] sluit haar slachtofferverklaring af met de mededeling dat de reden voor haar aangifte tegen verdachte is dat zij andere meisjes hetzelfde lot wil besparen.

De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, op. Dit is een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, nu verdachte wordt vrijgesproken van het illegaal tewerkstellen van [naam 2] . Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank deze straf passend en geboden.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] , bijgestaan door mr. M.M. Volwerk, heeft zich in dit strafgeding gevoegd als benadeelde partij ter zake van de vordering tot schadevergoeding als gevolg van de door het bewezen verklaarde feit ontstane schade. Zij vordert € 8.850,- aan materiële schadevergoeding en € 8.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar geen bewijs is overgelegd van een bij de benadeelde partij ontstane posttraumatische stressstoornis (PTSS), maar dat een PTSS een veel voorkomend verschijnsel is bij vrouwen die onder deze omstandigheden seks hebben gehad met veel klanten. Daarom kan ook het immateriële deel van de vordering volgens de officier van justitie worden toegewezen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht een veroordeling van verdachte volgen, de vordering van de benadeelde partij alsnog niet integraal kan worden toegewezen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de berekening van de politie in eerste instantie fout was en dat de berekening van de gemachtigde van de benadeelde partij weliswaar beter is, maar dat ook daar geen houvast voor is. Het is immers niet bekend hoeveel de benadeelde partij heeft gewerkt, hoeveel klanten zij heeft gehad en hoeveel geld zij zelf heeft uitgegeven.

Primair concludeert de raadsvrouw tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij en subsidiair tot toewijzing van het materiële deel na aftrek van de door de benadeelde partij gedane uitgaven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

De vordering tot materiële schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij is namens verdachte betwist. Vast staat dat aan de benadeelde partij door de mensenhandel die onder 2 bewezen is verklaard rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Omdat de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden niet werden geregistreerd en kort na ontvangst aan verdachte moesten worden afgedragen, kan de materiële schade niet nauwkeurig worden vastgesteld. Daarom dient deze op de voet van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden geschat.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft als onderbouwing van de gevorderde materiële schadevergoeding in een bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding een berekening gemaakt met een schatting van de gederfde inkomsten, waarin diverse kosten zoals levensonderhoud zijn verdisconteerd. Deze gederfde inkomsten hebben volgens de onderbouwing betrekking op de periode van 14 februari 2019 tot en met 2 april 2019, waarin de benadeelde partij werkzaamheden heeft verricht waarvan zij de opbrengsten voor het overgrote deel moest afstaan.

De rechtbank acht deze schatting voldoende onderbouwd en aannemelijk en concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot het gevorderde bedrag van € 8.850,- (achtduizend achthonderdvijftig euro) zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten

14 februari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.850,- (achtduizend achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten

14 februari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

8.3.2

De vordering tot immateriële schadevergoeding

De rechtbank leest de vordering tot immateriële schadevergoeding als vergoeding van geestelijk letsel. Voor vergoeding van dergelijke schade is op grond van art. 6:106, lid 1, onder b van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vaststelling dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd (HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241 en HR [geboortedag 2] 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201).

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, rov. 6). In zijn arrest van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:376) bevestigde de Hoge Raad dat op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond, nog wel een uitzondering kan worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde.

In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

De rechtbank overweegt dat uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij of uit de ter zitting gegeven toelichting genoemd ziektebeeld niet kan worden afgeleid en dat nader onderzoek daarnaar noodzakelijk zou zijn. De behandeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding levert om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding op als bedoeld in art. 361, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De vraag of in dit geval niettemin sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, beantwoordt de rechtbank in het licht van het voorgaande ook ontkennend. De aard en de ernst van de normschending, gelet ook op de (relatief geringe) duur van de uitbuiting en het feit dat er geen geweld is toegepast, brengen niet mee dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot immateriële schadevergoeding en kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mensenhandel.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [naam 1] toe tot € 8.850,- (achtduizend achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 februari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , € 8.850,- (achtduizend achthonderdvijftig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 februari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 79 (negenenzeventig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. A.F. van Hoorn en M. Vaandrager, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2019.

Mr. Van Hoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.