Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
13/679004-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Keren op rijbaan provinciale weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679004-17

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1970,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 20190.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.C. Meijer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Diemen, in elk geval in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over de provinciale weg N236, nabij de kruising met de Weesperstraat, zich zodanig, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon], zwaar lichamelijk letsel, te weten

een hersenkneuzing en/of een breuk aan zijn adamsappel en/of meerdere breuken aan het lichaam, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Provincialeweg (parallel aan de Weespertrekvaart) komende uit de richting van bedrijvenpark Verrijn Stuartweg en gaande in die van de Loosdrechtdreef / Rijksweg A9 te Amsterdam Zuidoost,

terwijl verdachte verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht,

terwijl verdachte voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels, in strijd met het gestelde in artikel 78 van voormeld reglement op die weg niet die richting heeft gevolgd, waarvoor de weg bestemd was, waarop hij, verdachte, zich bevond, doch is gaan keren door naar links te sturen, en/of (daarbij) in strijd met artikel 76 van voormeld reglement een (dubbele) doorgetrokken streep heeft overschreden en/of (vervolgens) een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van voormeld reglement heeft uitgevoerd, namelijk op die weg is gekeerd, althans is gaan keren en/of (daarbij) de bestuurder van een over de provinciale weg N236 achter hem rijdende motorfiets niet voor heeft laten gaan en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die motorfiets (te weten die [persoon]) die links naast hem, verdachte, van achteren over de provinciale weg N236 naderde,

verdachte bij deze bijzondere manoeuvre niet dan wel onvoldoende op het overige verkeer heeft gelet en/of niet dan wel onvoldoende in zijn spiegel(s) heeft gekeken en/of over zijn schouders heeft gekeken, terwijl op datzelfde moment een motorfiets bezig was om verdachte aan de linkerzijde in te halen, en aldus die motorfiets niet heeft laten voorgaan, zoals bedoeld in (de) artikel(en) 18 en/of 54 van het RVV1990,

(mede) tengevolge, waarvan een aanrijding of botsing tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de hem over die weg tegemoetkomende motorfiets en/of de bestuurder van die motorfiets, (te weten die [persoon]) heeft plaatsgevonden, waardoor, althans mede waardoor, de bestuurder van die motorfiets, die [persoon], zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en/of breuk(en) aan onder ander diens schouder en/of onderarm en/of pols en/of bekken en/of bovenbeen en/of rib(ben) en/of onderkaak adamsappel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Diemen, in elk geval in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over de provinciale weg N236, nabij de kruising met de Weesperstraat, zich zodanig, heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Provincialeweg (parallel aan de Weespertrekvaart) komende uit de richting van bedrijvenpark Verrijn Stuartweg en gaande in die van de Loosdrechtdreef / Rijksweg A9 te Amsterdam Zuidoost,

terwijl verdachte verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht,

terwijl verdachte voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels, in strijd met het gestelde in artikel 78 van voormeld reglement op die weg niet die richting heeft gevolgd, waarvoor de weg bestemd was, waarop hij, verdachte, zich bevond, doch is gaan keren door naar links te sturen, en/of (daarbij) in strijd met artikel 76 van voormeld reglement een (dubbele) doorgetrokken streep heeft overschreden en/of (vervolgens) een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van voormeld reglement heeft uitgevoerd, namelijk op die weg is gekeerd, althans is gaan keren en/of (daarbij) de bestuurder van een over de provinciale weg N236 achter hem rijdende motorfiets niet voor heeft laten gaan en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die motorfiets (te weten die [persoon]) die links naast hem, verdachte, van achteren over de provinciale weg N236 naderde,

verdachte bij deze bijzondere manoeuvre niet dan wel onvoldoende op het overige verkeer heeft gelet en/of niet dan wel onvoldoende in zijn spiegel(s) heeft gekeken en/of over zijn schouders heeft gekeken, terwijl op datzelfde moment een motorfiets bezig was om verdachte aan de linkerzijde in te halen, en aldus die motorfiets niet heeft laten voorgaan, zoals bedoeld in (de) artikel(en) 18 en/of 54 van het RVV1990,

(mede) tengevolge, waarvan een aanrijding of botsing tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de hem over die weg tegemoetkomende motorfiets en/of de bestuurder van die motorfiets, (te weten die [persoon]) heeft plaatsgevonden.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Diemen, in elk geval in Nederland als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk Opel, [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, in elk geval een stof genoemd op lijst 1 van de Opiumwet, waarvan

hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, terwijl hij onder invloed van cannabinoïden verkeerde. Hij heeft zeer onvoorzichtig gehandeld, door bij het keren op de weg de verplichte rijrichting te negeren, over een verdrijvingsvlak en een dubbele doorgetrokken streep te rijden en geen voorrang te verlenen aan [persoon], de bestuurder van de motorfiets. Het bij [persoon] ontstane letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitaantekeningen als standpunt naar voren gebracht dat verdachte van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het verwijt van de cannabinoïden heeft de raadsman aangevoerd dat het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waaruit volgt dat in het bloed van verdachte een bepaalde THC waarde is aangetroffen, dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat het recht op contra-expertise niet kon worden geëffectueerd en er dus sprake is van een vormverzuim. Op het moment dat het Openbaar Ministerie besloot verdachte te vervolgen was het bloedmonster vernietigd, terwijl verdachte al bij de politie heeft aangegeven dat hij een tegenonderzoek wilde laten uitvoeren. Hoewel verdachte op 25 augustus 2016 op de hoogte is gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek, blijkt uit deze brief dat hem niet de mogelijkheid is geboden op een tegenonderzoek ten aanzien van het THC gehalte.

De raadsman heeft verder bepleit dat uit de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend kan volgen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, omdat verdachte in zijn beleving geen motorrijder heeft gezien op het moment dat hij zijn auto keerde op de weg.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Contra-expertise na bloedonderzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat de resultaten van het NFI onderzoek met betrekking tot het THC-gehalte in het bloed van verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs, nu geen contra-expertise mogelijk was. In het dossier zit een verslag van het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 16 lid 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. In dit verslag is vermeld dat THC in het bloed van verdachte is aangetroffen. Verdachte is bij brief van 25 augustus 2016 op de hoogte gebracht van die uitslag en gewezen op de mogelijkheid van tegenonderzoek naar het alcoholgehalte. Verder is vermeld dat het bloed nader wordt onderzocht op stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, maar dat de uitslag daarvan nog geruime tijd op zich kan laten wachten. Hoewel het erop lijkt dat in de brief per abuis is gewezen op de mogelijkheid van tegenonderzoek naar het alcoholgehalte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij had moeten begrijpen dat hiermee het tegenonderzoek naar het THC gehalte werd bedoeld. De rechtbank is daarom met de raadsman van oordeel dat de waarborgen waarmee de wetgever een dergelijk bloedonderzoek heeft omringd, zoals deze zijn vastgelegd in de artikelen 13 lid 2 en 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, niet zijn nageleefd. Tot die waarborgen hoort onder meer dat verdachte recht heeft op een tegenonderzoek en nu deze strikte waarborg niet naar behoren is nageleefd, is de rechtbank van oordeel dat het resultaat van het verrichte bloedonderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Dat betekent dat verdachte van het onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde dat hij onder invloed van een cannabinoïden verkeerde en van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

3.3.2.

Schuld aan het onder 1 primair ten laste gelegde

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft een bijzondere manoeuvre, te weten keren op de weg, uitgevoerd en hij deed dit op een plaats waar dit verboden was. Op grond van het bepaalde in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dient een bestuurder die een bijzondere manoeuvre uitvoert, zoals keren, het overige verkeer voor te laten gaan.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen motorrijder heeft gezien op het moment dat hij zijn auto ging keren voorbij de vluchtheuvel, net voorbij de T-splitsing met de Weesperstraat. Op die plek bestaat de Provinciale weg N236 uit één rijbaan verdeeld in twee richtingen. Een rijstrook is bestemd voor het verkeer in de richting van Weesp, de Rijksweg A9, komende uit de richting van het bedrijvenpark Verrijn Stuart. De andere rijstrook is bestemd voor het verkeer in tegenovergestelde richting. Verdachte heeft verklaard dat hij op de Provinciale weg reed in de richting van Weesp. Hij heeft zijn auto net voorbij de T-splitsing aan de kant gezet, omdat hij bemerkte dat er iets met zijn auto aan de hand was. Verdachte heeft zijn auto vervolgens voorbij de vluchtheuvel naar de linkerkant van de rijbaan gedraaid, omdat naast de rijbaan in de tegenovergestelde richting meer plaats was om zijn auto te parkeren. Op het moment dat verdachte de motorrijder aan zag komen rijden stond hij – in zijn beleving – al ongeveer drie minuten stil.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zijn auto al aan de linkerkant van de rijbaan stond geparkeerd niet aannemelijk. Uit de verklaringen van de getuigen in samenhang met de bevindingen uit het Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat verdachte een bijzondere manoeuvre heeft willen uitvoeren op een plaats waar dit verboden was. Verdachte wilde op de Provinciale weg N236 in de richting van Weesp, net voorbij de T-splitsing naar de Weesperstraat, zijn auto keren en aan de overzijde van de weg in de berm parkeren. Op het moment dat verdachte deze bijzondere manoeuvre inzette en tevens in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de doorgetrokken streep van het verdrijvingsvlak passeerde, is de achterop komende motorfiets bestuurd door het slachtoffer [persoon] in botsing gekomen met de linkerzijde van de auto van verdachte.

De manoeuvre die verdachte uitvoerde was verboden op die plek, zodat op hem een grotere verantwoordelijkheid dan gewoonlijk rustte om zich ervan te verzekeren dat hij de bijzondere manoeuvre kon uitvoeren zonder andere verkeerdeelnemers in gevaar te brengen. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld door onvoldoende rekening te houden met achteropkomend verkeer. Als gevolg van deze ernstige verkeersovertreding is het slachtoffer [persoon] met zijn motorfiets in botsing gekomen met de auto van verdachte en heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

op 25 juni 2016 te Diemen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over de provinciale weg N236, nabij de kruising met de Weesperstraat, zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [persoon], zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en een breuk aan zijn adamsappel en meerdere breuken aan het lichaam werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Provincialeweg parallel aan de Weespertrekvaart, komende uit de richting van bedrijvenpark Verrijn Stuart en gaande in die van de Loosdrechtdreef / Rijksweg A9 te Amsterdam Zuidoost,

terwijl verdachte bezig was een bijzondere manoeuvre uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels 1990, en niet die richting heeft gevolgd waarvoor de weg bestemd was en waarop hij, verdachte, zich bevond, doch is gaan keren door naar links te sturen, en daarbij in strijd met artikel 76 van voormeld reglement een (dubbele) doorgetrokken streep heeft overschreden en de bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van voormeld reglement heeft uitgevoerd, namelijk op die weg is gekeerd, en daarbij de bestuurder van een over de provinciale weg N236 achter hem rijdende motorfiets niet voor heeft laten gaan en vervolgens in aanrijding is gekomen met de bestuurder van die motorfiets, te weten die [persoon], die links naast hem, verdachte, van achteren over de provinciale weg N236 naderde,

verdachte heeft bij deze bijzondere manoeuvre onvoldoende op het overige verkeer gelet,

tengevolge waarvan een aanrijding of botsing tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de hem over die weg tegemoetkomende bestuurder van die motorfiets, te weten die [persoon], heeft plaatsgevonden, waardoor, de bestuurder van die motorfiets, die [persoon], zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en breuken aan diens schouder en onderarm en pols en bekken en bovenbeen en ribben en onderkaak en adamsappel, werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair bewezen geachte dient te worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis, en een onvoorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de van 2 jaren. Voor het onder 2 bewezen geachte dient verdachte te worden veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Bij het bepalen van de eis is de officier van justitie, gelet op het tijdsverloop, ten voordele van verdachte afgeweken van de landelijke oriëntatiepunten, te weten een gevangenisstraf van 6 maanden en een onvoorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij een veroordeling rekening te houden met de lichte mate van schuld van verdachte aan het ongeval, het tijdsverloop en het feit dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte is, zonder goed op andere weggebruikers te letten, gaan keren op een rijbaan waar dat niet was toegestaan, waardoor een motorrijder tegen zijn auto is aangereden. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer, de heer [persoon], zwaar lichamelijk opgelopen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een ernstige schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 1 jaar opgelegd.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij er ter terechtzitting geen blijk van heeft gegeven de ernst van zijn handelen in te zien. Dit terwijl het verkeersongeval, zo is gebleken na het voorhouden van de slachtofferverklaring van [persoon], ingrijpende en waarschijnlijk blijvende gevolgen heeft voor het verdere leven van het slachtoffer. Hij heeft na een lange revalidatie nog steeds moeite met bewegen en praten, is in het dagelijks leven afhankelijk van anderen en hij heeft financiële problemen omdat hij volledig is afgekeurd.

Anderzijds dient de rechtbank rekening te houden met het tijdsverloop tussen de dag van het ongeval en het wijzen van dit vonnis. Het ongeval heeft meer dan drie jaren geleden plaatsgevonden en daarom ziet de rechtbank aanleiding om van voornoemd uitgangspunt, alsmede van de eis van de officier van justitie, af te wijken.

De rechtbank acht de hierna te noemen strafoplegging passend en geboden. Naast het opleggen van een taakstraf zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk deel dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw de fout in te gaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2019.